Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2007:BA0430

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
06-03-2007
Datum publicatie
12-03-2007
Zaaknummer
AWB 05/56 BSTPL
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vermissing van eiser, starten/voortzetten beroepsprocedure, advocaat gemachtigde, resterend procesbelang, niet-ontvankelijkheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Bestuursrecht

Zaaknr.: 05/56 BSTPL V05

Uitspraak in het geschil tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van Bellingwedde, verweerder.

1. Onderwerp van geschil

Mr. B.N. Kloostra (verder te noemen: Kloostra) heeft namens eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 30 november 2004. In dit (bestreden) besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 17 september 2003, tot weigering van het verlenen van vrijstelling op grond van artikel 34 van de voorschriften van het vigerende bestemmingsplan Buitengebied 1998 en artikel 19 Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) voor het gebruik ten behoeve van een privé-club, ongegrond verklaard.

2. Zitting

Het geschil is behandeld op de zitting van 14 februari 2007.

Eiser is aldaar niet verschenen. Mr. R.G. A. Luinstra (verder te noemen: Luinstra) heeft zich ter zitting gesteld als zijn gemachtigde. Hij heeft meegenomen mw. [mevrouw] (verder te noemen: [mevrouw].

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mw. J.A. Janiszyn.

3.Beoordeling van het geschil

Eiser heeft bij brief van 12 juli 2000 verweerder verzocht hem in aanmerking te doen komen voor een vergunning voor het uitoefenen van een prostitutiebedrijf op het perceel [adres] te [woonplaats].

Verweerder heeft daarop bij schrijven van 23 november 2000 te kennen gegeven dat niet tot het verlenen van de gevraagde vergunning kan worden overgegaan. Daartoe is verwezen naar het raadsbesluit van 9 november 2000, waarin is aangegeven dat het maximum aantal prostitutiebedrijven op drie is gesteld. Nu dit aantal bedrijven al bereikt is door aanwijzing in het bestemmingsplan Buitenplan Buitengebied 1999 en het bestemmingsplan zich verzet tegen vestiging van een prostitutiebedrijf op het perceel van betrokkene, kan geen vergunning worden verleend.

In de beslissing op bezwaar heeft de burgemeester het standpunt gehandhaafd en dit is in beroep en hoger beroep door respectievelijk de rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigd. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 28 november 2002 ten overvloede overwogen dat het door eiser gedane verzoek om vrijstelling van het bestemmingsplan door de burgemeester zal worden doorgezonden naar het bevoegde orgaan, zijnde verweerder.

Verweerder heeft bij besluit van 17 september 2003 een beslissing genomen op het verzoek om vrijstelling van het verbod de [adres] te [woonplaats] te gebruiken op een wijze strijdig met de gegeven bestemming. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat een vrijstelling op grond van art. 34 lid B van het bestemmingsplan Buitengebied 1998, de zogenoemde toverformule, niet wordt verleend omdat een zinvol gebruik van het onderhavige bouwwerk overeenkomstig de bestemming woondoeleinden alleszins mogelijk is. De strikte toepassing van art. 34 lid A leidt dan ook niet tot een beperking van het meest doelmatige gebruik.

Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. De bezwaar- en beroepschriftencommissie Bellingwedde heeft vervolgens geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder te kennen gegeven dit advies over te nemen. Daarbij is aangegeven dat de vestiging van een prostitutiebedrijf in het pand aan de [adres] te [woonplaats] in strijd is met de op het perceel rustende woonbestemming. In het bestemmingsplan Buitengebied 1998 heeft het betreffende perceel niet de bestemming 'privé-club' gekregen en eiser heeft nagelaten hiertegen te ageren ondanks het feit dat hij sinds 1995 een prostitutiebedrijf exploiteerde in het pand. Verweerder is niet bereid het recentelijk onherroepelijk geworden bestemmingsplan te wijzigen. Voorts geldt binnen de gemeente een maximumstelsel ten aanzien van prostitutiebedrijven en is het maximum van drie reeds bereikt. Artikel 32 van het bestemmingsplan kent geen mogelijkheid de bestemming woondoeleinden te wijzigen in de gewenste bestemming en een beroep op artikel 34 van het bestemmingsplan komt ook niet voor inwilliging in aanmerking nu de bestemming woondoeleinden nog gerealiseerd kan worden.

Kloostra, werkzaam bij de Haan advocaten te Groningen, heeft op 7 januari 2005, aangevuld op 2 februari 2005, namens eiser beroep aangetekend tegen het bestreden besluit van verweerder van 30 november 2004. Blijkens de gedingstukken heeft eiser zich in de bezwaarprocedure laten vertegenwoordigen door Luinstra, werkzaam bij hetzelfde advocatenkantoor. Naar aanleiding van een uitnodiging voor een zitting op 8 maart 2006 heeft Luinstra de rechtbank geïnformeerd over het feit dat Kloostra niet langer werkzaam is op het kantoor en dat mr. W.J. Th. Bustin (verder te noemen: Bustin) de onderhavige zaak in behandeling zal nemen. In verband hiermee is verzocht om verplaatsing van de zitting naar april 2006. Nadat de uitnodiging voor een volgende zitting op 19 april 2006 was verzonden aan Bustin heeft deze op 9 maart 2006 schriftelijk laten weten de onderhavige beroepszaak niet te kennen. De Haan advocaten heeft vervolgens laten weten dat Bustin pas met ingang van 1 april 2006 in dienst treedt. Vervolgens is een nieuwe zittingsdatum gepland op 14 juni 2006. Bij brief van 5 mei 2006 heeft Bustin, onder overlegging van nadere stukken, de rechtbank laten weten dat eiser sedert 11 juli 2004 vermist is en dat aangifte van vermissing inmiddels is gedaan bij de Spaanse en Nederlandse politie. Blijkens een rapport van het Polizeicommissariat Papenburg verbleef eiser vanaf 10 juli 2004 vanwege zaken op Tenerife. Vanaf 11 juli 2004 ontbreekt elk spoor. Bustin heeft aangegeven dat, volgens Luinstra, de onderhavige beroepszaak bij de rechtbank aanhangig is gemaakt met toestemming van eiser, maar dat Bustin het mandaat ontbreekt om namens eiser zijn standpunt naar voren te brengen ter zitting. Voorts heeft Bustin aangegeven dat eiser geen erfgenamen heeft, dat hij wel een algemene volmacht heeft opgesteld om over zijn goederen te laten beschikken, maar dat die volmacht pas in zal gaan op het moment dat hij is overleden of anderszins zijn wil niet meer kan bepalen. Bustin heeft verzocht om aanhouding van de zaak gedurende een half jaar, welke tijd gebruikt zal worden om zicht te krijgen in de stand van zaken van de vermissing en om de volmacht door deskundigen te laten beoordelen, waarbij de vraag zal moeten worden beantwoord of hij op basis van deze volmacht de kwestie kan blijven behandelen.

De zaak is vervolgens behandeld op de zitting van 14 februari 2007, waarbij Bustin is opgeroepen in verband met de vermissing van eiser.

Door verweerder is op 19 januari 2007 een brief ingezonden van Bustin, gedateerd 26 mei 2006, waarin deze onder andere heeft aangegeven dat [mevrouw] als gevolmachtigde na een doodverklaring van eiser door de autoriteiten gebruik kan maken van deze generieke volmacht en de onderneming kan staken en het onroerend goed kan verkopen. Hij heeft bevestigd dat [mevrouw] de onderneming zal staken zodra zij op grond van de volmacht kan handelen en dat zij zich alsdan gebonden acht aan de afspraak die tussen Luinstra (namens eiser) en de burgemeester van de gemeente Bellingwedde is gemaakt dat de activiteiten in het pand uiterlijk beëindigd zouden worden in de maand dat eiser 65 jaar zou worden.

De rechtbank stelt vast dat het besluit op bezwaar van 30 november 2004 is gezonden aan Luinstra als gemachtigde van eiser, die op dat moment reeds gedurende 4,5 maand vermist was. Ten tijde van de behandeling van het bezwaar op de hoorzitting op 27 oktober 2004 was eiser ook reeds vermist. Luinstra heeft verweerder bij fax van 27 oktober 2004 laten weten dat namens eiser tijdens de hoorzitting niet het woord zal worden gevoerd en heeft een schriftelijke pleitnotitie ingeleverd. De bezwaarprocedure is door Luinstra voortgezet en de beroepsprocedure is door Kloostra, gestart zonder dat verweerder of de rechtbank zijn geïnformeerd over de vermissing van eiser. Eerst bij brief van 5 mei 2006 heeft Bustin hierover de rechtbank geïnformeerd.

De rechtbank leidt uit deze gang van zaken af dat eiser het bestreden besluit nooit onder ogen heeft gehad en dat noch Kloostra (die het beroep heeft ingesteld), noch Bustin (die de behandeling in beroep heeft overgenomen), noch Luinstra (die eiser heeft vertegenwoordigd in bezwaar, en in beroep ter zitting) met eiser hebben kunnen overleggen over de inhoud van dit besluit en het eventueel instellen van beroep daartegen. Voorts is niet gebleken dat [mevrouw] aangemerkt kan worden als juridisch vertegenwoordiger van eiser en dat overleg met haar cq toestemming van haar, in de plaats heeft kunnen treden van overleg met of toestemming van eiser. De rechtbank overweegt daartoe dat door geen van de gemachtigden van eiser de volmacht waarvan sprake is, is overgelegd en dat bovendien Bustin heeft aangegeven dat deze volmacht pas rechtskracht verkrijgt na het overlijden van eiser, welk overlijden tot op heden niet officieel is vastgesteld.

Luinstra heeft ter zitting gesteld dat het beroep met (blijkbaar voorafgaand het bestreden besluit gegeven) toestemming van eiser is ingesteld, maar heeft daarvoor geen nader bewijs aangedragen, ook niet nu blijkens de feiten overleg met de cliënt naar aanleiding van het bestreden besluit nooit heeft kunnen plaatsvinden. Nu voorts Bustin in de brief van 5 mei 2006 aan de rechtbank heeft laten weten dat hem het mandaat ontbreekt om namens eiser een standpunt in te nemen ter zitting is de rechtbank van oordeel dat onder de gegeven bijzondere omstandigheden onvoldoende aannemelijk is geworden dat het onderhavige beroep namens eiser is ingesteld.

Het beroep dient dan ook niet ontvankelijk te worden verklaard.

Met betrekking tot het procesbelang van eiser overweegt de rechtbank als volgt.

Indien en voor zover geoordeeld zou moeten worden dat het beroep wel namens eiser ingesteld is, is de rechtbank van oordeel dat eiser vanaf het moment dat hij 65 jaar zou zijn geworden geen procesbelang had bij een rechterlijk oordeel inzake dit beroep. De rechtbank overweegt daartoe dat het verzoek van eiser betrekking had op een vrijstelling in verband met een van de bestemming (woondoeleinden) afwijkend gebruik (prostitutie) en dat eiser zich richting verweerder reeds had gebonden dit gebruik bij het bereiken van de 65 jarige leeftijd te staken. Eiser, indien nog in leven, heeft op 4 januari 2006 de 65-jarige leeftijd bereikt, en heeft sedertdien derhalve geen belang meer bij een van de bestemming afwijkend gebruik van het pand. Dat de door eiser beoogde vrijstelling zou leiden tot een waardevermeerdering van het pand, en dat daarin een resterend procesbelang gelegen zou zijn, zoals door Luinstra ter zitting gesteld, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk geworden. De rechtbank overweegt daartoe dat voor gebruik als prostitutie-inrichting door een rechtsopvolger van eiser niet alleen bedoelde vrijstelling noodzakelijk is, maar ook een exploitatievergunning en dat, blijkens hetgeen door verweerder naar voren is gebracht, en ook onderwerp van geschil is geweest in de eerdere beroepsprocedure, de kans op het verkrijgen van een dergelijke vergunning zeer gering is.

Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank een verband tussen het verlenen van de beoogde vrijstelling en de gestelde waardevermeerdering van het pand te ver verwijderd om te kunnen spreken van een resterend procesbelang. Ook om deze reden dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.

4. Beslissing

De Rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

verklaart het beroep niet ontvankelijk.

Aldus gegeven door mr. D.J. Klijn, rechter en in het openbaar door haar uitgesproken op

6 maart 2007 in tegenwoordigheid van mr. E. Nolles als griffier.

De griffier De rechter

De rechtbank wijst er op, dat partijen en andere belanghebbenden binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA in Den Haag.

Afschrift verzonden op: