Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2007:AZ6818

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
23-01-2007
Datum publicatie
23-01-2007
Zaaknummer
18/630194-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich onder andere schuldig gemaakt aan 1) opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houden, gepleegd door twee of meer verenigde personen en 2) mensenhandel, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Namens verdachte is het verweer gevoerd dat het OM ten onrechte bij een weigerachtige getuige dwangmiddelen (aanhouding en in verzekeringstelling) heeft toegepast. Dit verweer is door de rechtbank verworpen gelet op de feitelijke gang van zaken waaruit volgt dat deze getuige terecht en op goede gronden tot twee keer toe als verdachte is aangemerkt. Voorts is overwogen dat deze getuige uiteindelijk in vrijheid haar verklaringen heeft afgelegd.

Met betrekking tot de vrijheidsberoving is overwogen dat de stelling van verdachte dat het puur om fysieke vrijheidsbeneming moet gaan geen steun in het recht vindt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/630194-06

datum uitspraak: 23 januari 2007

op tegenspraak

raadsman: mr. B.P.M. Canoy

vonnis van de rechtbank te Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte],

thans preventief gedetineerd in [detentieadres verdachte].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

06 juli 2006, 03 oktober 2006, 30 november 2006 en 09 januari 2007.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd: dat

hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2005 t/m 23 maart 2006 te

Groningen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk één of meer personen, (onder meer) [slachtoffer 1],

wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, met het

oogmerk (een) ander(en), te weten die [slachtoffer 1] en/of een of meer

anderen, te dwingen iets te doen of niet te doen, immers heeft hij, verdachte

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (onder

meer) die [slachtoffer 1] opgesloten (gehouden) in de woning [adres verdachte]

en/of (onder meer door haar te schoppen en/of (onder meer

met stokken) te slaan (op haar hoofd en/of lichaam) en/of te bedreigen (onder

meer door haar met een kussensloop om de hals de adem te ontnemen) gedwongen

(onder meer) te gaan werken als prostituee,

althans mensenhandel in vereniging gepleegd en/of (meermalen) mishandeling in

vereniging en/of bedreiging in vereniging, (grotendeels) zelfde feitencomplex.

Nadere omschrijving tenlastelegging ex artikel 314a Wetboek van Strafvordering

De officier van justitie heeft, op de aangehouden terechtzitting van 30 november 2006, gevorderd dat de tenlastelegging als volgt nader zal worden omschreven:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 23 maart 2006, in de gemeente Groningen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft hij, verdachte, toen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet

- die [slachtoffer 1] opgesloten (gehouden) in de woning [adres verdachte], en/of

- die [slachtoffer 1] onder meer geschopt en/of (onder meer met stokken) op haar hoofd en/of lichaam geslagen en/of bedreigd (onder mee door haar met een kussensloop om de hals de adem te ontnemen),

althans die [slachtoffer 1] (tegen haar wil) in de woning [adres verdachte] vastgehouden en/of tegengehouden en/of belemmerd om weg te gaan, althans verhinderd zich te verwijderen van de plaats waar genoemde [slachtoffer 1] zich bevind;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2005 tot en met 23 maart 2006, in de gemeente Groningen, meermalen, althans eenmaal, (telken) tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,

een ander, te weten [slachtoffer 1] door dwang, geweld, of een andere feitelijkheid of door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, en/of door misbruik van een kwetsbare positie,

- heeft/hebben (aan)geworven en/of gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting (in de prostitutie) van die [slachtoffer 1], en/of

- heeft/hebben gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, en/of

- heeft/hebben gedwongen danwel heeft/hebben bewogen verdachte en/of verdachtes mededader te bevoordelen uit de opbrengst van haar ([slachtoffer 1]) seksuele handelingen met of voor een derde,

en/of

opzettelijk voordeel heeft/hebben getrokken uit de uitbuiting (in de prostitutie) van die [slachtoffer 1],

bestaande die dwang en/of dat geweld en/of die andere feitelijkheid en/of die dreiging met geweld en/of die andere feitelijkheid en/of dat misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of dat misbruik van een kwetsbare positie en/of dat voordeel trekken (onder meer) hieruit dat verdachte en/of zijn mededader (telkens)

- die [slachtoffer 1] onderdak heeft/hebben geboden en/of is/zijn gaan samenwonen met die [slachtoffer 1], en/of

- tegen die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezegd dat zij ([slachtoffer 1]) een aantrekkelijk meisje was en/of dat zij ([slachtoffer 1]) speciaal voor verdachte en/of zijn medeverdachte was en/of dat zij ([slachtoffer 1]) veel geld kon verdienen door sex te hebben met mannen, en/of

- tegen die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezegd dat zij ([slachtoffer 1]) naakt moest rondlopen in de woning zodat zij ([slachtoffer 1]) er aan kon wennen om naakt rond te lopen, en/of

- met die [slachtoffer 1] een (seksuele) relatie is/zijn aangegaan. en/of

- die [slachtoffer 1] ertoe heeft/hebben gebracht een tatoeage op haar lichaam (achter in de nek) te laten zetten/plaatsen, bestaande uit de naam, althans een of meer letters van de naam van verdachte en/of zijn mededader, en/of

- die [slachtoffer 1] naar een of meer plaatsen (woningen) heeft/hebben gebracht/doen brengen, alwaar zij als prostituee moest en/of ging werken en/of die [slachtoffer 1] in zijn/hun (verdachtes en/of verdachtes mededader) woning als prostituee heeft/hebben doen en/of laten werken, en/of

- die [slachtoffer 1] al haar verdiensten, althans een aanzienlijk deel daarvan, heeft/hebben laten afgeven aan verdachte en/of zijn mededader, en/of

- die [slachtoffer 1] heeft/hebben geschopt en/of getrapt en/of gestompt en/of geslagen en/of met een of meer stokken heeft/hebben geslagen en/of een heet/warm (metalen) gedeelte van een aansteker tegen de anus en/of clitoris heeft/hebben gehouden/gedrukt en/of laten houden/drukken en/of een kussensloop om de nek/hals van die [slachtoffer 1] heeft/hebben gelegd en/of (vervolgens) die kussensloop met kracht heeft/hebben aangetrokken en/of as in de mond van die [slachtoffer 1] heeft/hebben gegooid/gestopt, en/of

- die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezegd dat verdachte en/of zijn mededader, voor haar ([slachtoffer 1]) een bod van 15.000 euro had(den) gekregen van buitenlandse mannen waarvoor zij ([slachtoffer 1]) moest werken in de sex, en/of dat zij niet moest vluchten anders kwam verdachte en/of zijn mededader haar achterna en zou(den) verdachte en/of zijn mededader haar vermoorden, en/of

- die [slachtoffer 1] dreigen een mes tegen haar (voor)hoofd en/of lip heeft/hebben gezet en/of gehouden, en/of

- de OV-jaarkaart en/of de telefoon en/of de bankpas van die [slachtoffer 1] heeft/hebben afgepakt en/of de SIM-kaart uit die telefoon heeft/hebben gehaald en/of met die bankpas en de daarbij behorende pincode meermalen, althans eenmaal, tegen de wil van die [slachtoffer 1] een of meer geldbedragen van de rekening van die [slachtoffer 1] heeft/hebben gehaald, en/of

- tegen die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezegd dat zij ([slachtoffer 1]) niet zonder zijn/hun toestemming de woning mocht verlaten, en/of

- die [slachtoffer 1] in een door verdachte en/of zijn mededader gecontroleerde situatie heeft gehouden;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 ten en met 23 maart 2006, in de gemeente Groningen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, (telkens) met dat opzet die genoemde [slachtoffer 1] heeft/hebben geschopt en/of getrapt en/of gestompt en/of geslagen en/of met een of meer stokken tegen/op het hoofd, althans op het lichaam, heeft/hebben geslagen en/of een heet/warm (metalen) gedeelte van een aansteker tegen de anus en/of clitoris heeft/hebben gehouden/gedrukt en/of laten houden/drukken en/of een kussensloop om de nek/hals van die [slachtoffer 1] heeft/hebben gelegd en/of (vervolgens) die kussensloop met kracht heeft/hebben aangetrokken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 23 maart 2006, in de gemeente Groningen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk mishandelend een persoon genaamd [slachtoffer 1], heeft/hebben geschopt en/of getrapt en/of gestompt en/of geslagen en/of met een of meer stokken tegen/op het hoofd, althans op het lichaam, heeft/hebben geslagen en/of een heet/warm (metalen) gedeelte van een aansteker tegen de anus en/of clitoris heeft/hebben gehouden/gedrukt en/of laten houden/drukken en/of een kussensloop om de nek/hals van die [slachtoffer 1] heeft/hebben gelegd en/of (vervolgens) die kussensloop met kracht heeft/hebben aangetrokken,

waardoor voornoemde [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

Deze vordering is door de rechtbank op de terechtzitting van 30 november 2006, gehoord de raadsman, toegewezen.

Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie

De raadsman van verdachte heeft - samengevat en zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. Ten aanzien van [slachtoffer 2] (verder: [slachtoffer 2]) zijn op 03 april 2006 in het vooronderzoek door de politie en het openbaar ministerie ten onrechte, want zonder grond, aanhouding en inverzekeringstelling als dwangmiddelen toegepast met als doel van haar als weigerachtige getuige belastende verklaringen te verkrijgen die nodig waren voor het onderbouwen van de ernstige bezwaren en later voor het bewijs van de aan verdachte tenlastegelegde feiten. Dit levert een ernstige schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde op, waarbij doelbewust althans met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte tekort is gedaan aan het recht van verdachte op een behoorlijke behandeling van zijn zaak.

Een en ander brengt naar de mening van de raadsman mee dat het openbaar ministerie niet in zijn vervolging van de verdachte kan worden ontvangen. Subsidiair bepleit de raadsman dat de door [slachtoffer 2] voornoemd vanaf 03 april 2006 bij de politie afgelegde verklaringen wegens vorenomschreven verzuim als onrechtmatig verkregen bewijs bij de beoordeling van de zaak buiten beschouwing dienen te worden gelaten.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is, voor zover hier van belang, het volgende komen vast te staan.

Op 23 maart 2006 is verdachte, samen met de medeverdachte [medeverdachte] (verder: [medeverdachte]; gezamenlijk ook aan te duiden met 'verdachten'), met toestemming van de officier van justitie in de woning aan de [adres verdachte] te Groningen aangehouden ter zake van vermoedelijke overtreding van de artikelen 279, 280 en 282 Wetboek van Strafrecht. Bij die gelegenheid zijn ook twee in de woning aangetroffen vrouwen, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] (verder: [slachtoffer 2]), aangehouden wegens mogelijke betrokkenheid bij een of meer van de hiervoor bedoelde strafbare feiten. [slachtoffer 1] heeft vervolgens tegenover de politie aangifte gedaan tegen de verdachten wegens bedreiging, mishandeling en mensenhandel/uitbuiting. [slachtoffer 2] heeft tegenover de politie ontkend dat zij betrokken was bij de aan de verdachten verweten strafbare feiten. Zij heeft toen geen aangifte tegen de verdachten gedaan en overigens verklaard dat zij [slachtoffer 1] een keer heeft geslagen en geschopt nadat [slachtoffer 1] 5 euro van haar had weggenomen. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zijn na hun voorgeleiding voor een hulpofficier van justitie en na overleg met de officier van justitie op 23 maart 2006 in vrijheid gesteld en werden niet langer verdacht van het plegen van strafbare feiten.

Het onderzoeksteam van de politie en de officier van justitie hadden op dat moment al sterk het vermoeden dat [slachtoffer 2] zelf ook slachtoffer van het handelen van de verdachten was. Men besloot [slachtoffer 2] later nogmaals te benaderen om te bezien of zij alsnog omtrent haar slachtofferschap een verklaring wenste af te leggen en haar, indien mogelijk, hulp te bieden.

Met dit doel is [slachtoffer 2] op 28 maart 2006 benaderd door een opsporingsambtenaar, [verbalisant], die in een, op dezelfde dag opgemaakt proces-verbaal, heeft gerelateerd, wat [slachtoffer 2] hem heeft verteld. Uit dit proces-verbaal blijkt, voor zover van belang, dat [slachtoffer 2] verklaard geen aangifte te willen doen ter zake van door de verdachten jegens haar gepleegde strafbare feiten omdat zij bang voor de verdachten was. Voorts is in dat proces-verbaal vermeld dat [slachtoffer 2] heeft verklaard - kort gezegd - dat zij een keer meegeweest is toen verdachten en [slachtoffer 1] naar mannen gingen en [slachtoffer 1] zich prostitueerde.

Met name dit laatste vormde voor de officier van justitie aanleiding [slachtoffer 2] wederom als verdachte te doen aanmerken en (aanvankelijk mondeling, later schriftelijk) toestemming te geven haar te doen aanhouden op verdenking van een redelijk vermoeden van schuld in verband met het medeplegen van mensenhandel. Op 03 april 2006 is [slachtoffer 2] aangehouden en vervolgens inverzekering gesteld. Zij heeft daarna een aantal verklaringen als verdachte afgelegd waarin zij steeds meer belastend jegens de verdachten heeft verklaard. Op 5 april 2006 heeft [slachtoffer 2] aangifte gedaan tegen de verdachten wegens door hen jegens haar gepleegde strafbare feiten. [slachtoffer 2] is vervolgens in vrijheid gesteld en heeft later bij de rechter-commissaris - onder uitdrukkelijke mededeling dat zij bij de rechter-commissaris in volle vrijheid verklaarde - volhard bij de door haar vanaf 03 april 2006 tegenover de politie afgelegde verklaringen.

Uit de hierboven geschetste gang van zaken blijkt, anders dan de raadsman van verdachte betoogt, niet dat in het vooronderzoek jegens verdachte sprake is van vormverzuimen. Met name blijkt daar niet uit dat het voor de tweede maal aanmerken van [slachtoffer 2] als verdachte, gevolgd door haar aanhouding en inverzekeringstelling, zonder enige rechtsgrond was en slechts was ingegeven door de wens van politie en justitie door [slachtoffer 2] afgelegde, de verdachten belastende, verklaringen te verkrijgen (die zij na haar eerste aanhouding op 23 maart 2006 niet had afgelegd). Op grond van voormelde mededeling van [slachtoffer 2] op 28 maart 2006 tegenover [verbalisant] kon de officier van justitie in redelijkheid menen dat [slachtoffer 2] opnieuw als verdachte diende te worden aanmerkt. Dat de daarbij betrokken hulpofficier van justitie en/of enkele opsporingsambtenaren daar op dat moment wellicht anders over dachten, doet daar niet aan af. Ook het feit dat [slachtoffer 2] zelf na haar tweede aanhouding heeft verklaard - kort gezegd - zich door haar tweede aanhouding o.a. door de politie onder druk gezet te voelen, zich gedwongen voelde tot het afleggen van een verklaring omtrent het handelen van de verdachten, maakt dit oordeel niet anders. Voor wat betreft de inhoud van deze verklaringen merkt de rechtbank nogmaals op dat [slachtoffer 2] daarbij heeft volhard toen zij in vrijheid bij de rechter-commissaris verklaarde.

De conclusie moet dan ook luiden dat van vormverzuimen als door de raadsman is gesteld (daargelaten wat daar overigens ook van zij) niet is gebleken. De door de raadsman bepleite sancties, niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, subsidiair uitsluiting van gebruik voor het bewijs van de door [slachtoffer 2] bij de politie op 04 april 2006 en later afgelegde verklaringen, behoeven derhalve geen verdere bespreking.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat de onder 1, onder 2 en onder 3 primair tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

Primair heeft de officier van justitie verzocht de behandeling van de zaak, na bewezenverklaring van de feiten, te heropenen en door te verwijzen naar de rechter-commissaris, opdat verdachte en [medeverdachte] gelijktijdig in het Pieter Baan Centrum geobserveerd kunnen worden, zodat de mogelijkheid van het opleggen van een TBS-maatregel onderzocht kan worden.

Subsidiair heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, onder 2 en onder 3 primair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarde verplicht contact met de reclassering.

Bewijsoverweging

Verdachte heeft ter terechtzitting en in zijn eerdere verklaringen ontkend dat hij de onder 1, onder 2 en onder 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan. De rechtbank acht deze feiten (met betrekking tot feit 3: primair) wel wettig en overtuigend bewezen en overweegt daartoe het volgende.

Met betrekking tot feit 1 is de rechtbank van oordeel dat verdachte en [medeverdachte] [slachtoffer 1] hebben opgesloten in hun woning. De raadsman van verdachte heeft betoogd dat er geen sprake is geweest van vrijheidsberoving, omdat [slachtoffer 1] feitelijke mogelijkheden heeft gehad om de woning te verlaten. Kennelijk bedoelt de raadsman hiermee dat slechts sprake is van vrijheidsberoving, indien iemand puur fysiek wordt vastgehouden. Deze opvatting vindt geen steun in het recht. De omstandigheden waaronder [slachtoffer 1] in de woning verbleef tonen juist onomstotelijk aan dat zij van haar vrijheid beroofd was. Zij mocht immers niet zonder toestemming de woning verlaten, zij werd zowel binnenshuis als buitenshuis begeleid door verdachte, [medeverdachte] en/of [slachtoffer 2] en bovendien werd er geweld toegepast om [slachtoffer 1] te laten handelen zoals de verdachten wensten. Deze gang van zaken blijkt uit de consistente en gedetailleerde verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en bovendien heeft de moeder van [naam verdachte], [getuige 1], verklaard dat haar zoon tegen haar heeft gezegd dat zijn vriendin (waarmee [slachtoffer 1] bedoeld werd) voor haar eigen veiligheid zat opgesloten in de woning van de verdachten. Ook de vader van verdachte, [getuige 2], heeft verklaard dat hij dit begrepen heeft van zijn zoon. [getuige 1] heeft tevens [slachtoffer 1] in de woning gezien en verklaart daarover dat zij een totaal apathisch meisje aantrof. Deze verklaringen worden versterkt door de verklaring van de buurman van de verdachten, de heer [getuige 3], die zegt dat hij [slachtoffer 1] nooit alleen buiten zag lopen. Als hij haar al buiten de woning zag, was zij altijd in het gezelschap van verdachte en leek zij wel een hond, zoals zij hem volgde.

Met betrekking tot feiten 2 en 3 is de rechtbank van oordeel dat verdachte en [medeverdachte] zich schuldig hebben gemaakt aan mensenhandel en een poging tot zware mishandeling. Door verschillende feitelijkheden hebben de verdachten [slachtoffer 1] gedwongen tot het ondergaan dan wel verrichten van seksuele handelingen. Ook bij deze feiten heeft de rechtbank haar bewezenverklaring gestoeld op de consistente en gedetailleerde verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Uit die verklaringen wordt duidelijk hoe [slachtoffer 1] in eerste instantie veel steun kreeg van verdachten en bij hen mocht verblijven voor de tijd dat dat nodig was. Geleidelijk aan werd haar duidelijk gemaakt dat de door haar gemaakte kosten terugbetaald diende te worden en zo werd [slachtoffer 1] gedwongen zich in ieder geval drie keer te prostitueren, terwijl het daarmee verdiende geld geheel naar de verdachten ging. Ook [getuige 4] heeft duidelijk verklaard dat hij, na langdurig aandringen door verdachten, geld heeft betaald om zich seksueel te laten bevredigen door [slachtoffer 1]. Door de manier waarop [slachtoffer 1] zich prostitueerde kan niet gezegd worden dat zij dit uit vrije wil heeft gedaan. Verdachten hebben toegegeven dat naar aanleiding van het feit dat [slachtoffer 1] 5 euro had gepakt (om de begrafenis van haar oom bij te wonen, waarvoor ze geen toestemming had gekregen van verdachten en waarvan zij de reis niet zelf kon betalen, aangezien zij niet beschikte over financiële middelen) een ruzie is geweest, waarbij er volgens verdachten niet meer is gebeurd dan wat duwen en trekken. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] verklaren beiden echter zeer gedetailleerd en overeenkomstig over de gewelddadigheden, welke tijdens die ruzie hebben plaatsgevonden. [slachtoffer 1] werd flink geslagen en geschopt en daarbij werd zelfs gebruik gemaakt van stokken en is tevens een kussensloop om de nek/hals van [slachtoffer 1] gelegd en aangetrokken. [slachtoffer 2] werd bij deze ruzie gedwongen om [slachtoffer 1] een klap te geven. [getuige 5] verklaart ook wat [slachtoffer 2] hierover tegen haar zegt en met name het feit dat [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [getuige 5] alle drie verklaren over de asbak die [slachtoffer 1] leeg heeft moeten eten, dan wel over de asbak die leeg werd gegooid in [slachtoffer 1] mond, maakt de verklaringen van verdachte ongeloofwaardig.

Verdachte heeft gezegd dat hij inderdaad geld heeft opgenomen met de bankpas van [slachtoffer 1], maar dat dit op haar verzoek was en dat zeker niet al het geld wat daarbij werd opgenomen bestemd was voor de verdachten. Uit de hele gang van zaken, zoals deze naar voren komt uit de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], acht de rechtbank deze verklaring van verdachte, op de punten dat hij het geld op verzoek van [slachtoffer 1] van haar rekening haalde en dat niet al het opgenomen geld voor verdachten bestemd was, onbetrouwbaar. De rechtbank acht de lezing dat [slachtoffer 1] haar bankpas en pincode af heeft moeten geven en dat de verdachten zich het opgenomen geld vervolgens toe-eigenden geloofwaardiger. Ditzelfde geldt voor het afnemen van haar OV-jaarkaart, waarbij de lezing van verdachte dat deze kaart op zijn kamer lag, omdat daar nu eenmaal alle bezittingen van [slachtoffer 1] lagen, door de rechtbank onbetrouwbaar wordt geacht.

In het algemeen merkt de rechtbank op dat zij de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] betrouwbaar acht. De verdachten hebben aangegeven dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een motief hadden om belastend tegenover de verdachten te verklaren, nu zij op die manier een schadevergoeding zouden kunnen vragen en zo geld van de verdachten kunnen krijgen. Uit niets is gebleken dat deze vrouwen hun verklaringen vanwege deze redenen hebben afgelegd. Ook overigens is de rechtbank gebleken dat een motief tot het afleggen van valse verklaringen ontbreekt, nu de vrouwen juist heel angstig waren om belastend tegenover de verdachten te verklaren en ook verder geen belang lijken te hebben bij het openbaar worden van alle informatie.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, onder 2 en onder 3 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 23 maart 2006, in de gemeente Groningen, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer 1], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft hij, verdachte, toen tezamen en in vereniging met een ander, met dat opzet

- die [slachtoffer 1] opgesloten (gehouden) in de woning aan de [adres verdachte], en

- die [slachtoffer 1] onder meer geschopt en/of (onder meer met stokken) op haar hoofd en/of lichaam geslagen en/of bedreigd (onder mee door haar met een kussensloop om de hals de adem te ontnemen);

2.

hij in de periode van 1 augustus 2005 tot en met 23 maart 2006, in de gemeente Groningen, meermalen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een ander, te weten [slachtoffer 1] door dwang, geweld, of een andere feitelijkheid en door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, en door misbruik van een kwetsbare positie,

- hebben en/of gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting (in de prostitutie) van die [slachtoffer 1], en

- hebben gedwongen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van diensten, en

- hebben gedwongen verdachte en verdachtes mededader te bevoordelen uit de opbrengst van haar ([slachtoffer 1]) seksuele handelingen met of voor een derde,

en

opzettelijk voordeel hebben getrokken uit de uitbuiting (in de prostitutie) van die [slachtoffer 1],

bestaande die dwang en dat geweld en die andere feitelijkheid en dat misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en dat misbruik van een kwetsbare positie en dat voordeel trekken (onder meer) hieruit dat verdachte en/of zijn mededader

- die [slachtoffer 1] onderdak hebben geboden en

- tegen die [slachtoffer 1] hebben gezegd dat zij ([slachtoffer 1]) een aantrekkelijk meisje was en dat zij ([slachtoffer 1]) speciaal voor verdachte en/of zijn medeverdachte was en dat zij ([slachtoffer 1]) veel geld kon verdienen door seks te hebben met mannen, en

- tegen die [slachtoffer 1] hebben gezegd dat zij ([slachtoffer 1]) naakt moest rondlopen in de woning zodat zij ([slachtoffer 1]) er aan kon wennen om naakt rond te lopen, en/of

- met die [slachtoffer 1] een (seksuele) relatie zijn aangegaan, en/of

- die [slachtoffer 1] naar een of meer plaatsen (woningen) hebben gebracht/doen brengen, alwaar zij als prostituee moest en/of ging werken en/of die [slachtoffer 1] in zijn/hun (verdachtes en/of verdachtes mededader) woning als prostituee hebben doen en/of laten werken, en/of

- die [slachtoffer 1] al haar verdiensten, althans een aanzienlijk deel daarvan, hebben laten afgeven aan verdachte en zijn mededader, en/of

- die [slachtoffer 1] hebben geschopt en/of getrapt en/of gestompt en/of geslagen en/of met een of meer stokken hebben geslagen en/of een heet/warm (metalen) gedeelte van een aansteker tegen de anus en/of clitoris hebben gehouden/gedrukt en/of laten houden/drukken en/of een kussensloop om de nek/hals van die [slachtoffer 1] hebben gelegd en/of (vervolgens) die kussensloop met kracht hebben aangetrokken en/of as in de mond van die [slachtoffer 1] hebben gegooid/gestopt, en/of

- die [slachtoffer 1] hebben gezegd dat verdachte en/of zijn mededader, voor haar ([slachtoffer 1]) een bod van 15.000 euro had(den) gekregen van buitenlandse mannen waarvoor zij ([slachtoffer 1]) moest werken in de seks, en/of dat zij niet moest vluchten anders kwam verdachte en/of zijn mededader haar achterna en zou(den) verdachte en/of zijn mededader haar vermoorden, en

- die [slachtoffer 1] dreigend een mes tegen haar (voor)hoofd en/of lip heeft/hebben gezet en/of gehouden, en/of

- de OV-jaarkaart en de bankpas van die [slachtoffer 1] hebben afgepakt en met die bankpas en de daarbij behorende pincode meermalen, althans eenmaal, tegen de wil van die [slachtoffer 1] een of meer geldbedragen van de rekening van die [slachtoffer 1] hebben gehaald, en/of

- tegen die [slachtoffer 1] hebben gezegd dat zij ([slachtoffer 1]) niet zonder hun toestemming de woning mocht verlaten, en/of

- die [slachtoffer 1] in een door verdachte en zijn mededader gecontroleerde situatie heeft gehouden;

3.

hij in de periode van 1 januari 2006 ten en met 23 maart 2006, in de gemeente Groningen, meermalen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die genoemde [slachtoffer 1] hebben geschopt en/of getrapt en/of gestompt en/of geslagen en/of met een of meer stokken tegen/op het hoofd, althans op het lichaam, hebben geslagen en/of een heet/warm (metalen) gedeelte van een aansteker tegen de anus en/of clitoris hebben gehouden/gedrukt en/of laten houden/drukken en/of een kussensloop om de nek/hals van die [slachtoffer 1] hebben gelegd en/of (vervolgens) die kussensloop met kracht hebben aangetrokken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Door een kennelijke vergissing staat in het onder 1 tenlastegelegde, achter het eerste gedachtestreepje "in de woning [adres verdachte]" in plaats van "in de woning aan de [adres verdachte]". De rechtbank gaat van het laatste uit. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Kwalificatie

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard levert de volgende strafbare feiten op:

1.

Opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houden, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

2.

Mensenhandel, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

3. primair

Poging zware mishandeling, gepleegd door twee of meer personen.

Feiten 2 en 3 vormen een eendaadse samenloop.

Strafbaarheid van verdachte

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank gelet op de psychiatrische onderzoeksrapportage d.d. 17 juli 2006, opgemaakt door drs. M. J. van der Werf, psychiater in opleiding, en dr. T.W.D.P. van Os, psychiater en vast gerechtelijk deskundige.

De conclusies van dit rapport luiden, zakelijk weergegeven, dat er bij verdachte waarschijnlijk sprake is van een ontwikkelingsstoornis, te weten een pervasieve ontwikkelingsstoornis niet anders omschreven, dan wel sprake van een zich ontwikkelende persoonlijkheidsstoornis niet anders omschreven, met antisociale en afhankelijke trekken, dan wel sprake van beide. Hierdoor is verdachte onvoldoende in staat om zich aan de negatieve invloedssfeer van [medeverdachte] te onttrekken. Voorts concluderen de deskundigen dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is.

De rechtbank kan zich met deze conclusies verenigen en neemt deze over.

De rechtbank acht verdachte derhalve strafbaar, nu ten opzichte van verdachte ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Verzoek officier van justitie tot heropening

De officier van justitie heeft verzocht de behandeling van de zaak, na bewezenverklaring van de feiten, bij tussenbeslissing te heropenen en de zaak te verwijzen naar de rechter-commissaris, opdat verdachte en [medeverdachte] gelijktijdig geobserveerd kunnen worden in het Pieter Baan Centrum, teneinde de mogelijkheid van het opleggen van een TBS-maatregel te onderzoeken. De officier van justitie heeft hierbij aangegeven dat hij een groot gevaar van recidive vreest en dat hij de maatschappij wil beschermen tegen beide verdachten. Tevens wil hij de verhouding van verdachten onderling laten onderzoeken. Daar beide verdachten met name ontkennende verklaringen afleggen acht de officier van justitie het van belang dat de observatie ná bewezenverklaring van de feiten plaatsvindt. Om die reden is dit verzoek niet op een eerdere terechtzitting gedaan.

De rechtbank acht zich voldoende geïnformeerd om op dit moment een beslissing te geven omtrent de aan verdachte op te leggen straf en ziet geen noodzaak tot observatie en rapportage door deskundigen, als door de officier van justitie verzocht. De rechtbank heeft hierbij gelet op de rapportage van de deskundigen, zoals hierboven aan de orde gekomen, waarin geconcludeerd wordt dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is. De deskundigen, door wie verdachte onderzocht is, hebben daarbij niets aangegeven over de eventuele wenselijkheid van observatie in het Pieter baan Centrum.

Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het verzoek van de officier van justitie zal afwijzen.

Vrijheidsstraf

Op grond van het bovenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat een deels onvoorwaardelijke en deels voorwaardelijke vrijheidsstraf moet worden opgelegd.

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hoogte hiervan in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachten hebben gezamenlijk ernstige feiten gepleegd, waarbij geweld niet geschuwd werd. De rechtbank vindt het onder andere erg kwalijk dat beide verdachten gewaarschuwd waren. In augustus 2005 zijn zij voor soortgelijke feiten aangehouden en hebben zij enige tijd in voorlopige hechtenis doorgebracht. Nadat zij weer in vrijheid waren gesteld, zijn zij op gelijke voet verdergegaan, alsof er niets gebeurd was. Op het moment dat verdachte werd berecht voor die oudere feiten (de zaak tegen [medeverdachte] werd toen aangehouden en is gelijktijdig met onderhavige zaak behandeld) hielden verdachten [slachtoffer 1] opgesloten in hun huis.

Op geen enkele manier is gebleken dat verdachten inzicht hebben in de ernst van de door hen gepleegde feiten. Ook blijkt in het geheel niet dat zij spijt hebben van het leed dat zij de vrouwen hebben berokkend. De verdachten hebben volkomen respectloos ten aanzien van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gehandeld en ook op de zitting hebben zij blijk gegeven van dit totale gebrek aan respect voor jonge vrouwen in het algemeen. De gepleegde feiten hebben veel negatieve gevolgen voor de vrouwen en de verdachten hebben juist vrouwen uitgezocht die het moeilijk hadden en daardoor gevoelig zijn voor de in eerste instantie mooie beloften.

Mede gelet op de rapportage betreffende het psychiatrisch onderzoek bij verdachte, is de rechtbank ervan overtuigd dat verdachte onder druk stond van [medeverdachte], ook al wordt dit door verdachte zelf ten stelligste ontkend. Uit de verklaringen van [slachtoffer 1] en [salchtoffer 2] wordt duidelijk dat verdachte steeds vaker door [medeverdachte] geslagen werd en dat daarbij ook gebruik werd gemaakt van een stalen pijp of een tuinslang. Verdachte had daarbij kennelijk ontzettende pijn, want hij gilde het uit als een meisje. De rechtbank is van oordeel dat [medeverdachte] misbruik maakt van het enorme overwicht dat hij heeft op verdachte. De rechtbank is derhalve van oordeel dat verdachte een lagere straf verdient dan [medeverdachte]. De rechtbank heeft hierbij mede gelet op het feit dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan één feit minder dan [medeverdachte].

De rechtbank zal, gelet op het vorenstaande, een langdurige vrijheidsstraf opleggen. Gelet op de straf die verdachte voor het oude soortgelijke feit heeft gekregen, zal de rechtbank een wat kortere gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie geëist.

De rechtbank zal een deel van de vrijheidsstraf voorwaardelijk opleggen, met als doel dat verdachte enige motivatie zal hebben om niet te recidiveren. Gezien de persoonlijkheidsproblematiek die verdachte heeft, wordt hier tevens een bijzondere voorwaarde aan verbonden, inhoudende dat verdachte verplicht contact met de reclassering onderhoudt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 47, 55, 57, 273a (oud, thans 273f), 282 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

- wijst het verzoek van de officier van justitie tot heropening van de behandeling van de zaak en verwijzing naar de rechter-commissaris af.

- verklaart het onder 1, onder 2 en onder 3 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.

- verklaart het meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

- verklaart verdachte voor het bewezenverklaarde strafbaar.

- veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere straf in mindering is gebracht.

Bepaalt dat van deze straf een gedeelte, groot 6 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de op twee jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging ook kan worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich gedurende de proeftijd gedragen naar voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens Reclassering Nederland, zolang deze instelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt. Draagt deze instelling op om de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarde.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. M. Griffioen, voorzitter, W. Duitemeijer en L.H.A.M. Voncken, in tegenwoordigheid van mr. A. Hertogs, als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 januari 2007.