Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2007:AZ8337

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
13-02-2007
Datum publicatie
13-02-2007
Zaaknummer
18/653095-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onvoorwaardelijke gevangenisstraf en ontzegging van de rijbevoegdheid van 4 jaar voor jeugdige automobilist die een verkeersongeval veroorzaakte, waarbij drie jonge meisjes zijn omgekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2007, 122
VR 2007, 129
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 653095-06

datum uitspraak: 13 februari 2007

op tegenspraak

raadsman: mr. De Roos

vonnis van de rechtbank te Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] in 1987,

wonende te [adres verdachte].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 30 januari 2007.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd: dat

hij op of omstreeks 3 juni 2006, in de gemeente Menterwolde,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede

rijdende over de weg, de Uiterburen, gaande in de richting Noordbroek en toen

gekomen in of ter hoogte van een in die Uiterburen gelegen voor hem,

verdachte, naar rechts voerende bocht, zich zodanig heeft gedragen dat een aan

zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos, in

elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

- in plaats van tijdig en/of voldoende zijn, verdachtes, snelheid te

verminderen en/of aan te passen aan de omstandigheden ter plaatse en/of met

dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig, de rijbaan van die Uiterburen

te (blijven) volgen -

terwijl verdachte (kort) tevoren een of meer hoeveelheden alcoholische drank

had genuttig, met aanmerkelijke snelheid, althans met een, gezien de

omstandigheden ter plaatse, (veel) te hoge snelheid die bocht is in- en/of

door en/of uitgereden en/of (vervolgens) de macht over het stuur heeft

verloren en/of met dat door verdachtes bestuurde motorrijtuig tegen een,

gezien verdachtes rijrichting, aan de rechterzijde van die Uiterburen staande

boom is gereden en/of gebotst,

waardoor een of meer inzittenden van het door verdachte bestuurde motorrijtuig

(genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3])

werd(en) gedood, en/of

waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 4]) zwaar lichamelijk letsel, te weten

een gebroken rechter dijbeen, een of meer blauwe plekken en/of een of meer

schaafwonden, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit

tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden

is ontstaan,

terwijl verdachte verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of

derde lid van de Wegenverkeerswet 1994;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

art 8 lid 1 Wegenverkeerswet 1994

art 8 lid 2 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994

art 8 lid 2 ahf/ond b Wegenverkeerswet 1994

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

A. hij op of omstreeks 3 juni 2006, in de gemeente Menterwolde,

als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft

bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte

van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid,

aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 0.44 milligram, in elk geval

hoger dan 0,2 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn, terwijl

voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en sedert de

datum waarop aan hem/haar voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog

geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of

na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden;

B. hij op of omstreeks 3 juni 2006, in de gemeente Menterwolde,

als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg,

de Uiterburen, gaande in de richting Noordbroek en toen gekomen in of ter

hoogte van een in die Uiterburen gelegen voor hem, verdachte, naar rechts

voerende bocht,

met dat door hem, verdachte, bestuurde voertuig - in plaats van tijdig en/of

voldoende zijn, verdachtes, snelheid te verminderen en/of aan te passen aan de

omstandigheden ter plaatse en/of de rijbaan van die Uiterburen te (blijven)

volgen -

met aanmerkelijke snelheid, althans met een, gezien de omstandigheden ter

plaatse, (veel) te hoge snelheid die bocht is in- en/of door en/of uitgereden

en/of (vervolgens) de macht over het stuur heeft verloren en/of met dat door

verdachtes bestuurde motorrijtuig tegen een, gezien verdachtes rijrichting,

aan de rechterzijde van die Uiterburen staande boom is gereden en/of gebotst,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 8 lid 3 ahf/ond b Wegenverkeerswet 1994

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot 3 jaren gevangenisstraf waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 jaren.

Bewezenverklaring

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde niet bewezen kan worden, nu verdachte slechts een stuurfout heeft gemaakt, waardoor hij de macht over het stuur is kwijtgeraakt. Verdachte dient volgens de raadsman derhalve van het primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Voorts is door de raadsman het verweer gevoerd dat het bloedonderzoek met betrekking tot het bloedalcoholgehalte niet volgens het bepaalde in art. 163 lid 9 WVW heeft plaatsgevonden, nu voor het onderzoek van het bloed niet verdachtes toestemming is afgewacht. De raadsman is van mening dat het resultaat van het bloedonderzoek niet voor het bewijs kan worden gebruikt.

Met betrekking tot de gang van zaken rond het bloedonderzoek van verdachte overweegt de rechtbank als volgt. Direct na het ongeval is de verdenking gerezen van overtreding van art. 8 WVW. Verdachte bevond zich op dat moment in een comateuze toestand, zodat hem geen toestemming voor bloedafname gevraagd kon worden. Uit het proces-verbaal is gebleken dat van verdachte bloed is afgenomen, maar dat voor het onderzoek van dit bloed niet verdachtes toestemming, zoals voorgeschreven in het betreffende artikel van de Wegenverkeerswet, is afgewacht. Verdachte heeft, nadat hij uit zijn coma was bijgekomen, wel toestemming gegeven voor het gebruik van het resultaat van het bloedonderzoek.

De rechtbank constateert dat door deze gang van zaken niet is voldaan aan het bepaalde in art. 163 lid 9 WVW. De vraag is of dit verzuim consequenties dient te hebben voor het bewijs. De rechtbank is van oordeel dat de regelgeving terzake beoogt dat er een zorgvuldig en betrouwbaar bloedonderzoek plaats vindt en dat verdachte de gelegenheid moet hebben het onderzoek te weigeren. Dat het betreffende onderzoek zorgvuldig en betrouwbaar is verlopen wordt niet betwist, met andere woorden de onrechtmatigheid op de verkrijging van het bewijsmateriaal is niet van invloed geweest op de betrouwbaarheid ervan. Uiteindelijk is door verdachte toestemming gegeven het resultaat van het onderzoek te gebruiken. De ernst van het verzuim wordt hierdoor gerelativeerd, waarbij verdachte niet daadwerkelijk is benadeeld door de gang van zaken. De rechtbank zal volstaan met de constatering dat er een verzuim van vormen heeft plaatsgevonden, maar daaraan geen consequenties verbinden.

Het verweer van de raadsman wordt derhalve verworpen.

Uit de bewijsmiddelen blijkt ten aanzien van de feitelijke gebeurtenissen als volgt.

Op 3 juni 2006 vond een verkeersongeval plaats, waarbij drie personen om het leven zijn gekomen en één persoon zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen. De lijkschouwer heeft op 4 juni 2006 de dood vastgesteld van [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum]), [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] (beiden geboren op [geboortedatum]). Uit een medische verklaring van 17 november 2006 blijkt dat [slachtoffer 4] (geboren op [geboortedatum]) zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, namelijk een gebroken rechter bovenbeen.

Deze vier meisjes waren inzittenden van een auto, een zwarte Honda Civic, die werd bestuurd door verdachte. Dit blijkt onder meer uit de verklaring van [slachtoffer 4], terwijl ook uit het door de politie opgemaakte proces-verbaal van bevindingen blijkt dat verbalisanten direct na het ongeval deze vijf personen in het wrak van de Honda Civic aantroffen.

Verdachte heeft op 3 juni 2006 als bestuurder van zijn auto gereden over de Uiterburen in de gemeente Menterwolde in de richting van Noordbroek. Uit verschillende getuigen-verklaringen is gebleken dat hij harder reed dan de daar toegestane snelheid van 60 km/u. De mede-inzittende die het ongeluk heeft overleefd verklaart hierover en ook medeweggebruikers hebben hierover verklaard. Het Nederlands Forensisch Instituut rapporteert op 17 januari 2007 dat de snelheid vlak voordat verdachte uit de bocht vloog waarschijnlijk tussen 68 en 92 km/u is geweest. Uit het proces-verbaal verkeersongeval-analyse blijkt dat verdachte ter hoogte van een naar rechts voerende bocht op de linkerrijbaan terecht is gekomen, en dat hij vervolgens de macht over het stuur heeft verloren en met de auto tegen een aan de rechterzijde van die Uiterburen staande boom is gereden. Uit medische informatie van de forensisch geneeskundige blijkt dat [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] aan de gevolgen van het verkeersongeval zijn overleden. Het letsel van [slachtoffer 4] is eveneens veroorzaakt door het verkeersongeval. Uit het door het Nederlands Forensisch Instituut uitgevoerde bloedonderzoek van verdachte is gebleken dat het alcoholpromillage van zijn bloed 0,44 promille bedroeg, terwijl sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven nog geen vijf jaren zijn verstreken.

Volgens de verklaring van [slachtoffer 4] is hij door alle vier meisjes aangespoord langzamer te rijden en ook uit de verklaringen van medeweggebruikers [getuige 1] en [getuige 2] blijkt dat er sprake was van risicovol verkeersgedrag.

De rechtbank stelt mede op grond van hetgeen hiervoor is overwogen vast dat:

-verdachte te hard heeft gereden,

-verdachte op een bochtige weg reed waar hij naar zijn zeggen niet bekend was, terwijl de betreffende weg zijwegen had, waaruit verkeer kon komen,

-verdachte hard blééf rijden, hoewel hij gewaarschuwd werd door de bij hem in de auto zittende meisjes,

-verdachte uit de bocht is gevlogen.

Op grond van bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte door dit roekeloos rijgedrag, in plaats van de naar rechts voerende bocht te vervolgen, op de linkerrijbaan terecht is gekomen, waarna hij tegen een boom is gereden, ten gevolge waarvan de drie hiervoor genoemde meisjes zijn overleden en een vierde meisje ernstig gewond is geraakt. Deze gedragingen kunnen hem nog ernstiger worden aangerekend omdat hij onder invloed van alcohol was.

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig voor het primair ten laste gelegde, terwijl aan de overtuiging van de rechtbank bijdraagt het feit dat is komen vast te staan dat verdachte voorafgaand aan het ongeval aan het stunten is geweest met zijn auto. Dit blijkt onder meer uit de verklaringen van [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5]. Bovendien heeft verdachte bij de politie verklaard dat hij -op landweggetjes- vaak te hard reed, soms wel 40 à 50 km/u boven de toegestane snelheid.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 3 juni 2006, in de gemeente Menterwolde, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Uiterburen, gaande in de richting Noordbroek en toen gekomen in of ter hoogte van een in die Uiterburen gelegen voor hem, verdachte, naar rechts voerende bocht, zich zodanig heeft gedragen dat een aan

zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos - in plaats van tijdig en voldoende zijn, verdachtes, snelheid te verminderen en aan te passen aan de omstandigheden ter plaatse - met dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig, de rijbaan van die Uiterburen te blijven volgen, en, terwijl verdachte tevoren alcoholische drank

had genuttig, met een, gezien de omstandigheden ter plaatse, (veel) te hoge snelheid die bocht is in- en door- en uitgereden en vervolgens de macht over het stuur heeft verloren en met dat door verdachtes bestuurde motorrijtuig tegen een, gezien verdachtes rijrichting, aan de rechterzijde van die Uiterburen staande boom is gebotst, waardoor inzittenden van het door verdachte bestuurde motorrijtuig (genaamd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]) werden gedood, en waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 4]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken rechter dijbeen, werd toegebracht,

terwijl verdachte verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, derde lid van de Wegenverkeerswet 1994;

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Kwalificatie

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard levert het volgende strafbare feit op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, derde lid van genoemde wet.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar, nu ten aanzien van verdachte geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Motivering straf

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en aangaande zijn persoon opgemaakte rapportage, alsmede de vordering van de officier van justitie.

Vrijheidsstraf

Op grond van het bovenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat een gedeeltelijk onvoorwaardelijke vrijheidsstraf moet worden opgelegd.

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hoogte hiervan in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft door zijn roekeloos en onverantwoord rijgedrag de dood van drie jonge meisjes op zijn geweten, alsmede het feit dat een vierde meisje een zeer ernstig auto-ongeluk heeft meegemaakt, waarbij zij zelf ernstig gewond is geraakt en waarbij zij drie vriendinnen heeft verloren. Verdachte heeft hiermee onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden van de omgekomen meisjes. Door de slachtofferverklaring, ter zitting uitgesproken door de moeder van één van de overleden meisjes, kan blijken hoe groot het toegebrachte leed is. De schriftelijke slachtofferverklaring van het meisje dat het ongeval heeft overleefd geeft aan hoezeer haar leven door het gebeurde is veranderd.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij zich onverantwoord als een gevaar op de weg heeft gedragen en verzoeken van de meisjes om langzamer en voorzichtiger te rijden heeft genegeerd en geen enkele rekening heeft gehouden met de gevaren en risico's voor zijn passagiers en medeweggebruikers.

De rechtbank heeft geconstateerd dat verdachte weinig inlevingsvermogen heeft getoond ten aanzien van de slachtoffers en hun nabestaanden, hoew-el hij ter zitting heeft verklaard dat hij niets liever zou willen dan dat het niet gebeurd zou zijn. De rechtbank houdt er rekening mee dat het gebrek aan inleving wellicht komt doordat verdachte zich van het ongeluk, waarbij hij zelf ook zeer ernstig gewond is geraakt, geheel niets kan herinneren.

De rechtbank zal een lagere gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie gevorderd, uit overweging dat zij de hierna te noemen straf, mede gelet op de jonge leeftijd van verdachte, voor deze ernstige zaak passend acht.

Ontzegging van de rijbevoegdheid

De rechtbank acht een langdurige onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen op haar plaats omdat verdachte door het plegen van het bewezen- en strafbaar verklaarde de verkeersveiligheid in zeer ernstige mate in gevaar heeft gebracht.

Vordering van de benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd de wettelijke vertegenwoordiger van [naam benadeelde partij], wonende te [adres benadeelde partij].

De benadeelde partij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust.

De benadeelde partij is ter terechtzitting bijgestaan door mr. M.J.N. Vermeij, advocaat te Amsterdam, die de vordering aldaar heeft toegelicht. Namens de benadeelde partij is aangevoerd dat de schade tot nu toe EUR 8.713,42 bedraagt, terwijl door de verzekering een bedrag van EUR 1.500,00 is uitgekeerd. De benadeelde partij heeft verzocht het opgevoerde schadebedrag met aftrek van de vergoeding van de verzekering bij wijze van voorschot toe te kennen.

Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde tot nu toe rechtstreeks schade is toegebracht tot een bedrag van

EUR 7.213,42. De rechtbank zal dat bedrag bij wijze van voorschot toewijzen.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal aan verdachte de verplichting opleggen voornoemd geldbedrag ten behoeve van de benadeelde partij aan de staat te betalen. De rechtbank heeft daartoe besloten omdat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht en het belang van de benadeelde partij ermee is gediend niet zelf te worden belast met het innen van de toegewezen schadevergoeding.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c en 36f van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 6, 8, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.

- verklaart verdachte voor het bewezenverklaarde strafbaar.

- verklaart het primair meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

- veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Bepaalt dat van deze straf een gedeelte, groot 6 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de op 2 jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 jaren.

Bepaalt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 ingehouden of ingevorderd is geweest, voordat deze uitspraak voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, op de duur van die ontzegging in mindering zal worden gebracht.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij], wonende te [adres benadeelde partij], bij wijze van voorschot toe en veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van EUR 7.213,42 (zegge zevenduizend tweehonderddertien euro en 42 cent).

Veroordeelt de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Verplicht de veroordeelde aan de Staat te betalen een geldbedrag van EUR 7.213,42 (zegge zevenduizend tweehonderddertien euro en 42 cent) ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde partij], wonende te [adres benadeelde partij], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 144 dagen hechtenis. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Heeft de veroordeelde voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van EUR 7.213,42 ten behoeve van de benadeelde partij, dan vervalt de verplichting om dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Dit geldt ook omgekeerd: heeft de veroordeelde de vordering van de benadeelde partij betaald, dan vervalt de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. Kiezebrink, voorzitter, Duitemeijer en Griffioen, in tegenwoordigheid van Den Held, als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 februari 2007.