Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2007:BA7825

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
18-06-2007
Datum publicatie
21-06-2007
Zaaknummer
18/994981-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De in 1990 door B&W van Groningen aan de aanvrager/houder van een horeca-inrichting verleende vergunning voor het maken van muziek c.q. het gebruik van geluidsapparatuur in die horeca-inrichting, geldt blijkens de considerans van die vergunning uitsluitend voor de aanvrager van de vergunning en gaat niet over op de volgende houder van dezelfde horeca-inrichting. Hieruit volgt dat de voorschriften die aan deze vergunning zijn verbonden (welke voorschriften na de inwerkingtreding van het Besluit horecabedrijven milieubeheer zijn gaan gelden als ‘nadere eis’), niet zijn overgegaan op verdachte, als een volgende houder van diezelfde horeca-inrichting. Vrijspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

Parketnummer: 18/994981-06

Datum uitspraak: 18 juni 2007

op tegenspraak

Vonnis van de economische politierechter in de rechtbank te Groningen, in de zaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 juni 2007.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd: dat

hij

in de gemeente Groningen,

op of omstreeks 12 oktober 2006 (omstreeks 23.48 uur),

als degene die in perceel [adres] een inrichting,

als bedoeld in artikel 2 van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-

inrichtingen milieubeheer, genaamd [naam bar]), dreef,

al dan niet opzettelijk, er niet voor heeft zorggedragen dat de door het

bevoegd gezag, te weten burgemeester en wethouders der gemeente Groningen,

gestelde en hieronder omschreven nadere eis(en)en werd(en) nageleefd,

immers waren/was door burgemeester en wethouders der gemeente Groningen (onder

meer) de navolgende eisen gesteld:

IX. De ramen moeten tijdens het ten gehore brengen van muziek zijn gesloten.

X. De deuren en vluchtdeuren moeten tijdens het ten gehore brengen van

muziek, behoudens voor onmiddellijk doorlaten van goederen en/of personen,

zijn gesloten.

11. De toegangsdeuren moeten zelfsluitend zijn, niet in hun werking worden

gehinderd en zodanig zijn uitgevoerd, dat deze zonder lawaai sluiten.

en stond toen, tijdens het ten gehore brengen van muziek, de buitendeur in

geopende stand, anders dan voor het onmiddellijk doorlaten van goederen en/of

personen

en/of

was die toegangsdeur (bovendien) niet zelfsluitend;

art 5 lid 2 Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft primair gevorderd dat verdachte terzake van het tenlastegelegde wordt ontslagen van alle rechtsvervolging omdat het feit niet als een strafbaar feit kan worden gekwalificeerd. Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat de zogenoemde nadere eisen, die verdachte volgens de tenlastelegging niet zou hebben nageleefd, niet gelden voor verdachte. Immers, de vergunning die op 30 oktober 1990 door Burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen is verleend voor het maken van muziek c.q. het gebruik van geluidsapparatuur in het perceel, gelegen aan de [adres], is verleend aan de toenmalige aanvrager/houder van de horeca-inrichting (te weten [eerdere eigenaar bar]), terwijl in de considerans van die vergunning met zoveel woorden is opgenomen dat deze vergunning uitsluitend geldt voor de aanvrager van deze vergunning en niet overgaat op de volgende houder(s) van dezelfde horeca-inrichting.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting aangegeven dat de gemeente Groningen en de politie over de hier aan de orde zijnde materie een andere opvatting hebben dan hij. In dit verband heeft de officier van justitie verwezen naar een proces-verbaal van aanvulling d.d. 11 april 2007, opgemaakt door [verbalisant], brigadier van Regiopolitie Groningen, waarbij

de aan [eerder eigenaar bar] op 30 oktober 1990 verleende vergunning als bijlage is gevoegd.

De gemeente Groningen en de politie zijn van mening dat op basis van latere wet- en regelgeving de nadere eisen, die zijn opgenomen in de vergunning d.d. 30 oktober 1990,

wel degelijk gelden voor latere houders van dezelfde horeca-inrichting, dus (ook) voor verdachte, de huidige houder van de horeca-inrichting. Met het oog op dit verschil van opvatting, verzoekt de officier van justitie aan de economische politierechter om op de voet van artikel 379 van het Wetboek van Strafvordering een schriftelijk vonnis te wijzen.

Subsidiair vordert de officier van justitie - zo de economische politierechter wèl tot een bewezenverklaring zou komen - een geldboete van € 750,- subsidiair 15 dagen vervangende hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

Vrijspraak

Aan verdachte is tenlastegelegd - kort gezegd - dat hij op 12 oktober 2006 in de gemeente Groningen de nadere eisen niet heeft nageleefd die door Burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen zijn gesteld met betrekking tot het maken van muziek c.q. het gebruik van geluidsapparatuur in het perceel, gelegen aan de [adres].

De economische politierechter is met de officier van justitie van oordeel dat de op 30 oktober 1990 door Burgemeester en wethouders van Groningen aan [eerdere eigenaar bar] - als houder van de horeca-inrichting, gelegen aan de [adres] - verleende vergunning persoonsgebonden is, gelet op de door de officier van justitie ter terechtzitting aangehaalde overweging in de considerans, inhoudende dat die vergunning uitsluitend geldt voor de aanvrager van de vergunning en niet overgaat op de volgende houder(s) van dezelfde horeca-inrichting. De voorschriften die aan deze vergunning zijn verbonden (welke voorschriften na de inwerkingtreding van het Besluit horecabedrijven milieubeheer zijn gaan gelden als 'nadere eis'), zijn dan ook niet overgegaan op verdachte, als (een) volgende houder van dezelfde horeca-inrichting. Het bepaalde in artikel 2.13 van Bijlage I van het Besluit horecabedrijven milieubeheer maakt dit niet anders.

Terzijde merkt de economische politierechter op dat het door de officier van justitie aangehaalde proces-verbaal van aanvulling d.d. 11 april 2007 betrekking heeft op een proces-verbaal, opgemaakt ter zake van overtreding van de nadere eisen door de uitbater van de "[naam bar A]", gelegen aan de [adres bar A]. De economische politierechter gaat ervan uit dat abusievelijk niet het proces-verbaal van aanvulling dat betrekking heeft op verdachte is gehecht aan (het afschrift van) de aan [eerdere eigenaar bar] verleende vergunning.

Derhalve is de economische politierechter van oordeel dat de zich in het strafdossier bevindende vergunning niet is overgegaan op verdachte. Voorts is niet gebleken dat door

het bevoegd gezag op enig moment aan een andere uitbater (dan [eerdere eigenaar bar]) een zogenoemde inrichtingsgebonden vergunning (met daaraan verbonden nadere eisen) is verleend voor het drijven van de inrichting, gelegen aan de [adres], welke nadere eisen vervolgens zouden gelden voor een ieder - dat wil zeggen: voor elke volgende houder van dezelfde horeca-inrichting, onder wie verdachte - die de inrichting drijft.

Gelet hierop zal de economische politierechter verdachte vrijspreken van het hem tenlastegelegde feit.

BESLISSING

De economische politierechter:

- verklaart het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Depping, economische politierechter, in tegenwoordigheid van M. Smit-Colnot als griffier en uitsproken op de openbare terechtzitting van 18 juni 2007.