Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2006:AZ7497

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
04-12-2006
Datum publicatie
02-02-2007
Zaaknummer
307238 EJ VERZ 06-1142
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij een (korte) duur van het dienstverband van nog geen vijf jaren, bestaat niet een toegenomen zorgplicht van de werkgever voor de werknemer bestaat die recht geeft op een ontbindingsvergoeding gebaseerd op een dubbeltelling van het aantal dienstjaren na het 50ste levensjaar van de werknemer. Het is dan niet (vooral) de werkgever geweest die de werknemer aan zich heeft gebonden en minder geschikt heeft laten worden voor mogelijke latere werkgevers. Naar het oordeel van de kantonrechter wordt hierdoor niet voorbij gegaan aan de strekking van de zogenaamde kantonrechtersformule. Deze ziet immers op de duur van de arbeidsverhouding (loyaliteit), terwijl leeftijd daarbij een rol kan gaan spelen (zorgplicht werkgever). Het belonen voor loyaliteit en het nakomen van de zorgplicht in het ondderling verband zijn legitieme doelen, op grond waarvan onderscheid naar leeftijd gemaakt kan worden. Voor het maken van een dergelijk onderscheid is in de onderhavige zaak echter geen rechtsgrond en moet afgezien worden van een enkele rekenkundige toepassing van de leeftijdsgebonden correctiefactor uit de kantonrechtersformule.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 685
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2007/24
JIN 2007/101
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector kanton

Locatie Groningen

Zaak/rolnummer: 307238 EJ VERZ 06-1142

Beschikking d.d. 4 december 2006

inzake

[verzoeker], h.o.d.n. [onderneming],

wonende en zaakdoende te Eelde,

verzoeker,

gemachtigde: mevrouw mr. J.M.M. Bakker, werkzaam bij NAU Consultants te Assen (postbus 433, 9400 AK),

tegen

[verweerder],

wonende te [adres],

verweerder,

gemachtigde: mr. J. Keizer, werkzaam bij FNV Bondgenoten te Groningen (postbus 11047, 9700 CA).

PROCESGANG

1. Bij verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen ter griffie op 23 oktober 2006, heeft verzoeker, hierna [verzoeker] te noemen de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst met verweerder, hierna [verweerder] te noemen, te ontbinden wegens gewichtige redenen bestaande uit een zodanige verandering van de omstandigheden dat beëindiging van het dienstverband op korte termijn noodzakelijk moet worden geacht.

[verweerder] heeft een verweerschrift met bijlagen ingediend ter griffie op 17 november 2006 en een tegenverzoek gedaan inhoudende de ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een verstoorde arbeidsverhouding.

Vervolgens heeft [verzoeker] nog een productie in het geding gebracht.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 november 2006 te Groningen. Beide partijen hebben hun standpunten nader toegelicht bij monde van hun gemachtigden. De gemachtigde van [verzoeker] heeft pleitaantekeningen overgelegd. Van het verder verhandelde heeft de griffier aantekeningen gemaakt die bij de processtukken zijn gevoegd.

De beschikking is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

De feiten

2. Als gesteld en erkend, dan wel als niet of onvoldoende weersproken, alsmede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud der overgelegde producties staat het volgende vast.

2.1. [verzoeker] houdt zich bezig met de verkoop en het onderhoud van tweedehands auto’s (occasions) en APK-keuringen en exploiteert een benzinestation.

2.2. [verweerder], geboren op 22 november 1950, is op 1 december 2001 op 51-jarige leeftijd in dienst getreden van [verzoeker] en laatstelijk werkzaam geweest als magazijnmedewerker voor 30 uren per week voor € 1.376,32 bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag.

2.3. Op 28 februari 2006 heeft [verzoeker] aan [verweerder] een concept van een ontslagaanvraag voor een procedure bij de CWI verstrekt.

2.4. [verweerder] heeft zich op 14 maart 2006 ziek gemeld. Op 24 maart 2006 heeft de arbo-arts hem arbeidsongeschikt geacht, veroorzaakt door het dreigende ontslag.

2.5. Op 11 mei, 22 juni en 22 augustus 2006 acht de arbo-arts [verweerder] arbeidsongeschikt en aangepaste werkhervatting niet mogelijk. Hij constateert psychische problemen naar aanleiding van de ontslagaanvraag.

2.6. Op 25 september 2006 heeft de CWI toestemming verleend de arbeidsverhouding op te zeggen. De CWI heeft onder meer overwogen:

Alhoewel ik begrijp dat niet alle werkzaamheden van werknemer door automatisering en technologische veranderingen komen te vervallen, heeft werkgever besloten de overige werkzaamhedendoor monteurs te laten overnemen, omdat het financieel niet rendabel voor werkgever is om de functie van werknemer in stand te houden. Ik merk op dat de wijze waarop werkgever zijn organisatie wenst aan te passen behoort tot de hem toekomende beleidsvrijheid en slechts marginaal door mij wordt getoetst. De beslissing van werkgever om de functie om die reden te laten vervallen komt mij niet onredelijk voor.

2.7. Op 3 oktober 2006 acht de arbo-arts [verweerder] arbeidsongeschikt.

Het standpunt van [verzoeker]

3. [verweerder] is op 51 jarige leeftijd, deels uit sociale motieven, aangenomen.

Door automatisering is een eigen voorraad en magazijn niet meer nodig en is het werk van [verweerder] ingrijpend veranderd. [verweerder] heeft niet de kennis en vaardigheden om met de computer om te gaan. Zijn resterende werkzaamheden kunnen door andere werknemers erbij worden gedaan.

Door [verweerder] is nooit over overuren gesproken en om betaling van dergelijke uren is nimmer gevraagd.

De reden voor het ontslag heeft niet te maken met de arbeidsongeschiktheid van [verweerder].

Het koffertjessysteem wordt door [verzoeker] nog steeds, zij het in een andere opzet, en naar tevredenheid gebruikt en tijdens de ziekte van [verweerder] zijn de resterende werkzaamheden van [verweerder] door anderen probleemloos gedaan.

De teruglopende omzet dwingt tot het terugbrengen van de loonkosten. [verzoeker] richt zich op occasions zodat verkoopcijfers van nieuwe auto’s niet relevant zijn.

Het standpunt van [verweerder]

4. [verweerder] is niet op grond van sociale motieven door [verzoeker] in dienst genomen. Hij heeft geen nieuwe technologische ontwikkelingen meegemaakt en steeds voldoende werk gehad en [verweerder] heeft zelfs wel moeten overwerken. Het zogenaamde koffertjessysteem is geprobeerd maar vervolgens weer afgeschaft. De facturen die door [verzoeker] als bewijs worden overgelegd zijn van augustus en betreffen een fractie van de grote hoeveelheid onderdelen en materialen die door [verweerder] werden geregeld voor de monteurs van [verzoeker]. [verweerder] beschikt over las- en automonteurdiploma’s en kan dus ander werk doen bij [verzoeker]. Eind februari en begin maart 2006 heeft [verzoeker] bij [verweerder] bij voortduring aangedrongen op het ondertekenen van een verklaring van geen bezwaar voor ontslag wegens een bedrijfseconomische noodzaak.

De bedrijfseconomische noodzaak is door [verzoeker] niet voldoende onderbouwd. Cijfers voor 2006 ontbreken. Bovendien is sprake van een aantrekkende automarkt.

De beoordeling

5. De kantonrechter heeft zich er van vergewist dat het verzoek geen verband houdt met een van de ontslagverboden.

6. De kantonrechter is van oordeel dat de beslissing van de CWI waar het een oordeel over de bedrijfseconomische noodzaak betreft, een zekere status heeft en behoort te houden en dat in beginsel de procedure bij de kantonrechter wat dat aangaat niet als een “hoger beroep” van de CWI-beslissing gezien moet worden. Dit betekent naar het oordeel van de kantonrechter dat hij in beginsel de beslissing van de CWI waar het de bedrijfseconomische noodzaak betreft zal volgen. Een reden om dat niet te doen zou kunnen zijn dat de CWI het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden, dat de CWI evident onjuist heeft geoordeeld of dat na de beslissing nieuwe omstandigheden zijn bekend geworden. Gesteld noch anderszins gebleken is dat iets dergelijks zich in de onderhavige zaak heeft voorgedaan. De uitgewisselde argumenten op het punt van de bedrijfseconomische noodzaak zijn dezelfde als die in de CWI-procedure zijn gehoord.

7. [verweerder] heeft aangevoerd dat [verzoeker] een verwijt gemaakt kan worden van de verstoorde arbeidsrelatie die is ontstaan doordat [verzoeker] [verweerder] onder druk heeft gezet om een verklaring van geen bezwaar te tekenen en doordat [verzoeker] boos is geworden op [verweerder] nadat die zich had voorzien van bijstand door zijn huidige gemachtigde. De kantonrechter kan op grond van hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd en weersproken niet een verwijt vaststellen bij [verzoeker] waaraan financiële consequenties verbonden zouden moeten worden. Vast staat dat er communicatieproblemen zijn ontstaan, maar ook staat vast dat [verzoeker] [verweerder] heeft geïnformeerd over het voorgenomen ontslag wegens een bedrijfseconomische noodzaak. [verzoeker] begrijpt dat een dergelijk bericht de gevolgen kan hebben die het voor [verweerder] heeft gehad, maar zonder meer ligt daarin niet een verwijt aan het adres van [verzoeker]. Dat [verzoeker] heeft getreuzeld met de CWI-procedure en de onderhavige procedure is niet aantoonbaar ten nadele van [verweerder] gekomen.

8. Wanneer de bedrijfseconomische noodzaak voor ontslag vast staat en er geen rechtens relevant verwijt aan [verzoeker] te maken valt, is in beginsel een ontslagvergoeding op grond van de neutrale kantonrechtersformule (C=1) aan de orde. Daarover heeft [verzoeker] aangevoerd, onder verwijzing naar de zogenaamde “Groen-variant”, dat een lagere vergoeding op zijn plaats is omdat [verweerder] na zijn 50ste levensjaar in dienst is gekomen, te berekenen door de dienstjaren van [verweerder] niet dubbel te tellen.

De kantonrechter is van oordeel dat er voor [verzoeker], gelet op de duur van het dienstverband van nog geen vijf jaren, niet een toegenomen zorgplicht ten aanzien van [verweerder] bestaat die recht geeft op een ontbindingsvergoeding gebaseerd op een dubbeltelling van het aantal dienstjaren na het 50ste levensjaar van [verweerder]. Het is immers niet (vooral) [verzoeker] als werkgever geweest die [verweerder] aan zich heeft gebonden en minder geschikt heeft laten worden voor mogelijke latere werkgevers. Naar het oordeel van de kantonrechter wordt hierdoor niet voorbij gegaan aan de strekking van de zogenaamde kantonrechtersformule. Deze heeft, gelet op het in de Toelichting op de Aanbevelingen bij Aanbeveling 3.2. gegeven voorbeeld, immers het oog op het relateren van de ontslagvergoeding aan de duur van de arbeidsverhouding (beloning voor loyaliteit), terwijl leeftijd daarbij, juist door die lange duur, een rol kan gaan spelen (en de werkgever een zorgplicht krijgt ten opzichte van de oudere werknemer). Naar het oordeel van de kantonrechter zijn het belonen voor loyaliteit en het nakomen van de zorgplicht in dat verband legitieme doelen, op grond waarvan onderscheid naar leeftijd gemaakt kan worden. Voor het maken van een dergelijk onderscheid is in de onderhavige zaak echter geen rechtsgrond en moet afgezien worden van een enkele rekenkundige toepassing van de leeftijdsgebonden correctiefactor uit de kantonrechtersformule.

9. De slotsom is dat [verweerder] ten laste van [verzoeker] een ontslagvergoeding zal worden toegekend van € 7.500,00 (afgerond). Dat [verweerder] recht heeft gehad op zijn salaris gedurende de tijd dat [verzoeker] heeft getreuzeld met het aanhangig maken van de CWI-procedure en de onderhavige zaak, spreekt vanzelf en heeft [verzoeker] aan zichzelf te wijten. De proceskosten zullen worden gecompenseerd. [verzoeker] krijgt een termijn zijn verzoek in te trekken.

B E S L I S S I N G

De kantonrechter:

stelt [verzoeker] in de gelegenheid haar verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in te trekken uiterlijk op vrijdag 15 december 2006;

en indien het verzoek wordt gehandhaafd:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 januari 2007 onder toekenning van een vergoeding aan [verweerder] ten laste van [verzoeker] van bruto € 7.500,00;

compenseert de kosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gewezen door mr. R.Tj. Terpstra, kantonrechter, en op 4 december 2006 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

coll.:

typ: RTjT