Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2007:BA1436

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
30-01-2007
Datum publicatie
23-03-2007
Zaaknummer
298461/06-2938
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Principiele bezwaren tegen door werkgevers en werknemersorganisaties bij een (algemeen verbindend verklaarde) CAO overeengekomen pensioenregeling, kunnen niet aan premieverplichting ter zake in de weg staan. Werkgever dient ander platform te kiezen om het debat over dit soort aangelegenheden aan te zwengelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2007, 67
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector kanton

Locatie Winschoten

Zaak\rolnummer: 298461/06-2938

vonnis d.d. 30 januari 2007

inzake

1. de stichting Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Rijswijk,

2. OTIB, de stichting Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voor het Technische Installatiebedrijf,

statutair gevestigd te ‘s-Gravenhage en kantoorhoudende te Rijswijk,

3. de stichting Stichting Sociaal Fonds voor de Metaal en Technische Bedrijfstakken,

statutair gevestigd te ‘s-Gravenhage en kantoorhoudende te Rijswijk,

eiseressen, hierna respectievelijk te noemen Pensioenfonds, OTIB en Sociaal Fonds, dan wel eiseressen,

gemachtigde Flanderijn en Van Eck, gerechtsdeurwaarders te Rotterdam,

en

de besloten vennootschap Mennes & Jager Zuidbroek B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Zuidbroek,

gedaagde, hierna te noemen Mennes & Jager,

gemachtigde mr. E. Tj. Van Dalen, advocaat te Groningen.

PROCESGANG

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding

- conclusie van antwoord

- conclusie van repliek

- conclusie van dupliek

eiseressen hebben producties overgelegd.

Vonnis is (nader) bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

1. De vordering

Pensioenfonds, OTIB en Sociaal Fonds hebben gevorderd om Mennes & Jager bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, aan Pensioenfonds te betalen de somma van € 2518,76, aan OTIB de somma van € 234,02 en aan Sociaal Fonds de somma van € 40,70, vermeerderd met de wettelijke rente, een en ander kosten rechtens.

2. De feiten

2.1 Mennes & Jager houdt zich onder meer bezig met het ontwerpen en vervaardigen van systemen voor software, automatisering en besturing van industriële productieprocessen.

2.2 Krachtens de wet en overige regelingen zoals nader omschreven in de bijlagen I, II en III bij dagvaarding, is Mennes & Jager verplicht om ten behoeve van haar personeel deel te nemen in, bijdragen te voldoen aan en personeelsgegevens te verstrekken aan opgemelde stichtingen, die de uitvoering van de regelingen hebben overgedragen aan Mn Services.

2.3 De Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en de introductie van de levensloop hebben geleid tot een nieuwe pensioenregeling die op 1 januari 2006 is ingegaan. De opbouw van vroegpensioen is vervallen vanaf 1 januari 2006.

2.4 Krachtens het van toepassing zijnde pensioenreglement is de premieplichtige werkgever bij niet tijdige betaling rente en boete of buitengerechtelijke kosten verschuldigd.

2.5 Mn Services heeft met betrekking tot de periode 01-01-2006/31-03-2006 op 13-02-2006 een premienota ad € 2.530,95 aan Mennes & Jager doen toekomen. Deze is, ondanks sommaties, onbetaald gebleven.

3. De standpunten van partijen

3.1 Eiseressen hebben kort gezegd betoogd dat Mennes & Jager op grond van hun verplichte deelname aan de diverse bedrijfstakgebonden pensioen- en opleidingsregelingen gehouden zijn de daaruit voortvloeiende premies te voldoen. Daarnaast meent zij thans aanspraak te kunnen maken op rente, incassokosten en boete.

3.2 Mennes & Jager stelt om principiële redenen (vooralsnog) niet tot betaling te zijn overgegaan. Zij is het er niet mee eens dat ook de betaling van premie voor vroegpensioen verplicht is en vindt dat werknemers daarin een keuze moeten hebben. Zij wenst daarover in debat te treden met eiseressen.

3.3 Voor zover de premies met betrekking tot vroegpensioen hier niet direct aan de orde zijn, is dat, zo begrijpt de kantonrechter, volgens Mennes & Jager wel indirect het geval. De thans gevorderde premies, die ook gelet op de reserves van eiseressen ten onrechte zijn verhoogd, worden mede gebruikt om de nadelige effecten van de voorheen verplicht gestelde vroegpensioen alsnog te kunnen repareren.

4. De beoordeling

4.1 De kantonrecht gaat voorbij aan het beroep op opschorting zijdens Mennes & Jager en overweegt daartoe het volgende.

4.2 De behoefte van Mennes & Jager aan principieel debat over pensioenbeleid en premievaststelling en deelname aan een dergelijk debat door eiseressen is – wat daar overigens ook van zij - naar het oordeel van de kantonrechter in het kader van de onderhavige procedure niet een te effectueren recht van Mennes & Jager c.q. een rechtens afdwingbare verplichting van eiseressen waarop met vrucht een beroep op opschorting kan worden gebaseerd.

4.3 Indien Mennes & Jager de principiële kanten van de materie aan de orde wenst te stellen zal zij een ander platform, namelijk dat van het (premievaststellende) georganiseerde werkgevers- en werknemersoverleg al dan niet in combinatie met de politiek c.q. de overheid, moeten kiezen, nu zonder nadere motivering van Mennes & Jager niet valt in te zien dat het eiseressen in het kader van de verplichte deelname door werkgevers in de branche aan de pensioenregelingen etc vrijstaat in individuele gevallen met betrekking tot de hoogte van de verschuldigde premies af te wijken.

4.4 Bovendien is het de kennelijke bedoeling van Mennes & Jager om zich blijvend uit haar betalingsverplichting te bevrijden – zij vindt immers dat zij hoe dan ook geen premies verschuldigd is uit hoofde van aan het vroegpensioen gerelateerde regelingen of van premies die in haar ogen het gevolg zijn van eerder, falend beleid - hetgeen zich evenmin verhoudt tot een beroep op opschorting.

4.5 Aldus liggen de vorderingen in hoofdsom, welke voor het overige niet, althans onvoldoende gemotiveerd zijn betwist, voor toewijzing gereed. Dat geldt ook voor de gevorderde boete c.q. de buitengerechtelijke kosten waar eerder bedoeld principieel debat geen grond voor matiging kan zijn, eiseressen hun vorderingen redelijkerwijze uit handen hebben moet geven toen betaling uitbleef en bovendien genoegzaam aannemelijk is geworden dat ook daadwerkelijk redelijke incassowerkzaamheden zijn verricht zoals door eiseressen nader omschreven bij dagvaarding. Wel zal de kantonrechter het salaris van de gemachtigde beperken tot 1 punt, nu eiseressen niet aanstonds alle bescheiden in het geding hebben gebracht, waardoor een tweede schriftelijke ronde noodzakelijk werd.

4.6 Als in het ongelijk gestelde partij zal Mennes & Jager in de kosten van de procedure worden veroordeeld.

BESLISSING

De kantonrechter:

veroordeelt Mennes & Jager om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Pensioenfonds te betalen € 2518,76 vermeerderd met de wettelijke rente over € 2282,05 vanaf 20 april 2006 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Mennes & Jager om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan OTIB te betalen € 234,02 vermeerderd met de wettelijke rente over € 212,03 vanaf 20 april 2006 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Mennes & Jager om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Sociaal Fonds te betalen € 40,70 vermeerderd met de wettelijke rente over € 36,87 vanaf 20 april 2006 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Mennes € Jager in de kosten van de procedure tot aan deze uitspraak aan de zijde van eiseressen gevallen, welke kosten worden vastgesteld op € 84,87 aan explootkosten, € 196,00 aan vastrecht en € 175,00 aan salaris van de gemachtigde;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Fokkema, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 januari 2007 in aanwezigheid van de griffier.