Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2007:AZ9787

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
09-02-2007
Datum publicatie
02-03-2007
Zaaknummer
91460/KG ZA 07-13
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Ex-vrouw van een failliet bewoont met haar ouders een woning die in de faillissementsboedel valt. Zij verweert zich tegen de vordering tot ontruiming van de curator met een beroep op het echtscheidingsconvenant, dat bepaalt dat zij in de woning kan verblijven zolang zij dat wenst en zonder daarvoor een vergoeding te betalen. Hoewel het faillissement het echtscheidingsconvenant intact laat, betekent dit niet dat de ex-vrouw haar rechten uit het convenant kan uitoefenen alsof er geen faillissement is. Was dit wel zo, dan zou zij zich in een positie bevinden waarin zij in feite het faillissement negeert, hetgeen, nu een dergelijke positie slechts is voorbehouden aan enkele in de wet geregelde - en zich hier niet voordoende- uitzonderingsgevallen, een onaanvaardbare inbreuk zou betekenen op het beginsel van de gelijkheid van crediteuren in het faillissement en haaks zou staan op het systeem van de Faillissementswet.

De bij de ex-vrouw inwonende ouders beroepen zich op een huurovereenkomst, maar zij kunnen het bestaan daarvan onvoldoende aannemelijk maken. Vordering tot ontruiming wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GRONINGEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 91460 / KG ZA 07-13

Vonnis in kort geding van 9 februari 2007

in de zaak van

[curator]

in de hoedanigheid van curator in het faillissement van [partij A], wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

gedaagde in reconventie,

procureur mr. C.W.E. Gazendam,

tegen

[partij B],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. A.C. de Kruijff,

en

als tussenkomende partij

[partij C]

beide wonende te [woonplaats],

procureur mr. A.C. de Kruijff.

Partijen zullen hierna respectievelijk de curator, [partij B] en [partij C] worden genoemd.

1. De procedure in conventie en in reconventie

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de producties

- de incidentele conclusie tot voeging/tussenkomst van [partij C], ter griffie binnengekomen op 25 januari 2007

- de mondelinge behandeling op 26 januari 2007, waar aanwezig waren de curator, vergezeld van mr. Gazendam, [partij B] en namens [partij C] [pa[partij B], vergezeld van mr. De Kruijff

- de pleitnota’s van partijen.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten in conventie en in reconventie

2.1. [partij B] is op 27 april 1981 op huwelijkse voorwaarden met [partij A] gehuwd. Zij bewoonden een aan [partij A] in eigendom toebehorende woning aan de [woonplaats]r [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning).

2.2. Sinds juli 1995 wonen [partij C], de ouders van [partij B] in een zelfstandige wooneenheid in de woning.

2.3. Omstreeks februari 2000 heeft [partij A] de woning verlaten. Op 22 maart 2000 hebben [partij B] en [partij A] een echtscheidingsconvenant gesloten. In het echtscheidingsconvenant is onder meer bepaald:

“2. Partijen zijn gezamenlijk, ieder voor de onverdeelde helft, eigenaar van de echtelijke woning aan de [woonplaats] [adres] te [woonplaats]. De vrouw zal in deze woning blijven wonen. Partijen spreken af dat deze woning onverdeeld blijft totdat de vrouw te kennen geeft niet meer in de woning te willen wonen. In dat geval zal de woning worden verkocht.”

Bij beschikking van deze rechtbank van 25 april 2000 is de echtscheiding tussen [partij B] en [partij A] uitgesproken.

2.4. Op 1 augustus 2000 heeft ING Bank N.V. (hierna: ING bank) [partij A] een lening verstrekt van EUR 70.411,-. Tot zekerheid voor de terugbetaling is ten gunste van ING bank een hypotheekrecht op de woning gevestigd.

2.5. Bij overeenkomst van 3 april 2006 heeft [partij A] de woning verkocht aan [partij B] voor een bedrag van EUR 80.000,00. De overeenkomst bepaalt onder meer:

“Artikel 10

Verkoper garandeert, onverminderd het hiervoor verklaarde in de artikelen 5 en 6, het navolgende:

(.....)

3. het verkochte zal ten tijde van de feitelijke levering geheel vrij van huur- en pachtcontracten zijn en van huurovereenkomsten of andere aanspraken tot gebruik. Het verkochte zal eveneens niet zonder recht of titel in gebruik zijn bij derden.”

De woning is niet aan [partij B] geleverd.

2.6. Bij beschikking van deze rechtbank van 24 april 2006 is surseance van betaling verleend aan [partij A]. De surseance van betaling is op 8 mei 2006 omgezet in een faillissement. De curator werd tot respectievelijk bewindvoerder en curator benoemd.

2.7. De curator heeft [partij B] laten weten dat hij de koopovereenkomst van 3 april 2006 vernietigt op grond van benadeling van de crediteuren in het faillissement.

2.8. Bij brief van 25 januari 2007 heeft [partij A] aan de curator onder meer geschreven:

“Hij verklaart tevens dat in genoemde zaak nooit sprake is geweest van een huurovereenkomst in de zin van een contract. (.....) Wel werd afgesproken een tegemoetkoming in de kosten te betalen dit omdat de woning erg afgelegen op open ligt en daardoor de stookkosten vrij hoog waren (en nu nog zullen zijn). Het bedrag van Fl. 800,- was toen de afspraak. Als er sprake is van een huur overeenkomst is dit er gewoon onbedoeld en onbewust binnengeslopen. Tot 2000 is dat ook betaald daarna niet meer.”

2.9. ING bank heeft aangekondigd tot executoriale verkoop van de woning te willen overgaan. Deze verkoop stond gepland voor 8 februari 2007, maar is opgeschort.

3. Het geschil in conventie en in reconventie

De curator vordert bij dagvaarding

? [partij B] te veroordelen om de woning binnen 10 dagen na betekening van dit vonnis, althans binnen een zodanige termijn als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren, te ontruimen en te verlaten met al het hare en de haren, waaronder haar familieleden en onder afgifte van de sleutels aan de curator ter beschikking te stellen zulks met machtiging van de curator om dit vonnis zonodig zelf of door derden ten uitvoer te doen leggen op kosten van [partij B], zonodig met behulp van de sterke arm van politie en/of justitie,

? [partij B] te verbieden om nadat de sub I gevorderde ontruiming heeft plaatsgevonden, de woning wederom te doen betreden en/of in gebruik te nemen, met de uitdrukkelijke bepaling dat indie [partij B] dit verbod één of meermalen zal overtreden, de curator telkenmale na overtreding gemachtigd is om de ontruiming zelf te bewerkstelligen door middel van een deurwaarder op kosten van gedaagde, des nodig met behulp van de sterke arm van politie en/of justitie,

? [partij B] in de proceskosten te veroordelen.

3.1. [partij B] voert verweer en stelt een vordering tot reconventie in die ertoe strekt:

? de curator te veroordelen tot het nakomen van de verplichtingen uit de tussen [partij A] en [partij B] op 3 april 2006 gesloten koopovereenkomst in het bijzonder tot het verlenen van zijn volledige medewerking aan de akte van levering van de woning op uiterlijk 5 februari 2007 op het kantoor van notaris mr. C.M. Reijntjes te [woonplaats],

? te bepalen dat op de voet van artikel 3:300 BW, indien de curator zijn medewerking aan het hierboven gevorderde weigert c.q. nalaat, dit vonnis in de plaats treedt van een tot levering van genoemd registergoed bestemde akte,

? te bepalen dat dit vonnis na het verstrijken van een termijn van 2 dagen na de betekening kan worden ingeschreven in de openbare registers,

? de curator te veroordelen in de kosten van deze procedure.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. Gezien het feit dat [partij C] een eigen positie wensen in te nemen in het onderhavige geding, zal de vordering tot voeging/tussenkomst worden aangemerkt als een vordering tot tussenkomst.

Nu de curator geen bezwaar heeft gemaakt tegen deze tussenkomst en er ook voorts geen belangen zijn die zich hiertegen verzetten, zullen [partij C] worden toegelaten als tussenkomende partij.

4.2. De voorzieningenrechter acht een spoedeisend belang bij het gevorderde aanwezig op grond van het feit dat de curator in het kader van de afwikkeling van het faillissement de woning wil verkopen, terwijl ook de ING bank op het punt staat over te gaan tot de (executoriale) verkoop van de woning.

4.3. [partij B] verweert zich tegen de vordering van de curator met een verwijzing naar het echtscheidingsconvenant waarin is opgenomen dat zij voor de onverdeelde helft eigenaar van de woning is en dat zij het recht heeft om gebruik te maken van de woning zolang zij dat wil.

Voorop staat dat het recht van [partij B] om de woning te gebruiken contractueel van aard is, ontleend aan het echtscheidingsconvenant dat [partij B] en [partij A] zijn overeengekomen. Niet voldaan is aan de wettelijke vereisten voor de vestiging van een eigendomsrecht, zodat [partij B] niet als mede-eigenaresse van de woning kan worden aangemerkt. Dat het echtscheidingsconvenant anders vermeldt en [partij B] in haar eigen beleving wel mede-eigenaresse was, kan niet leiden tot wijziging van haar juridische status.

Hoewel het faillissement het onderhavige echtscheidingsconvenant intact laat, betekent dit niet dat [partij B] haar rechten uit het convenant kan uitoefenen alsof er geen faillissement is.

Was dit wel zo, dan zou zij zich in een positie bevinden waarin zij in feite het faillissement negeert, hetgeen, nu een dergelijke positie slechts is voorbehouden aan enkele in de wet geregelde – en zich hier niet voordoende- uitzonderingsgevallen, een onaanvaardbare inbreuk zou betekenen op het beginsel van de gelijkheid van crediteuren in het faillissement en haaks zou staan op het systeem van de Faillissementswet.

Op grond hiervan is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat [partij B] het echtscheidingsconvenant niet aan de curator kan tegenwerpen.

4.4. [partij C] hebben zich tegen de vordering van de curator verweerd met een beroep op het bestaan van een huurovereenkomst met [partij A] inzake de zelfstandige wooneenheid die zij bewoont.

Dit verweer kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet slagen.

Er is geen schriftelijke overeenkomst overgelegd, zodat uitsluitend kan worden afgegaan op de nauwelijks onderbouwde stellingen van [partij B] en [partij C] in deze. Daarnaast is in het licht van de gemotiveerde betwisting door de curator en de brief van [partij A] van 25 januari 2007 onvoldoende komen vast te staan dat [partij C] ook sinds het vertrek van [partij A] uit de woning in 2000 een vergoeding hebben betaald voor het bewonen van de wooneenheid. Voorts heeft [partij A] in de brief aan de curator d.d. 25 januari 2007 verklaard dat er destijds geen sprake was van huur maar van de betaling van een onkostenvergoeding in ruil voor inwoning, hetgeen ook in het licht van de familierelatie tussen [partij B] en [partij C] een meer aannemelijke constructie lijkt dan een huurverhouding.

Op grond van deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bestaan van een huurovereenkomst niet aannemelijk is geworden zodat [partij C] zich hierop tegenover de curator niet met succes kunnen beroepen.

4.5. Nu [partij B] zich niet tegen de ontruiming kan verweren met een beroep op het echtscheidingsconvenant en [partij C] zich niet op het bestaan van een huurovereenkomst kunnen beroepen, er daarnaast gesteld, noch gebleken is dat zij anderszins een in het kader van het faillissement van [partij A] te respecteren recht of titel hebben om in de woning te verblijven, en er voorts geen klemmende omstandigheden zijn die zich tegen de gevorderde ontruiming verzetten, zal de vordering in conventie worden toegewezen, met dien verstande dat, ten behoeve van de duidelijkheid, in de beslissing expliciet zal worden vermeld dat ook [partij C] tot ontruiming zullen worden veroordeeld.

De voorzieningenrechter zal hierbij bepalen dat de ontruiming kan plaatsvinden met inachtneming van een termijn van 4 maanden na betekening van dit vonnis, zodat [partij B] en [partij C] enig respijt wordt gegund voor het vinden van vervangende woonruimte.

De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie zal worden afgewezen, omdat zij ingevolge art. 556 lid 1 en art. 557 Rv overbodig is.

In reconventie

4.6. Ten aanzien van de door [partij B] van de curator gevorderde nakoming van de overeenkomst die [partij B] op 3 april 2006 met [partij A] heeft gesloten, wordt het volgende overwogen.

[partij A] heeft de woning niet aan [partij B] geleverd en kon dit na zijn faillietverklaring ingevolge artikel 23 Faillissementswet ook niet meer doen. Daargelaten of de overeenkomst door de curator rechtsgeldig is vernietigd, rust op hem geenszins de verplichting om de woning alsnog aan [partij B] te leveren. Uitsluitend indien dit in het voordeel van de boedel zou zijn, hetgeen ter beoordeling staat van de curator – en de toezichthoudend rechter-commissaris in het faillissement - zou hiertoe dienen te worden overgegaan. [partij B] kan hoogstens als concurrent crediteur in het faillissement opkomen en een vordering tot schadevergoeding ter verificatie indienen.

Nu ook overigens gesteld noch gebleken is dat het handelen van de curator onrechtmatig of anderszins ontoelaatbaar is jegens [partij B], zal de vordering in reconventie worden afgewezen.

In conventie en in reconventie

4.7. [partij B] en [partij C] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in conventie en in reconventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de curator worden begroot op:

- dagvaarding EUR 84,87

- vast recht 251,00

- salaris procureur 816,00

Totaal EUR 1.151,87

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

5.1. veroordeelt [partij B] en [partij C] om de woning staande en gelegen aan de [woonplaats]r [adres] te [woonplaats] binnen 4 maanden na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten met al het hunne en de hunnen en onder afgifte van de sleutels aan de curator ter beschikking te stellen,

5.2. verbiedt [partij B] en [partij C] om nadat de sub I gevorderde ontruiming heeft plaatsgevonden, voormelde woning wederom te doen betreden en/of in gebruik te nemen,

5.3. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.4. wijst het gevorderde af,

in conventie en in reconventie

5.5. veroordeelt [partij B] en [partij C] in de proceskosten, aan de zijde van de curator tot op heden begroot op EUR 1.151,87,

5.6. verklaart dit vonnis wat betreft de punten 5.1, 5.2 en 5.5 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Praktiek en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2007.?