Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2007:BA1449

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
13-03-2007
Datum publicatie
25-06-2007
Zaaknummer
90416/FA RK 06-2037
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vader die van het gezag is ontzet naar aanleiding van het doden van zijn vrouw en schoonmoeder en het ernstig verwonden van zijn schoonvader, verzoekt om informatie in de zin van

artikel 1:377c lid 2 BW van BJZ omtrent het wel en wee van de uit zijn huwelijk geboren minderjarige, waaronder het toesturen van foto’s van het kind. BJZ is bereid de man twee keer per jaar schriftelijk te informeren, maar niet om hem foto’s te sturen.

Het verzoek van de man tot het verstrekken van foto’s van het kind wordt afgewezen gelet op de emotionele gevolgen bij de grootvader m.z., de weerslag daarvan op het kind, alsmede de hinder die de pleegouders hiervan zullen ondervinden, maar ook gelet op de onzekerheid over de wijze waarop het kind in de toekomst zal reageren op de wetenschap dat de man niet alleen zijn moeder en grootmoeder uit zijn leven heeft doen verdwijnen maar tevens heeft geprobeerd het kind te verdrinken. Bovendien is onduidelijk waarom de man nu de beschikking over een foto van het kind wenst te hebben.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

zaaknr.: 90416/FA RK 06-2037

beschikking d.d. 13 maart 2007

in de zaak van:

de man,

procureur mr. M. Schuring,

advocaat mr. S. El Hami te Roden,

en

BJZ,

gemachtigde mevrouw B.S. Mulder.

PROCESVERLOOP

De man heeft op 23 november 2006 een verzoekschrift ingediend ertoe strekkende, dat BJZ bij beschikking - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - wordt opgedragen om onder bijvoeging van een foto, de man twee keer per jaar te informeren omtrent het wel en wee van [de minderjarige] A.

Op 21 februari 2007 is ter griffie een brief d.d. 20 februari 2007 van mr. El Hami ontvangen.

De rechtbank heeft de zaak behandeld ter zitting met gesloten deuren van 1 maart 2007. Daarbij zijn mr. El Hami en mevrouw B.S. Mulder namens BJZ verschenen en gehoord.

BJZ heeft mondeling verweer gevoerd.

Ter griffie is op 5 maart 2007 een brief d.d. 2 maart 2007 van de man ontvangen.

RECHTSOVERWEGINGEN

vaststaande feiten:

De man is gehuwd geweest. Uit dat huwelijk is op 31 oktober 2003 [de minderjarige] A. geboren.

De man heeft op 3 april 2004 de moeder en grootmoeder m.z. van A. gedood en de grootvader m.z. ernstig verwond.

De man is hiervoor veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaar, met terbeschikkingstelling van de regering. Bij beschikking van 1 juli 2004 heeft de meervoudige familiekamer van deze rechtbank de man van het ouderlijk gezag van de minderjarige A. ontzet. Bij beschikking van het gerechtshof Leeuwarden van 29 juli 2005 is deze beschikking bekrachtigd.

beoordeling:

BJZ heeft ter zitting toegezegd te zullen bewerkstelligen, dat voortaan aan de man twee maal per jaar schriftelijke informatie omtrent het wel en wee van de minderjarige A. wordt verstrekt.

Het verzoek van de man dienaangaande wordt daarom toegewezen.

De man wil ook graag één keer per jaar een foto van A. ontvangen.

Hij heeft daartoe onder meer aangevoerd er grote behoefte aan te hebben om een gezicht bij zijn kind te zien.

BJZ heeft zich tegen dit verzoek verzet en daartoe het volgende aangevoerd:

Het gaat momenteel niet zo goed met A.Het kind lijkt een posttraumatische stressstoornis te hebben, de taalontwikkeling stagneert, het contact met de andere kinderen op de peuterspeelzaal verloopt moeizaam en ook de motorische ontwikkeling is niet optimaal. De pleegouders en vooral grootvader m.z. hebben grote emotionele problemen met het verstrekken van foto’s van A. aan de man. Het zal bij hen dermate veel spanning veroorzaken, dat dit tot nadelige gevolgen voor A. zal leiden.

De rechtbank overweegt als volgt:

Het verzoek van de man is een verzoek om informatie in de zin van artikel 1:377c lid 2 BW.

Een dergelijk verzoek wordt in ieder geval afgewezen, indien het belang van het kind zich tegen het verschaffen van de informatie verzet.

Voldoende aannemelijk is geworden, dat het verschaffen van foto’s van A. aan de man bij grootvader m.z. veel emoties teweeg zal brengen, hetgeen gezien er is gebeurd alleszins begrijpelijk is.

Grootvader m.z. is de enige bloedverwant in de rechte lijn, die een belangrijke rol in het dagelijkse leven van A. vervult. Grootvader m.z. en A. hebben veel contact met elkaar. Dat de emotionele gevolgen bij grootvader m.z. door het verstrekken van foto’s aan de man hun weerslag zullen hebben op A. is eigenlijk vanzelfsprekend en dat ook de pleegouders hierdoor bij de dagelijkse verzorging en opvoeding van A. hinder zullen ondervinden, evenzeer.

Onzeker is op welke wijze A. nu en in de toekomst zal reageren op de wetenschap, dat de man - die verantwoordelijk is voor het uit zijn/haar leven verdwijnen van de moeder en grootmoeder m.z. en die geprobeerd heeft om A. te verdrinken - over foto’s van A. beschikt.

Verder is onduidelijk waarom de man nu de beschikking wenst te hebben over een foto van A..

Van de kant van de begeleiders c.s. behandelaars van de man is geen enkele informatie aanwezig, op basis waarvan de rechtbank een inschatting kan maken van het belang van de man. De intenties van de man zijn evenmin bekend.

Onder deze omstandigheden is het naar het oordeel van de rechtbank niet in het belang van A., dat BJZ aan de man foto’s van het kind verstrekt. Het verzoek daartoe van de man wordt daarom afgewezen.

BESLISSING

bepaalt dat Bureau Jeugdzorg Groningen twee keer per jaar schriftelijke informatie aan de man dient te verstrekken omtrent het wel en wee van [de minderjarige] A.;

wijst het verzoek van de man tot het één keer per jaar door Bureau Jeugdzorg Groningen aan hem verstrekken van een foto van A. af.

Deze beschikking is gegeven door mr. D.A. Flinterman en door deze uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 maart 2007, in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier deelt mede, dat partijen tegen deze beschikking in hoger beroep kunnen gaan bij het Gerechtshof te Leeuwarden. Dit beroep dient door partijen te worden ingesteld binnen drie maanden na de datum van de uitspraak. Deze datum staat in de beschikking vermeld.

Het beroep moet namens een partij worden ingesteld door een advocaat. Als u in aanmerking wilt komen voor door de overheid (gedeeltelijk) gefinancierde rechtsbijstand, dan kan uw advocaat daartoe namens u een verzoek indienen bij de Raad voor Rechtsbijstand. Uw advocaat kan u daaromtrent nader informeren.