Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2007:BA7500

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
13-06-2007
Datum publicatie
25-06-2007
Zaaknummer
93721/FA RK 07-797
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontheffing van het ouderlijk gezag en gezagsvoorziening

Ondanks dat pleegmoeder graag voogdes wil worden is BJZ als zodanig benoemd, gelet op de "beleidsonduidelijkheid" op het gebied van de verstrekking aan de pleegouder-voogd van voorzieningen, zoals pleegvergoeding en pleegzorgbegeleiding ten behoeve van de op basis van een pleegcontract in het gezin geplaatste minderjarige.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 266
Burgerlijk Wetboek Boek 1 336
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2007, 118
JPF 2007/123
JIN 2007/345
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

zaaknr.: 93721 / FA RK 07-797

beschikking d.d. 13 juni 2007

in de zaak van:

DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,

en

mevrouw A.

PROCESVERLOOP

De Raad heeft op 20 april 2007 een verzoekschrift ingediend, waarin wordt verzocht de moeder te ontheffen van het gezag over haar minderjarige kind, geboren op [...] 2004 en om het bureau jeugdzorg Noord-Brabant (hierna: bjz) tot voogdes te benoemen.

Bij het verzoekschrift bevindt zich onder meer een op 12 april 2007 ondertekende verklaring van de moeder dat zij geen bezwaar heeft tegen ontheffing van het ouderlijk gezag en een bereidverklaring d.d. 19 april 2007 van bjz inzake de voogdij.

De moeder heeft de rechtbank medegedeeld dat zij niet ter zitting zal verschijnen.

De rechtbank heeft de zaak behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 25 mei 2007. Hierbij zijn gehoord: mevrouw [pleegmoeder] en

de heer [pleegvader], pleegouders, de heer R.C.M. Wouters, namens de Raad, en de

heer B. Stuurwold, namens bjz, werkzaam bij bureau jeugdzorg Groningen.

RECHTSOVERWEGINGEN

Vaststaande feiten

- het is de moeder niet bekend wie de vader is van de minderjarige, geboren op [...] 2004;

- de moeder heeft alleen het ouderlijk gezag over de minderjarige;

- de minderjarige is met ingang van 2 juni 2004 onder toezicht gesteld van het bureau jeugdzorg Breda en sindsdien is de ondertoezichtstelling elk jaar verlengd;

- de minderjarige verblijft reeds sinds 21 februari 2004 in het pleeggezin.

Standpunt van de Raad

De Raad heeft het verzoek om ontheffing van het ouderlijk gezag van de moeder op de navolgende gronden gebaseerd:

- op 2 juni 2004 is de vrijwillige pleeggezinplaatsing van de minderjarige omgezet in een gedwongen plaatsing in het kader van haar ondertoezichtstelling;

- de minderjarige heeft recht op duidelijkheid, continuïteit en ongestoorde hechting in het pleeggezin zoals dat ook is neergelegd in de artikelen 3, 6, tweede lid, en 20 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK);

- de moeder is onmachtig gebleken om haar plicht tot verzorging van de minderjarige op zich tenemen;

- het belang van de minderjarige verzet zich niet tegen ontheffing.

Standpunt van bjz

Bjz onderschrijft het standpunt van de Raad.

Standpunt van de pleegouders

De pleegouders hebben aangegeven dat zij niet met de voogdij willen worden belast, gelet op het feit dat zij in dat geval geen begeleiding en ondersteuning van de Voorziening voor Pleegzorg (VVP) meer krijgen. Deze begeleiding en ondersteuning is echter zeer noodzakelijk bij de zorg voor de minderjarige, Daarnaast hebben de pleegouders verklaard dat het uitdrukkelijk de bedoeling is dat de moeder contact heeft met de minderjarige en haar met regelmaat bezoekt.

BEOORDELING

Op grond van artikel 1:266 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank een ouder van het ouderlijk gezag over een of meer van zijn/haar kinderen ontheffen indien deze ongeschikt of onmachtig is zijn/haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen en het belang van de minderjarige zich daartegen niet verzet.

Het belang van de minderjarige

In het algemeen is het in het belang van kinderen die onder toezicht zijn gesteld en uit huis geplaatst, waarbij thuisplaatsing niet meer mogelijk is, de met onzekerheid gepaard gaande jaarlijkse verlengingen van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing te beëindigen en duidelijkheid te verschaffen over hun opvoedingsperspectief. Deze duidelijkheid wordt verkregen door het gezag weg te nemen bij de ouder(s) en op te dragen aan de pleegouders dan wel aan de voogdij-instelling, zodat de beslissingen in het kader van de verzorging en opvoeding van de kinderen voortaan worden genomen door of in nauw overleg met diegenen, die de dagelijkse verzorging en opvoeding van de kinderen al geruime tijd op zich hebben genomen en dat ook in de toekomst zullen blijven doen.

Ook deze minderjarige is bij de beoogde duidelijkheid gebaat.

Gelet op de inhoud van de overgelegde stukken - met name het rapport van de Raad - en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, is komen vast te staan, dat het toekomstperspectief van de minderjarige niet bij haar moeder ligt, maar bij het pleeggezin.

Ongeschiktheid of onmacht van moeder om haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen

Uit het rapport van de Raad is naar het oordeel van de rechtbank duidelijk geworden, dat de moeder onmachtig is haar plicht tot verzorging en opvoeding van haar kind te vervullen en tevens, dat deze onmacht ook voor de toekomst bestaat. De moeder kent een langdurige verslavingsproblematiek en heeft diverse persoonlijke problemen. Voorts is zij cognitief beperkt en beschikt zij niet over opvoedkundige vaardigheden en inzicht in de behoeften van een kind.

De minderjarige heeft recht op een veilige en stabiele verzorgings- en opvoedingssituatie en haar toekomstperspectief daarin en dat kan de moeder haar niet bieden.

De moeder erkent het bovenstaande en beseft zich dat zij niet in staat zal zijn zelfstandig voor de minderjarige te zorgen.

Uit het rapport van de Raad en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de moeder aanvankelijk niet achter de ontheffing stond, hetgeen mede ingegeven was door de angst dat zij de minderjarige nooit meer zou zien. De moeder heeft aangegeven zich niet (langer) tegen de ontheffing te verzetten, nadat door de pleegmoeder uitdrukkelijk is verklaard dat het contact tussen haar en de minderjarige van zeer groot belang is voor de ontwikkeling van de minderjarige en dat dit contact derhalve behouden moet worden. Op 12 april 2007 heeft de moeder een verklaring ondertekend tot vrijwillige ontheffing van het ouderlijk gezag over de minderjarige.

De rechtbank concludeert op grond van het vorenstaande dat de moeder zich niet heeft verzet tegen de ontheffing van het ouderlijk gezag, ingevolge artikel 1:268, eerste lid, BW, zodat sprake is van vrijwillige ontheffing.

Gelet op het hierboven overwogene is de rechtbank van oordeel, dat de moeder van het gezag over de minderjarige dient te worden ontheven en dat ook overigens aan de wettelijke vereisten voor ontheffing van het gezag is voldaan, en dat het belang van de minderjarige zich daar niet tegen verzet, zodat het verzoek wordt toegewezen zoals hieronder is weergegeven.

Voogdijvoorziening

Omdat de ontheffing van het ouderlijk gezag van de moeder ertoe zal leiden, dat een gezagsvoorziening over de minderjarige zal komen te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid, BW een voogd te benoemen.

Een ieder die tot uitoefening van de voogdij bereid is, kan schriftelijk aan de rechtbank verzoeken met de voogdij te worden belast.

Onder omstandigheden dient de rechtbank bij voorkeur een van degenen, die op het tijdstip van het verzoek het kind ten minste een jaar heeft verzorgd en opgevoed en tot voogdij bereid is, tot voogd te benoemen.

Hoewel de pleegmoeder graag belast zou worden met de voogdij, heeft zij ter zitting verklaard hiervan af te zien, gelet op de informatie van bjz Noord-Brabant dat zij in dat geval geen begeleiding en ondersteuning meer zou kunnen ontvangen bij de zorg voor en de opvoeding van de minderjarige.

Ter zitting is van verschillende zijden te kennen gegeven dat, indien de pleegouders ervoor kiezen dat slechts één van hen met de voogdij belast wordt, pleegvergoeding en pleegzorgbegeleiding ontvangen kan blijven worden. Indien de pleegouders gezamenlijk de voogdij over hun pleegkind verkrijgen, is dit anders, omdat zij dan onderhoudsplichtig worden, ingevolge artikel 1:282 BW.

De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Op grond van artikel 1:336 BW is een pleegouder, die als enige de voogdij heeft gekregen over een pleegkind dat hij, op het moment dat hij tot voogd werd benoemd, op basis van een pleegcontract als bedoeld in artikel 22 van de Wet op de jeugdzorg (Wjz) verzorgde en opvoedde (hierna: pleegouder-voogd), niet onderhoudsplichtig. De pleegouder-voogd komt dan ook, ingevolge artikel 23 Wjz, in aanmerking voor een subsidie voor de opvoeding en de verzorging van de in het gezin geplaatste jeugdige op grond van een pleegcontract. In artikel 3, tweede lid, Regeling Pleegzorg staat vermeld aan welke eisen vorengenoemd pleegcontract dient te voldoen.

Gelet op het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het verblijf bij een pleegouder-voogd derhalve niet anders benaderd wordt dan verblijf bij een pleegouder, terwijl de voogdij berust bij een stichting die bureau jeugdzorg in stand houdt. Immers, er is alleen sprake van een verandering in de persoon van de voogd. Het blijft dus nog steeds gaan om pleegzorg in het kader van de Wet op de jeugdzorg. De rechtbank verwijst hierbij naar de toelichting op artikel 3, tweede lid, Regeling Pleegzorg.

In het licht van het bovenstaande, acht de rechtbank het heel wel mogelijk dat een pleegouder-voogd recht blijft houden op de verschillende voorzieningen, zoals pleegvergoeding en pleegzorgbegeleiding.

Echter, uit eerdergenoemde toelichting blijkt dat bepaalde zaken, zoals in het bijzonder de begeleiding van de pleegouder-voogd door de aanbieder van pleegzorg, niet meer in het pleegcontract hoeven te worden opgenomen doordat de pleegouder-voogd het gezag krijgt. Er blijft slechts een zeer beperkte relatie met de aanbieder van pleegzorg bestaan; de enige verantwoordelijkheid van de aanbieder is het verstrekken van pleegvergoedingen op basis van de Regeling Pleegzorg.

Wanneer de voogdij over het pleegkind overgaat op een pleegouder, die daarmee pleegouder-voogd wordt, stopt de begeleiding door de aanbieder van pleegzorg, omdat daaraan niet meer per definitie behoefte bestaat. Als een pleegouder-voogd problemen heeft met de opvoeding zal hij, net als ouders een beroep kunnen doen op de jeugdzorg. Als sprake is van ernstige opgroei en opvoedingsproblemen kan de pleegouder-voogd aanspraak maken op jeugdzorg ingevolge de wet, waarvoor een indicatiebesluit van bureau jeugdzorg nodig is.

De rechtbank constateert uit het voorgaande dat niet zonder meer vaststaat dat, indien één van de pleegouders met de voogdij wordt belast, zij pleegzorgbegeleiding blijven ontvangen. Desalniettemin blijft daarvoor ruimte bestaan in het geval bij voorbaat duidelijk is dat begeleiding bij de opvoeding noodzakelijk is en in de nabije toekomst blijft, zoals in onderhavig geval.

Gelet op vorengenoemde onduidelijkheid zal de rechtbank thans echter het bureau jeugdzorg Noord-Brabant benoemen als voogdes, nu deze zich daartoe bereid heeft verklaard bij ondertekende verklaring d.d. 19 april 2007. Op deze wijze zal de pleegvergoeding en de pleegzorgbegeleiding voor de pleegouders - in ieder geval - gegarandeerd blijven.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat op ieder gewenst moment de voogdij alsnog overgedragen kan worden.

BESLISSING

ontheft mevrouw A. van het ouderlijk gezag over haar minderjarige kind, geboren op [...] 2004;

benoemt tot voogdes over de minderjarige Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. D.A. Flinterman in tegenwoordigheid van

mr. N. Wolters als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 juni 2007.