Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2007:AZ9779

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
02-03-2007
Datum publicatie
02-03-2007
Zaaknummer
91124/KG ZA 06-443
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft met bedrijf T een huurovereenkomst inzake de levering van drie bakwagens gesloten en T een lening verstrekt waarmee T de opbouw voor deze bakwagens heeft gekocht. Eiseres heeft een pandrecht op deze opbouw. T gaat failliet. De bakwagens en opbouw bevinden zich bij gedaagde. Eiseres vordert op grond van haar eigendomsrecht en pandrecht de bakwagens en de opbouw bij gedaagde op. Gedaagde weigert de zaken af te geven met een beroep op het retentierecht van artikel 3: 291 lid 2 BW en zaaksvorming. Artikel 3:291 lid 2 BW vereist een nauwe samenhang tussen de vordering van gedaagde op T en de teruggehouden zaak. Bij tussenvonnis krijgt gedaagde de gelegenheid haar vordering op T nader te specificeren/onderbouwen. Het beroep op 3:291 lid 2 BW wordt afgewezen wegens het ontbreken van voldoende samenhang. Hieronder volgt zowel tussenvonnis als eindvonnis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GRONINGEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 91124 / KG ZA 06-443

Tussenvonnis in kort geding van 2 februari 2007

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE LAGE LANDEN FINANCIAL SERVICES B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres,

procureur mr. P.E. Mazel,

advocaat mr. O.J.W. Reijnders,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GROZEMA ISOLATIES B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde,

advocaat mr. P.J. Foussert.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de producties

- de mondelinge behandeling op 9 januari 2007 waar namens eiseres aanwezig waren [werknemer], vergezeld van mr. Reijnders, en namens gedaagde [adviseur], vergezeld van mr. Foussert, en mr. H.J. de Ruijter, curator in het faillissement van Totaal Isolaties B.V. (hierna: TIN)

- de pleitnota’s van partijen.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Bij overeenkomst van 12 oktober 2004 heeft eiseres 3 bakwagens verhuurd aan TIN voor een periode van 72 maanden voor EUR 3.024,52 per maand.

2.2. Bij overeenkomst van dezelfde datum heeft eiseres voor de aankoop van twee Gushmer H20/35 GE 140 bar machines, benodigd voor de opbouw van twee van de bakwagens, aan TIN een geldlening verstrekt ten bedrage van EUR 120.000,- . Hierbij is ten behoeve van eiseres op deze machines een pandrecht gevestigd.

2.3. Bij vonnis van de rechtbank Assen van 12 september 2006 is TIN in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. H.J. de Ruijter tot curator.

2.4. Bij brief van 25 oktober 2006 heeft gedaagde de curator medegedeeld dat zij in verband met een vordering van EUR 239.247,35 beroept op haar retentierecht ten aanzien van de zaken die zij van TIN onder zich heeft.

2.5. Bij brief van 29 november 2006 heeft eiseres gedaagde verzocht zich bereid te verklaren mee te werken aan de afgifte van de bakwagens en opbouw.

2.6. Gedaagde heeft geweigerd de bakwagens en opbouw af te staan.

3. Het geschil

3.1. Eiseres vordert gedaagde te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de bakwagens gekentekend [kentekens] inclusief bijbehorende roerende zaken, documentatie, (reserve)sleutels en aan eiseres verpande opbouw aan eiseres te retourneren, op straffe van een dwangsom van EUR 10.000,- voor elke dag dat gedaagde in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen, althans een dwangsom zoals door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen, alsmede gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2. Gedaagde voert verweer.

4. De beoordeling

4.1. Gedaagde heeft zich tegen de vordering van eiseres tot teruggave van de bakwagens en opbouw verweerd met een beroep op een retentierecht op deze zaken.

Wil een beroep op het retentierecht door gedaagde slagen dan zal aan de vereisten van artikel 3:291 lid 2 BW moeten worden voldaan. Eiseres verhoudt zich immers op grond van haar eigendomsrecht op de bakwagens en haar pandrecht op de opbouw tot gedaagde als een derde met een ouder recht.

Dit betekent vooreerst dat de door gedaagde gestelde vordering op TIN voldoende samenhang moet vertonen met de teruggehouden bakwagens en opbouw.

Bij de beoordeling van deze voorwaarde is relevant wat met bakwagen en opbouw wordt bedoeld. Blijkens de ter zitting getoonde foto’s en gegeven uitleg wordt met bakwagen bedoeld een vrachtwagen met achter de bestuurdercabine een platte laadbak. Op deze laadbak is een soort container geplaatst – de opbouw genoemd – waarin zich apparatuur bevindt om isolatiemateriaal aan te brengen, de diensten die de failliete onderneming aanbood.

Gedaagde heeft gesteld dat de vordering waarop zij haar retentierecht baseert, voortvloeit uit een overeenkomst met TIN, waarbij gedaagde voor TIN de planning, technische ondersteuning en levering van grondstoffen verzorgde. Onder deze overeenkomst valt, zo heeft gedaagde gesteld, eveneens de uitvoering van werkzaamheden die betrekking hebben op het bedrijfsklaar houden van de opbouw. Uit deze stellingen blijkt niet, en dit is ook overigens niet aannemelijk geworden, dat deze werkzaamheden ook zien op de bakwagens zelf.

Daargelaten of aan de overige vereisten van 3:291 lid 2 BW is voldaan, betekent dit voorshands oordelende reeds dat voor zover het de bakwagens betreft een gebrek aan samenhang tussen de gestelde vordering en de bakwagens meebrengt dat niet voldaan is aan de voorwaarden die dit artikel stelt.

4.2. Gedaagde heeft evenwel gesteld dat de bakwagen en de daarop geplaatste opbouw niet langer afzonderlijke zaken zijn, maar tezamen één (nieuwe) zaak vormen, en dat zij ten aanzien van deze nieuwe zaak als geheel het retentierecht heeft ingeroepen, waarmee niet relevant is of het retentierecht ten aanzien van de bakwagens als zodanig wel of niet werkt.

Van belang bij de beoordeling van deze stelling is dat ter zitting de constructie van bakwagen en opbouw onweersproken is omschreven als een container die met schroeven op een bakwagen is vastgezet. Dit wordt ondersteund door het beeld dat door de producties wordt opgeroepen. Op grond hiervan moet demontage zonder schade van belang aan één van de zaken voorshands aannemelijk worden geacht.

De voorzieningenrechter is in het licht van het bovenstaande van oordeel dat niet gezegd kan worden dat bakwagen en opbouw tezamen een zaak vormen die naar verkeersopvattingen een eigen identiteit van enige betekenis heeft. Nu voor het bestaan van zaaksvorming het bestaan van een eigen identiteit – die is ontstaan door de eraan verrichte werkzaamheden en de daaruit voortvloeiende vormgeving – noodzakelijk is, kan van zaaksvorming dan ook geen sprake zijn. Het voorgaande betekent dat er evenmin sprake is van een verbinding van roerende zaken in de zin van artikel 5:14 lid 2 BW. Immers, ook in dit geval is vereist dat bakwagen en opbouw tezamen een zaak vormen die naar verkeersopvattingen een eigen - van de oorspronkelijke zaken tezamen afgeleide - identiteit heeft.

Van natrekking ex artikel 5:14 lid 1 BW kan voorshands evenmin worden uitgegaan. Voor zover één van de zaken al als hoofdzaak zou kunnen worden aangemerkt, kan immers in het licht van het bovenstaande niet worden volgehouden dat de andere zaak als bestanddeel hiervan zou moeten worden gezien op grond van de verkeersopvattingen of op grond van het feit dat de ene zaak niet zonder schade van betekenis van de andere zou kunnen worden gescheiden.

Er moet dan ook vanuit worden gegaan dat de bakwagens en de opbouw twee zelfstandige zaken zijn gebleven en er geen sprake is van een nieuwe zaak, zodat het verweer van gedaagde dienaangaande niet kan slagen. Deze conclusie ligt in het verlengde van het feit dat eiseres en TIN in 2004 twee afzonderlijke overeenkomsten zijn aangegaan met betrekking tot de bakwagens en de opbouw, zodat het in de rede ligt te veronderstellen dat het op dat moment niet de bedoeling van deze partijen was dat de zaken hun zelfstandigheid zouden verliezen.

4.3. Nu ten aanzien van de bakwagens niet voldaan is aan de voorwaarden die artikel 3:291 lid 2 BW stelt, is de vordering dienaangaande toewijsbaar. Een beslissing ter zake zal echter worden aangehouden in verband met het navolgende.

4.4. Voorshands is niet duidelijk of gedaagde zich kan beroepen op een retentierecht ten aanzien van de opbouw. Ook hier geldt het vereiste van voldoende samenhang tussen vordering en teruggehouden zaak. Hieromtrent wordt het volgende overwogen.

Mede in het licht van de door gedaagde overgelegde productie 11, is het aannemelijk dat er dagelijkse werkzaamheden aan de opbouw moesten worden verricht, zodat het in de rede ligt dat daaruit als zodanig kosten zijn voortgevloeid en nog voortvloeien. Uit de in het geding gebrachte stukken, waaronder de door eiseres als productie 7 overgelegde facturen, is echter niet af te leiden, of, en zo ja, voor welk deel de vordering betrekking heeft op deze kosten.

Hoewel het op de weg van gedaagde had gelegen om reeds voor de zitting stukken over te leggen, zal zij, mede in het licht van het feit dat zij ter zitting heeft aangeboden de facturen ter plekke met stukken te onderbouwen - doch het hiervan niet is gekomen -, alsnog in de gelegenheid worden gesteld om de aangeboden stukken over te leggen ter onderbouwing/nadere specificatie van haar vordering.

Eiseres zal vervolgens een week de tijd krijgen om op deze stukken te reageren.

In afwachting van deze specificatie wordt ieder verder oordeel in deze zaak aangehouden.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. stelt gedaagde tot één week na de datum van dit vonnis in de gelegenheid stukken, zoals sub 4.4 bedoeld, over te leggen, alsmede eiseres hiervan een afschrift te zenden,

5.2. houdt voor het overige iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J. Oostdijk en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2007. ?

vonnis

RECHTBANK GRONINGEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 91124 / KG ZA 06-443

Vonnis in kort geding van 2 maart 2007

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE LAGE LANDEN FINANCIAL SERVICES B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres,

procureur mr. P.E. Mazel,

advocaat mr. O.J.W. Reijnders,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GROZEMA ISOLATIES B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde,

advocaat mr. P.J. Foussert.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure na het tussenvonnis van 2 februari 2007 blijkt uit:

- de door gedaagde overgelegde producties ter griffie binnengekomen op 9 februari 2007

- de akte uitlating producties van eiseres van 16 februari 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De beoordeling

2.1. De voorzieningenrechter neemt hier over hetgeen is overwogen en beslist in het tussenvonnis van 2 februari 2007.

2.2. Gedaagde heeft gesteld dat de vordering waar zij haar retentierecht op baseert, voortvloeit uit een overeenkomst met TIN, waarbij gedaagde voor TIN de planning, technische ondersteuning en levering van grondstoffen heeft verzorgd. Ter zitting heeft gedaagde verklaard dat deze overeenkomst mede ziet op de uitvoering van werkzaamheden met betrekking tot het bedrijfsklaar houden c.q. het onderhoud van de opbouw.

Ter onderbouwing van deze stelling heeft gedaagde na het wijzen van het tussenvonnis een aantal facturen in het geding gebracht.

De voorzieningenrechter constateert dat deze facturen voor het grootste deel betrekking hebben op de algemene werkzaamheden die gedaagde ten behoeve van TIN heeft uitgevoerd, waaronder de levering van grondstoffen - veelal PUR(-gerelateerde materialen) – aan TIN. Slechts een (zeer) gering deel van de facturen ziet op kosten die ten behoeve van het bedrijfsklaar houden of het onderhoud van de opbouw zijn gemaakt.

2.3. Zoals reeds overwogen in genoemd tussenvonnis, vereist artikel 3:291 lid 2 BW dat er voldoende samenhang bestaat tussen vordering en teruggehouden zaak: de vordering dient in rechtstreeks verband te staan tot de specifieke teruggehouden zaak. Immers, het retentierecht beoogt het verkeersbelang te dienen door enerzijds de opdrachtnemer voor zijn vordering zekerheid te bieden, terwijl anderzijds de eigenaar van een zaak overeenkomsten kan sluiten met betrekking tot die zaak zonder erop bedacht te hoeven zijn dat zijn zaak zal worden teruggehouden wegens verhaal van vorderingen die daarop niet direct betrekking hebben.

2.4. Gezien deze beperkte reikwijdte van het retentierecht bestaat er naar het oordeel van de voorzieningenrechter tussen opbouw en dat deel van de vordering dat niet rechtstreeks ziet op het bedrijfsklaar houden c.q. het onderhoud van de opbouw - het leeuwendeel van de vordering – onvoldoende samenhang om te voldoen aan het in artikel 3:291 lid 2 BW bepaalde.

Hoewel er wel voldoende samenhang bestaat tussen de opbouw en de vordering voor zover deze ziet op kosten die zijn gemaakt voor het bedrijfsklaar houden van de opbouw c.q. het onderhoud ervan, betreft dit - nog los van het feit dat gedaagde deze specifieke kosten onvoldoende heeft gespecificeerd - een zo gering deel van de vordering, dat het bestaan ervan alleen niet het inroepen van het retentierecht rechtvaardigt.

Uit bovenstaande volgt dat gedaagde ook ten aanzien van de opbouw het retentierecht niet met succes kan inroepen.

2.5. Nu noch ten aanzien van de bakwagens, noch ten aanzien van de opbouw een beroep op het retentierecht kan worden gedaan, zal het door eiseres gevorderde worden toegewezen, met dien verstande dat de dwangsom zal worden gemaximeerd en de termijn waarbinnen gedaagde aan het gevorderde dient te voldoen, zal worden verlengd.

2.6. Gedaagde zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van eiseres worden begroot op:

- dagvaarding EUR 84,87

- vast recht 251,00

- salaris procureur 816,00

Totaal EUR 1.151,87

3. De beslissing

De voorzieningenrechter

3.1. veroordeelt gedaagde om binnen 3 dagen na betekening van dit vonnis de bakwagens gekentekend [kentekens] inclusief bijbehorende roerende zaken, documentatie, (reserve)sleutels en de aan eiseres verpande opbouw aan eiseres te retourneren,

3.2. bepaalt dat gedaagde voor iedere dag dat zij in strijd handelt met het onder 3.1. bepaalde, aan eiseres een dwangsom verbeurt van EUR 10.000,- tot een maximum van EUR 100.000,--,

3.3. veroordeelt gedaagde in de proceskosten, aan de zijde van eiseres tot op heden begroot op EUR 1151,87,

3.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J. Oostdijk en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2007. ?