Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2007:BA2991

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
16-04-2007
Datum publicatie
16-04-2007
Zaaknummer
18/994741-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak nu geen sprake is van het jagen in de bebouwde kom en/of de onmiddellijk aan die kom grenzende terreinen (artikel 53 lid 1 aanhef en onder m van de Flora- en faunawet). De economische politierechter beslist dat geen sprake is van een bebouwde kom danwel een onmiddellijk aan die kom grenzend terrein en dat het begrip “bebouwde kom” in artikel 53 Flora- en faunawet een zelfstandige betekenis heeft, die wordt bepaald aan de hand van de ratio van de bepaling en de feitelijke omstandigheden.

Wetsverwijzingen
Flora- en faunawet
Flora- en faunawet 53
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2007/108 met annotatie van Boerema
NJFS 2007, 147

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

Parketnummer: 18/994741-06

Datum uitspraak: 16 april 2007

op tegenspraak

Raadsman: mr. P.C.H. van Schooten

Vonnis van de economische politierechter in de rechtbank te Groningen, in de zaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 april 2007.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd: dat

hij

in de gemeente Groningen,

op of omstreeks 16 december 2005 en/of

op of omstreeks 28 november 2005,

in ieder geval op enig tijdstip in het najaar van 2005,

(telkens) al dan niet opzettelijk,

(telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

heeft gejaagd met het geweer in de/een bebouwde kom van de gemeente Groningen,

en/of in de/het onmiddellijk aan die kom grenzende terrein(en),

namelijk in het recreatiegebied Kardinge, gelegen tussen de woonwijken Beijum

en Drielanden, de Dwarsdijk en de Noorddijkerweg en/of het/een (ongeveer) ten

oosten van die Noorddijkerweg (ten noorden van Noorddijk) gelegen terrein;

De in deze telastelegging termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan

in de Flora- en faunawet betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te

zijn gebezigd;

art 53 lid 1 ahf/ond m Flora- en faunawet

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een geldboete van € 500,- subsidiair 10 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Beoordeling

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij – kort gezegd – op 16 december 2005 en/of op

28 november 2005 in de bebouwde kom van de gemeente Groningen en/of de onmiddellijk aan die kom grenzende terreinen heeft gejaagd.

Verdachte jaagt reeds 40 jaar op het in de tenlastelegging genoemde terrein (hierna: het terrein). Het terrein is sinds enkele jaren eigendom van Bouwfonds Ontwikkeling BV. Bouwfonds heeft, overeenkomstig artikel 34 van de Flora- en faunawet, het recht tot het genot van de jacht sinds 1 maart 2003 aan verdachte verhuurd. Het terrein heeft een omvang van ongeveer 67 hectare.

Ten tijde van het ten laste gelegde was verdachte in het bezit van een jachtakte, die hem was verstrekt door de korpschef van de regiopolitie Drenthe. Bij de aanvraag van deze jachtakte heeft verdachte een kaart overgelegd van het jachtveld waarin hij gerechtigd is te jagen (het terrein) en heeft hij melding gemaakt van de in 2004 ontstane discussie met de regiopolitie Groningen over de toepasselijkheid van artikel 53 lid 1 aanhef en onder m van de Flora- en faunawet.

Uit het dossier volgt dat twee getuigen op 28 november 2005 respectievelijk 16 december 2005 jagers hebben gezien op het terrein. Ter terechtzitting heeft verdachte erkend op die data op het terrein ten westen van de Noorddijkerweg met een geweer te hebben gejaagd met (een) ander(en).

De economische politierechter ziet zich thans voor de vraag gesteld of het terrein waarop verdachte heeft gejaagd binnen de bebouwde kom ligt, dan wel een onmiddellijk aan die bebouwde kom grenzend terrein is.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat nu de bebouwing in de afgelopen jaren om het jachtveld heen is gegroeid, het jachtveld is omgeven door fiets- en wandelpaden en er een recreatiegebied alsmede een recreatiecentrum (Kardinge) in de buurt ligt, er sprake is van bebouwde kom. Het is niet langer veilig om op het terrein te jagen. Hij heeft aangevoerd dat de vergelijking met het begrip bebouwde kom in de Wegenverkeerswet 1994 opgaat waar het gaat om veiligheidsrisico’s die ontstaan op plaatsen waar meer mensen samenkomen.

De raadsman heeft ter zitting aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken omdat er geen sprake is van bebouwde kom dan wel van onmiddellijk aan de bebouwde kom grenzende terreinen. Het jachtveld wordt fysiek gescheiden van de bebouwde kommen van de wijken Beijum en Drielanden door een weg en een waterloop met brede bermen en de totale afstand tussen jachtveld en bebouwing bedraagt ruim 150 meter. Bovendien heeft de korpschef Drenthe door de toekenning van de jachtakte reeds geoordeeld dat sprake is van een bejaagbaar jachtveld.

Verdachte heeft hier ter terechtzitting nog aan toegevoegd dat hij de politie conform afspraak altijd op de hoogte stelt als hij op zijn jachtveld gaat jagen en hij bovendien de veiligheid van anderen in acht neemt; hij schiet niet binnen 100 meter van de bebouwing en ook niet in de richting van de fietspaden.

De economische politierechter overweegt als volgt.

In de bepalingen van de Flora- en Faunawet die betrekking hebben op de jacht is geen definitie opgenomen van het begrip “bebouwde kom”. Ook de voorloper van deze bepalingen, de Jachtwet, bevat niet een dergelijke definitie. Nu in de Flora- en faunawet geen verwijzing is opgenomen naar andere wetgeving waarin het begrip “bebouwde kom” opgenomen is, komt aan dit begrip in artikel 53 lid 1 aanhef en onder m Flora- en faunawet een eigen, zelfstandige betekenis toe. Deze dient te worden bepaald aan de hand van de ratio van de bepaling en de feitelijke omstandigheden.

De ratio van artikel 53 lid 1 aanhef en onder m van de Flora- en faunawet is, hetgeen ook niet ter discussie staat tussen de officier van justitie en de raadsman, de veiligheid van bewoners en bezoekers van bebouwde kommen, welke sterk bedreigd zou kunnen worden door het beoefenen van de jacht met geweren. Het feit dat een bepaald terrein is gelegen binnen de in de Wegenverkeerswet 1994 en het algemene spraakgebruik geldende term “bebouwde kom” (hetgeen in het algemeen valt af te leiden uit de lokatie van een plaatsnaambord) biedt gelet hierop wel een aanknopingspunt – in het algemeen is binnen de bebouwde kom sprake van een grotere bevolkingsdichtheid – maar gekeken moet worden naar de concrete situatie. Wanneer hieronder gesproken wordt over bebouwde kom, wordt gedoeld op het begrip in de Flora- en faunawet.

In de tenlastelegging staan twee terreinen genoemd. Ten aanzien van het terrein ten oosten van de Noorddijkerweg geldt dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte daar op de in de tenlastelegging genoemde data heeft gejaagd, zodat verdachte daarvan, hoe dan ook, moet worden vrijgesproken.

Het andere in de tenlastelegging genoemde terrein betreft het gebied gelegen tussen de woonwijken Beijum en Drielanden, de Dwarsdijk en de Noorddijkerweg. Naar het oordeel van de economische politierechter ligt dit gebied niet in de bebouwde kom. Het betreft immers een (deels) omheind stuk land (grasland), waarin (behalve een zorgboerderij) geen woningen staan en er bovendien geen doorgaande wegen c.q. fiets- of wandelpaden zijn.

Voor de beantwoording van de vraag of het terrein onmiddellijk grenst aan de bebouwde kom is het volgende van belang. Het terrein waarop verdachte gerechtigd is te jagen grenst aan de zuidzijde aan de woonwijk Drielanden en aan de westzijde (deels) aan de woonwijk Beijum. Aan de noordzijde bevindt zich een recreatiegebied. De woonwijken dienen te worden aangemerkt als bebouwde kom; gelet op het aantal mensen dat daar samenkomt is de veiligheid in het geding als daar gejaagd mag worden. Tussen het jachtveld van verdachte en de bebouwde kommen bevinden zich een weg c.q. fietspad en een waterloop met (brede) bermen c.q. groenstroken. Een groot deel van het terrein grenst niet (laat staan onmiddellijk) aan een bebouwde kom. Gelet hierop en mede gezien de grootte van het terrein kan naar het oordeel van de economische politierechter niet worden volgehouden dat dit terrein onmiddellijk aan de bebouwde kom(men) grenst.

Het feit dat het terrein wordt omringd door fiets- en wandelpaden, dat aan de noordkant van het terrein een recreatiegebied is gelegen en dat er een recreatiecentrum in de buurt is maakt voornoemd oordeel niet anders, nu de wetgever hieraan geen consequenties heeft verbonden voor de ligging van het jachtveld.

Nu niet wettig en overtuigend bewezen is dat het terrein waarop verdachte heeft gejaagd is gelegen in de bebouwde kom van de gemeente Groningen dan wel onmiddellijk grenst aan de bebouwde kom zal verdachte worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde. Gelet hierop behoeft hetgeen overigens door of namens verdachte is aangevoerd geen bespreking meer.

BESLISSING

De economische politierechter:

- verklaart het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F. Gerding, economische politierechter, in tegenwoordigheid van M. Smit-Colnot als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 16 april 2007.