Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2007:BA3371

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
19-04-2007
Datum publicatie
19-04-2007
Zaaknummer
18/630423-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak in Martinitorenzaak.

De rechtbank Groningen heeft de vrouw die ervan werd verdacht haar vriend van de Martinitoren te hebben geduwd vandaag vrijgesproken. Het openbaar ministerie heeft veertien dagen geleden al vrijspraak gevorderd.

Hoewel de vrouw in eerste instantie had verklaard dat zij haar vriend van de toren had geduwd, welke verklaring zij overigens later weer heeft ingetrokken, heeft de rechtbank, op advies van de geraadpleegde psychiater, al haar verklaringen in het kader van de bewijsvoering buiten beschouwing gelaten, omdat die verklaringen niet betrouwbaar kunnen worden geacht. Dit heeft te maken met het feit dat de vrouw lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis. Het door TNO uitgevoerde technisch onderzoek houdt de conclusie in dat een sprong door het slachtoffer veel waarschijnlijker moet worden geacht dan een duw ( door de vrouw ).

Op grond van het ontbreken van bewijs is de rechtbank tot een vrijspraak gekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 630423-05

datum uitspraak: 19 april 2007

op tegenspraak

raadsvrouw: mr. Van der Zee

V O N N I S

van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

[geboorteplaats] op [ geboortedatum],

wonende [adres] [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van de onderzoeken op de terechtzittingen van 22 december 2005, 16 maart 2006, 13 juni 2006 en 5 april 2007.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd: dat

zij op of omstreeks 06 april 2004 in de gemeente Groningen opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] van de Martinitoren (af)geduwd, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde en dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Vrijspraak

Op 6 april 2004 is het ontzielde lichaam van een persoon, die later als [slachtoffer] is geïdentificeerd, aan de voet van de Martinitoren aangetroffen. Gebleken is dat hij zich kort daarvoor met verdachte op de tweede trans van de toren heeft bevonden.

Het onderzoek naar het overlijden van [slachtoffer] in 2004 is beperkt gebleven omdat werd uitgegaan van een ongeval of een suïcide.

In september 2005 heeft [aangever] aangifte gedaan van moord danwel doodslag op [slachtoffer] door verdachte. Verdachte had hem meegedeeld dat zij op 6 april 2004 haar toenmalige vriend [slachtoffer] van de Martinitoren had geduwd. Dit heeft verdachte eveneens verklaard aan de door de politie gehoorde getuigen [getuige 1] en [getuige 2].

Verdachte is vervolgens aangehouden en voorgeleid aan de rechter-commissaris. Verdachte heeft zowel bij de politie, de rechter-commissaris als ook bij de psychiater Takkenkamp, die haar in het kader van de voorgeleiding heeft onderzocht, verklaard dat zij op 6 april 2004 [slachtoffer] van de toren heeft geduwd.

Op 6 oktober 2005, tijdens de politieverhoren, heeft verdachte deze verklaring echter ingetrokken en verklaard dat zij [slachtoffer] niet heeft geduwd; de dood van [slachtoffer] is niet door haar veroorzaakt. Verdachte is vanaf 6 oktober 2005 hierbij gebleven.

Verdachtes bekennende verklaring dat zij [slachtoffer] heeft geduwd is cruciaal voor een bewezenverklaring van het tenlastegelegde. Beoordeeld dient te worden of deze verklaring betrouwbaar kan worden geacht, in die zin dat verdachte bij het afleggen daarvan de waarheid heeft gesproken.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt en heeft daarbij in het bijzonder de verklaringen van de onderstaande getuige-deskundigen betrokken.

Verdachte is door een aantal gedragdeskundigen onderzocht. Gedurende een periode van zes weken is zij geobserveerd in de opnameafdeling van de FPK van de GGZ te Eindhoven, waarover door psychiater dr. P.J.A. van Panhuis en de psycholoog drs. L. van Rens is gerapporteerd. Op verzoek van verdachte heeft de rechter-commissaris daarnaast als getuigendeskundigen psychiater prof. G. Glas en psychiater in opleiding drs. A.W Janssen ingeschakeld.

Psychologe drs. J. van der Sleen, heeft in opdracht van de rechter-commissaris gerapporteerd over welke ondersteuning kan worden gevonden voor het scenario dat verdachte een valse bekentenis heeft afgelegd toen zij bekende dat zij [slachtoffer] van de Martinitoren heeft geduwd en welke ondersteuning kan worden gevonden voor het scenario dat verdachte een waarheidsgetrouwe verklaring heeft afgelegd toen zij bekende dat zij [slachtoffer] van de Martinitoren heeft afgeduwd.

Door de getuige-deskundige Van Panhuis, bovengenoemd, is op 9 januari 2006 een rapportage opgesteld. Hieruit komt onder meer naar voren (zakelijk weergegeven) dat verdachte lijdt aan een obsessief compulsieve stoornis (in remissie), een stemmingsstoornis monopolair, depressief is (niet in remissie en niet behandeld) en lijdend is aan een zeer ernstige persoonlijkheidsstoornis. Tijdens het onderzoek dat door Van Panhuis bij verdachte is verricht, heeft verdachte consistent en consequent de positie ingenomen van ontkennende verdachte. Dit heeft verdachte gedaan naar alle leden van het onderzoeksteam toe, zonder daarbij ooit een andere of niet passende opmerking of uitspraak te doen.

Vervolgens geeft Van Panhuis in zijn rapport aan dat bij ontkennende verdachten vaak wordt gevraagd of de ontkenning voort kan komen uit een stoornis. Die vraag leidt bij verdachte tot de overweging dat het feit dat zij op een bepaald tijdstip is gaan bekennen, ook niet los gezien kan worden van de massieve psychopathologie. Bij verdachte heeft er een volledig ontwikkeld obsessief compulsief beeld bestaan en daarbij speelde het gevoel van schuld en het gevoel van controle en ongedaan moeten maken van schuld een centrale rol. Mensen die een dergelijke stoornis ontwikkelen hebben altijd een geweten dat neigt tot onverantwoordelijk en scrupuleus in het leven staan. Alles wat misgaat, ligt aan hen. Dat daar soms afgeweerde maar zeer sterke angsten achterzitten, mag niet onvermeld blijven. Verdachte is voorts streng gereformeerd opgevoed. Bij deze geloofsgroepen staat een sterk benadrukken van het geweten en het belijden van schuld en moeten doen van boete, centraal en bepaalt mede de wijze waarop aanhangers van een dergelijk geloof in het leven staan. Zonder een direct causaal verband te willen noch kunnen leggen tussen verdachtes bekennen en de psychopathologie, wil het bovenstaande, aldus getuige deskundige Van Panhuis, illustreren dat psychopathologie niet alleen een rol kan spelen bij het ontkennen van delicten, maar ook bij het bekennen van delicten.

Ten aanzien van de stoornis als door Van Panhuis omschreven, komen de conclusies van de andere deskundigen in belangrijke mate overeen.

Door getuige-deskundige Van der Sleen, bovengenoemd, is op 19 februari 2006 gerapporteerd. Uit haar rapportage komt onder meer naar voren, zakelijk weergegeven, dat het grote probleem bij verdachte is dat verdachte, passend bij haar persoonlijkheidsstoornis, kennelijk veel onwaarheden vertelt, wat er toe leidt dat haar verklaringen en de motivaties die zij aandraagt voor die verklaringen, niet als valide kunnen worden beschouwd. Ter terechtzitting heeft getuige-deskundige Van der Sleen haar rapport nader toegelicht en verklaard - zakelijk weergeven - dat noch verdachtes bekennende noch haar ontkennende verklaring betrouwbaar is. Naar het oordeel van getuige-deskundige Van der Sleen dienen verdachte haar verklaringen in het kader van de bewijsvoering buiten beschouwing te blijven.

In opdracht van de rechter-commissaris heeft dr.ir. C.P.W. Geurts, bouwkundige en werkzaam bij TNO, een technisch onderzoek uitgevoerd waarbij is onderzocht op welke wijze [slachtoffer] is gevallen en in hoeverre er kan worden vastgesteld of een duw, een zelfdoding danwel een ongeval aannemelijk is. Zijn conclusies komen er in het kort op neer dat een val van [slachtoffer] van de Martinitoren uitgesloten moet worden geacht en dat een sprong door het slachtoffer veel waarschijnlijker moet worden geacht dan een duw. Ter terechtzitting heeft de getuige-deskundige Geurts zijn bevindingen nader toegelicht en vragen beantwoord en is gebleven bij zijn eerder vermelde conclusies. Deze conclusie zouden evenmin wijzigen als wordt uitgegaan van de door de officier van justitie ter terechtzitting naar voren gebrachte alternatieve uitgangspunten.

In het kader van het onderzoek zijn tal van getuigen gehoord. Geen van deze getuigen is echter op 6 april 2004 aanwezig geweest op de tweede trans van de Martinitoren en geen van de getuigen heeft op andere wijze uit eigen waarneming kunnen verklaren over dat wat er tussen [slachtoffer] en verdachte is gebeurd direct voorafgaand aan het aantreffen van het lichaam van [slachtoffer] aan de voet van de Martinitoren.

[aangever], [getuige 1] en [getuige 2] verklaren dat verdachte [slachtoffer] heeft geduwd, maar dit is enkel gebaseerd op uitlatingen die verdachte zelf tegenover hen heeft gedaan. Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat zij voordat [slachtoffer] op de grond terecht kwam iemand 'Rotwijf' heeft horen roepen. Uit andere verklaringen komt naar voren dat [slachtoffer] kort voor zijn dood telefonisch contact heeft gehad, waarbij hij op zijn gespreksgenoten een positieve indruk heeft achtergelaten. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat [slachtoffer] haar op de tweede trans van de Martinitoren heeft gevraagd zich met hem te verloven, waarop zij met 'ja' heeft geantwoord. In deze feiten kan mogelijk een bevestiging worden gevonden dat [slachtoffer] vertrouwen in de toekomst had en op dat moment niet suïcidaal zou zijn geweest, maar naar het oordeel van de rechtbank heeft een en ander geen bewijskracht met betrekking tot het duwen door verdachte zoals is tenlastegelegd.

De rechtbank is van oordeel, gelet op de verklaringen van de getuige-deskundigen, dat de bekennende verklaringen van verdachte niet betrouwbaar zijn. Om die reden kunnen deze niet dienen tot bewijs van het ten laste gelegde. Ten aanzien van verdachtes dagboekaantekeningen, voorzover daarin al een bevestiging voor verdachtes bekennende verklaring kan worden gevonden, geldt evenzeer dat deze als niet betrouwbaar terzijde gelaten moeten worden. Nu voldoende ander (wettig) bewijs ontbreekt, zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het ten laste gelegde.

Vordering van de benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd [benadeelde partij], wonende te [woonplaats], [adres].

De benadeelde partij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust.

Verdachte wordt vrijgesproken van het tenlastegelegde.

De rechtbank zal daarom bepalen dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk is. Dit houdt in dat de vordering niet in dit strafgeding wordt afgedaan, maar slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij], wonende [woonplaats], [adres], in de vordering niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de veroordeelde ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. Van Eerde, voorzitter, Smeets en Brink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. De Jong, als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 19 april 2007.