Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2007:BA3154

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
17-04-2007
Datum publicatie
18-04-2007
Zaaknummer
AWB 07/225
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Intrekking exploitatievergunningen ten behoeve van prostitutie-inrichtingen. Verweerder heeft in onvoldoende mate onderzocht of de feiten zoals opgenomen in het BIBOB-advies de door bureau-BIBOB getrokken conclusies kunnen dragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer.: AWB 07/225 BESLU

van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

gemachtigde: mr. W.R. van der Velde

ten aanzien van het besluit van 21 februari 2007, kenmerk: BD 07.1375767, van

de burgemeester van Groningen, verweerder,

gemachtigden: mr. J.D. Leerink en mr. R. Snel.

1. PROCESVERLOOP

Bij het hiervoor genoemde besluit van 21 februari 2007 heeft verweerder op grond van artikel 3, eerste lid, sub b, juncto artikel 7, eerste lid van de Wet bevordering integriteits-beoordelingen door het openbaar bestuur (hierna te noemen: wet BIBOB) besloten de aan verzoeker verleende exploitatievergunningen ten behoeve van de prostitutie-inrichtingen, gevestigd in de panden [adres] [nummer], [nummer], [nummer], [nummer] en [nummer] te [woonplaats], in te trekken.

Tegen dit besluit (hierna te noemen: het bestreden besluit) heeft verzoeker op grond van artikel 7:1, eerste lid, Awb, bij brief van 26 februari 2007 een bezwaarschrift ingediend bij verweerder.

Bij verzoekschrift van gelijke datum heeft verzoeker de voorzieningenrechter gevraagd met betrekking tot het bestreden besluit een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft op 6 maart 2007 de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

In zijn verweerschrift van 6 maart 2007 heeft verweerder onder meer het uitgebrachte BIBOB-advies in het geding gebracht en heeft hij medegedeeld dat uitsluitend de rechter kennis zal mogen nemen van deze stukken. Bij beslissing van 21 maart 2007 heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist dat deze beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. Verzoeker heeft vervolgens bij emailbericht van 22 maart 2007 aan de voorzieningenrechter toestemming verleend om mede op grondslag van bedoelde stukken uitspraak te doen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de voorzieningenrechter op 28 maart 2007. Verzoeker is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, S.Z. Scheepstra en [naam].

Verweerder heeft zich ter zitting door zijn gemachtigden laten vertegenwoordigen, vergezeld van mr. H.J. Blaauw en mr. G.J. Bouma.

Bij brief van 29 maart 2007 heeft verweerder gevraagd om heropening van het onderzoek, welk verzoek de voorzieningenrechter heeft ingewilligd. Op 5 april 2007 heeft een tweede behandeling ter zitting plaatsgevonden.

Verzoeker is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, S.Z. Scheepstra en [naam].

Verweerder heeft zich ter zitting door zijn gemachtigde mr. J.D. Leerink en mr. H.J. Blaauw laten vertegenwoordigen.

Op 4 april 2007 heeft verweerder een aantal stukken ingezonden met de mededeling dat op grond van artikel 8:29 Awb alleen de voorzieningenrechter van die stukken kennis zal mogen nemen.

Afschriften van de gedingstukken -afgezien van vorenbedoelde stukken en het BIBOB-rapport- zijn, voor zover niet door hun ingediend, aan partijen toegezonden. Ter zitting heeft de voorzieningenrechter verzoeker inzage gegeven in de door verweerder bij brief van 4 april 2007 overgelegde stukken.

Gelet op het in artikel 28, eerste lid, wet BIBOB bepaalde heeft de voorzieningenrechter besloten de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening achter gesloten deuren plaats te laten vinden.

2. RECHTSOVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb, kan, voorzover hier van belang, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Op grond van artikel 7 wet BIBOB kan een gemeentelijke vergunning die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor een inrichting of bedrijf, door verweerder, voorzover het een krachtens het tweede lid aangewezen inrichting of bedrijf betreft, worden ingetrokken, in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3.

Artikel 3 wet BIBOB luidt als volgt:

"1. Voorzover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, kunnen zij weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:

a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of

b. strafbare feiten te plegen.

2. Voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.

3. Voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.

4. De betrokkene staat in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien:

a. hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan,

b. hij direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een rechtspersoon in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht die deze strafbare feiten heeft begaan, of

c. een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat.

5. De weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, vindt slechts plaats indien deze evenredig is met:

a. de mate van het gevaar en

b. voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.

6. Eenzelfde bevoegdheid tot weigering dan wel intrekking als bedoeld in het eerste lid hebben bestuursorganen, indien feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging van de aangevraagde dan wel gegeven beschikking een strafbaar feit is gepleegd. De weigering dan wel intrekking vindt slechts plaats, indien deze tenminste evenredig is met, ingeval van vermoedens, de ernst daarvan en met de ernst van het strafbare feit.

7. Voorzover blijkt dat geen sprake is van ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, kan het bestuursorgaan bij mindere mate van gevaar aan de beschikking voorschriften verbinden. Deze voorschriften zijn gericht op het wegnemen of beperken van dergelijk gevaar."

Verweerder is tot het thans bestreden besluit gekomen op grond van de overweging dat er een ernstige mate van gevaar bestaat dat de aan verzoeker verleende vergunningen mede gebruikt worden voor het plegen van strafbare feiten.

Het geschil spitst zich erop toe of verweerder daartoe in redelijkheid heeft kunnen besluiten.

Verweerder heeft zich gebaseerd op het ter zake door het bureau-BIBOB uitgebrachte advies. De wetgever heeft het BIBOB-instrumentarium in het leven geroepen om gemeenten ondersteuning te geven bij het beslissen op vergunningaanvragen en het beoordelen of vergunningen al dan niet ingetrokken dienen te worden op voor criminele invloeden kwetsbare maatschappelijke terreinen, waartoe de prostitutiebranche volgens de toelichting bij de wet behoort. Inherent aan het gebruik van dit (adviserings)instrument in het bestuursrecht is dat het bestuursorgaan een eigen beoordeling maakt van de wenselijkheid om de betrokken vergunning te verlenen, te weigeren of in te trekken, op basis van de door het bureau-BIBOB gemaakte gevaarsanalyse en de door het bestuursorgaan te maken belangenafweging. Het bestuursorgaan moet daarbij beoordelen of het onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en of het advies inhoudelijk concludent is, dat wil zeggen dat de feiten de conclusies kunnen dragen. Het bestuursorgaan kan evenwel de feitelijke juistheid van de verkregen informatie slechts zeer beperkt toetsen. De bestuursrechter toetst, naast de vraag of de advisering door het bureau-BIBOB voldoet aan de wettelijke eisen, of het bestuursorgaan zich in redelijkheid op dit advies heeft kunnen baseren. De uiteindelijke belangenafweging door het bestuursorgaan bij de vraag of het advies moet leiden tot besluiten zoals in dit geding bestreden, kan de bestuursrechter slechts marginaal beoordelen.

Op grond van artikel 28, eerste lid, wet BIBOB is eenieder die krachtens deze wet de beschikking krijgt over gegevens met betrekking tot een derde verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voorzover een bij deze wet gegeven voorschrift mededelingen toelaat.

Op grond van het derde lid van voornoemd artikel 28 dient de betrokkene die gebruik wenst te maken van de mogelijkheid zijn zienswijze kenbaar te maken door het bestuursorgaan de gelegenheid te worden geboden het advies in te zien.

Verzoeker heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt.

Verweerder heeft zich bij het nemen van het bestreden besluit, zoals reeds aangegeven, gebaseerd op het door het bureau-BIBOB ter zake uitgebrachte advies.

Bij brief van 31 januari 2007 heeft het bureau-BIBOB geantwoord op door verweerder bij brief van 22 januari 2007 gestelde vragen.

Verzoeker heeft verweerder bij brief van 16 februari 2007 verzocht te mogen reageren op het nadere advies van het bureau-BIBOB.

Verweerder heeft verzoeker die gelegenheid niet geboden en heeft vervolgens het bestreden besluit genomen.

Verzoeker heeft gesteld dat verweerder hem ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken naar aanleiding van het door het bureau-BIBOB nader uitgebrachte advies. Verweerder heeft daartegen ingebracht dat zodanige verplichting niet op hem rust; hij dient verzoeker in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze kenbaar te maken ter zake van het voornemen een voor hem ongunstig besluit te nemen, van een verplichting zich uit te laten over het nadere advies is echter geen sprake.

De voorzieningenrechter kan slechts ten dele meegaan in deze visie van verweerder. Op grond van artikel 33, eerste lid, wet BIBOB stelt het bestuursorgaan, voordat het een voor de betrokkene negatieve beslissing neemt op grond van het bestaan van ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, dan wel op grond van feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 3, zesde lid, de betrokkene in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen. In dit geval is dat ook gebeurd en verzoeker heeft zijn zienswijze kenbaar gemaakt. Echter, nadat verzoeker zijn zienswijzen kenbaar had gemaakt heeft verweerder het bureau-BIBOB een aantal vragen voorgelegd waarop het bureau-BIBOB heeft gereageerd. Hoewel de wet niet bepaalt dat een zienswijze ter zake van dat antwoord moet kunnen worden gegeven, brengt een redelijke wetsuitleg met zich mee dat dat wel gebeurt. Het is immers mede de nadere brief waarop verweerder het bestreden besluit heeft gebaseerd.

Het had naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval in de rede gelegen dat verweerder verzoeker in de gelegenheid had gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken, mede gelet op de vele vraagtekens die verzoeker heeft gezet bij een aantal in het BIBOB-rapport aangevoerde zaken.

Verzoeker heeft in het zienswijzengesprek op 17 januari 2007 hetgeen waarvan in het BIBOB-advies melding wordt gemaakt gemotiveerd betwist.

Zo heeft verzoeker (onder meer) bestreden:

a. dat hij een villa aan de Joegoslavische riviera bezit;

b. dat hij een zekere [naam2] zou kennen;

c. dat hij Joegoslavische broers laat overkomen voor 'grotere klussen';

d. dat hij meisjes onder invloed van alcohol en drugs brengt, ze misbruikt en dwingt tot prostitutie;

e. dat enkele prostituees verklaringen over hem hebben afgelegd;

f. dat hetgeen de 'Drentse' informant (over wiens betrouwbaarheid de verbalisant geen oordeel heeft gegeven) heeft verklaard op waarheid berust;

g. dat hij in verband kan worden gebracht met vrouwenhandel;

h. dat hij eigenaar of gebruiker is van een boven een belwinkel gelegen appartement in [woonplaats];

i. dat hij betrokken is geweest bij een wapendiefstal en/of wapens bezit en/of verhandelt;

j. dat hij belastingfraude pleegt of de belasting ontduikt.

Onder verwijzing naar de door verzoeker ingediende zienswijzen heeft verweerder het bureau-BIBOB bij brief van 22 januari 2007 negen uitvoerige nadere vragen gesteld.

Het bureau-BIBOB heeft hierop gereageerd bij brief van 31 januari 2007.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker het in het rapport-BIBOB gestelde uitvoerig en gemotiveerd heeft bestreden en dat verweerder naar aanleiding van dat rapport het bureau-BIBOB een aantal kritische vragen heeft gesteld. Het bureau-BIBOB heeft daarop weliswaar bij brief van 31 januari 2007 gereageerd, doch de gestelde vragen zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter inhoudelijk in wezen niet beantwoord. En, belangrijker dan dat, de door verzoeker gezaaide fundamentele twijfel omtrent de juistheid van het in het rapport-BIBOB gestelde is geenszins weggenomen. Hoewel in beginsel uitgegaan dient te worden van de juistheid van het rapport ligt het naar het oordeel van de voorzieningenrechter op de weg van verweerder om, indien twijfel bestaat betreffende de (inhoud van de) broninformatie, bureau-BIBOB om een nader advies te vragen. Verweerder heeft in het onderhavige geval aanleiding gezien om een nader advies te vragen, maar heeft genoegen genomen met de uiterst summiere beantwoording van bureau-BIBOB. Daarmee heeft verweerder het bestreden besluit alsnog gebaseerd op het -gelet op de gestelde kritische vragen- in eerste instantie door verweerder als onvoldoende gekwalificeerd advies.

Verweerder heeft vervolgens gesteld dat verzoeker slechts ontkent hetgeen hem verweten wordt. De voorzieningenrechter is dienaangaand van oordeel dat verzoeker in zijn verhaal consistent is en concreet aangeeft waar hij het niet mee eens is c.q. hij geeft gemotiveerd aan waarom hetgeen hem verweten wordt naar zijn mening niet klopt. Onder deze omstandigheden heeft verweerder zich er naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende van vergewist dat het onderzoek naar de van belang zijnde feiten op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Geconcludeerd dient dan ook te worden dat verweerder in onvoldoende mate heeft onderzocht of de feiten zoals opgenomen in het advies de door bureau-BIBOB getrokken conclusies kunnen dragen.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder bij de voorbereiding van het bestreden besluit niet de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaart waardoor het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 Awb dient te worden geacht. Voorts komt de voorzieningenrechter op grond van het in deze uitspraak overwogene tot het oordeel dat verweerder zich er in onvoldoende mate van heeft vergewist dat het door het bureau-BIBOB verrichte onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaats-gevonden, waardoor sprake is van strijdigheid met artikel 3:9 Awb.

Het vorenstaande leidt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het bestreden besluit naar het zich thans laat aanzien in rechte geen stand zal kunnen houden. Het bestreden besluit komt derhalve voor schorsing in aanmerking. Aangezien niet uitgesloten geacht dient te worden dat verweerder de aan het bestreden besluit klevende gebreken bij de beslissing op bezwaar zal kunnen herstellen acht de voorzieningenrechter termen aanwezig het bestreden besluit te schorsen tot en met zes weken na de datum van de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

Aangezien het verzoek om voorlopige voorziening wordt ingewilligd bepaalt de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:82, vierde lid, Awb dat het voor het verzoek om voorlopige voorziening betaalde griffierecht door de gemeente Groningen aan verzoeker wordt vergoed. De voorzieningenrechter acht voorts termen aanwezig verweerder op de voet van artikel 8:84, vierde lid, Awb, in samenhang met artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de kosten die verzoeker redelijkerwijs heeft moeten maken, en wijst de gemeente Groningen aan als de rechtspersoon die deze kosten moet betalen.

Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt de voorzieningenrechter deze kosten op EUR 1207,50, zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende bijlage.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

-schorst het bestreden besluit van verweerder van 21 februari 2007, kenmerk: BD 07.1375767, tot en met zes weken na de datum van de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

-bepaalt dat de gemeente Groningen verzoeker het betaalde griffierecht van

EUR 143,-- vergoedt;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker, die zijn vastgesteld op

EUR 1207,50, en bepaalt dat de gemeente Groningen deze kosten dient te

betalen.

Aldus gegeven door mr. H.C.P. Venema, voorzieningenrechter en in het openbaar door hem uitgesproken op 17 april 2007, in tegenwoordigheid van mr. E. Nolles als griffier.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Verzonden op:

typ: HtH.