Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2007:BA0358

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
25-01-2007
Datum publicatie
09-03-2007
Zaaknummer
300744/06-8273
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bouwbedrijf plaatst stalen rooster op de stoep, waarover voorbijganger komt te vallen en daardoor schade lijdt. Beoordelingskader onrechtmatigheid gedrag van het bouwbedrijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector kanton

Locatie Groningen

Zaak\rolnummer: 300744/06-8273

Vonnis d.d. 25 januari 2007

inzake

[eiseres], wonende te Groningen,

eiseres, hierna [eiseres] te noemen,

gemachtigde mr. M.A. Pasma, advocaat te Groningen

tegen

de besloten vennootschap Van Wijnen Groningen BV, gevestigd en kantoorhoudende te Groningen, aan de Osloweg 125, gedaagde, hierna Van Wijnen te noemen,

gemachtigde mr. ing. M. van Beelen, bedrijfsjurist bij Van Wijnen.

PROCESGANG

Bij vonnis van 28 september 2006 heeft de kantonrechter een comparitie van partijen gelast. Deze heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2006. Aldaar is [eiseres] samen met haar gemachtigde, mr. Pasma, verschenen. Namens Van Wijnen zijn [werknemer] (projectleider) en [werknemer] (timmerman), verschenen vergezeld van de gemachtigde mr. Van Beelen. Van het verhandelde ter zitting zijn aantekeningen bijgehouden door de griffier. Hierna is vonnis bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

1. Voor de beoordeling van het geschil kan van het volgende worden uitgegaan.

1.1 Van Wijnen heeft op 17 oktober 2005 werkzaamheden verricht aan een flat gelegen in de nabijheid van de Polluxstraat en Algollaan te Groningen. In dit verband zijn metalen roosters verwijderd die later die dag door een vrachtwagen van Van Wijnen zouden worden opgehaald. In de tussentijd zijn deze roosters tot een hoogte van ongeveer 50 cm opgestapeld op de rand van de stoep van de Algollaan.

1.2 [eiseres] heeft op de betreffende dag vanuit de achteruitgang van een flat via een steeg de Algollaan betreden. Vervolgens is zij over de stapel roosters gevallen. Zij heeft daarbij onder meer gebitsletsel en gekneusde ledematen opgelopen.

2. [eiseres] legt - kort weergegeven - aan haar vordering het volgende ten grondslag.

[eiseres] heeft schade geleden als gevolg van een onrechtmatig handelen door Van Wijnen, reden waarom Van Wijnen voor de daardoor veroorzaakte schade aansprakelijk is. Deze schade bestaat uit de volgende posten:

Extra hulp in huis € 25,--

Extra gebruik auto i.p.v. fiets € 35,50

Reiskosten € 11,50

Pijnstillers € 5,--

Eigen bijdrage fysiotherapie € 122,50

Eigen risico tandartskosten € 121,80

Niet genoten sportabonnement € 15,--

Smartengeld € 600,--

Buitengerechtelijke kosten € 903,30

Totaal € 1884,60

3. Het verweer van Van Wijnen komt op het volgende neer.

Het ongeval is niet het gevolg van onrechtmatig handelen van Van Wijnen, maar van onoplettendheid aan de zijde van [eiseres] zelf. De roosters waren goed zichtbaar neergelegd, Van Wijnen hoefde er redelijkerwijs geen rekening mee te houden dat iemand hierover zou kunnen vallen. Van Wijnen hoefde dan ook geen nadere veiligheidsmaatregelen te nemen. Voorts betwist Van Wijnen de gestelde schade en buitengerechtelijke kosten.

Beoordeling

4. Ter beantwoording ligt de vraag voor of Van Wijnen door het stapelen van de roosters onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld. De kantonrechter overweegt ter zake als volgt. Het enkele feit dat als gevolg van het handelen van Van Wijnen de mogelijkheid op een ongeval is ontstaan is niet voldoende. Dit handelen is slechts dan onrechtmatig indien de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval ten gevolge daarvan zo groot is dat Van Wijnen zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat handelen had moeten onthouden. Uit vaste jurisprudentie komt naar voren dat de gestelde onrechtmatigheid dient te worden beoordeeld aan de hand van de mate van waarschijnlijkheid dat de vereiste oplettendheid en zorgvuldigheid om een ongeluk te voorkomen niet wordt betracht, de kans dat als gevolg daarvan daadwerkelijk een ongeval ontstaat, de ernst van de gevolgen van dat ongeval en de mate van bezwaarlijkheid van het nemen van voorzorgsmaatregelen. Daar staat tegenover dat een zeer ernstige mate van onoplettendheid of onvoorzichtigheid aan de zijde van het slachtoffer in de weg staat aan de kwalificatie van onrechtmatig handelen.

5. Naar het oordeel van de kantonrechter hoefde [eiseres] niet bedacht te zijn op de roosters op de stoep. In de eerste plaats is daarbij redengevend dat de stoep niet bedoeld is voor het stallen van materialen. Dit is dan ook in elk geval (in enige mate) gevaarzettend, met name voor spelende kinderen en ouderen die slecht ter been zijn. Het ongeval van [eiseres] is daarvan het levende bewijs. Van Van Wijnen had daarom mogen verwacht dat zij had gezorgd voor enige vorm van waarschuwing, hetgeen praktisch zeer wel mogelijk was geweest. De gele markering op de roosters kan in dat opzicht niet als voldoende worden aangemerkt. Dit klemt te meer nu de stapel van een halve meter niet op ooghoogte lag, zodat er een reëel gevaar bestond dat voorbijgangers hierover heen zouden kijken. In het onderhavige geval komt daar nog eens bij dat de roosters kort om de hoek met het achteruitgangpad van de nabijgelegen flat waren neergelegd, waardoor de tijd om de roosters op te kunnen merken voor de uit die richting komende [eiseres] relatief kort was. Van Wijnen heeft voorts onvoldoende duidelijk gemaakt dat er geen plek beschikbaar was die buiten de verkeersdoorgang lag en daarmee als veel minder gevaarzettend beschouwd kon worden. Het feit dat de roosters na het ongeval elders in het gras zijn gelegd biedt in elk geval geen steun voor een dergelijke conclusie. Met Van Wijnen stelt de kantonrechter vast dat ook de onoplettendheid van [eiseres] bij de toedracht van het ongeval een rol heeft gespeeld, maar nu deze ononoplettendheid niet kan worden aangemerkt als aanmerkelijke onvoor-zichtig--------heid, doet dit aan de aansprakelijkheid van Van Wijnen niet af.

6. Op grond van het voorgaande heeft [eiseres] recht op vergoeding van de door haar geleden schade, waarbij aan het bewijs geen hoge eisen mogen worden gesteld. De gestelde schadeposten zijn toewijsbaar voor zover deze in rechtstreeks verband staan met het ongeval. Dit geldt in elk geval voor de gemaakte medische kosten, te meer nu deze met stukken zijn onderbouwd en niet gemotiveerd door Van Wijnen zijn betwist. Daarnaast is gemeten naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid een vergoeding van € 25,-- voor door buren verleende huishoudelijke hulp toewijsbaar. De gemaakte reiskosten die verband houden met het bezoek aan behandelaars en de onmogelijkheid voor [eiseres] om zich nog per fiets te verplaatsen zijn het directe gevolg van het ongeval, zodat zij daar tevens gerechtvaardigd aanspraak op maakt. Hetzelfde geldt voor het niet genoten sportabonnement, waardoor [eiseres] ter zake voor € 15,-- schade heeft geleden.

7. Met betrekking tot het gevorderde smartengeld overweegt de kantonrechter dat de vraag of er grond bestaat voor vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 BW dient te worden beoordeeld naar billijkheid en daarmee met inachtneming van alle omstandigheden van geval. In dit verband wordt vastgesteld dat [eiseres] door het ongeval pijn heeft geleden aan gebit en ledematen en is zij door haar fysieke ongemak geruime tijd in haar bewegingsvrijheid beperkt is geweest. Een vergoeding van de gevorderde € 600,-- is gelet op de heersende jurisprudentie op dit vlak alleszins redelijk.

8. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen worden afgewezen, nu [eiseres] procedeert op basis van een door de Raad voor de Rechtsbijstand afgegeven definitieve toevoeging. De vergoeding die hiermee gepaard gaat wordt tevens geacht de buitengerechtelijke kosten te dekken, zodat [eiseres] deze niet als schadepost van Van Wijnen kan vorderen.

9. Op grond van het voorgaande komt de vordering van [eiseres] voor een bedrag van

€ 936,30 (vermeerderd met rente vanaf de dag van de dagvaarding) voor toewijzing in aanmerking. Van Wijnen zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het geding.

BESLISSING

De kantonrechter:

veroordeelt Van Wijnen om tegen kwijting aan [eiseres] te betalen € 936,30 vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 augustus 2006 tot de dag der algehele voldoening;

verwijst Van Wijnen in de kosten van deze procedure, die aan de zijde van [eiseres] tot aan deze uitspraak worden begroot op in totaal € 534,87 waarvan te voldoen aan de griffier van dit gerecht € 497,37 (zijnde € 112,50 aan in debet gesteld griffierecht, € 84,87 aan dagvaardingskosten, € 300,- aan salaris van de gemachtigde) en te voldoen aan [eiseres]

€ 37,50 aan niet in debet gesteld griffierecht;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Fokkema, kantonrechter, en op 25 januari 2007 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

js