Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2006:AZ5742

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
27-12-2006
Datum publicatie
09-01-2007
Zaaknummer
86077/JE RK 06-269 en 89273/JE RK 06-704
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

BJZ heeft besloten om de plaatsing van de minderjarige in het pleeggezin te beëindigen.

De pleegouders hebben schorsing van dit besluit verzocht en verkregen.

Tussen het kind en zijn vader is door de kinderrechter een omgangsregeling vastgesteld.

In het algemeen is het in het belang van al langere tijd in een pleeggezin geplaatste kinderen, dat de plaatsing vanuit het oogpunt van hechting, continuïteit en zekerheid niet wordt doorbroken.

Hiervan kan alleen onder zeer bijzondere omstandigheden worden afgeweken. Bovendien mag overplaatsing geen enkel voorzienbaar risico voor de minderjarige met zich mee brengen.

Gemotiveerd wordt waarom de beslissing van BJZ om de plaatsing van de minderjarige in het pleeggezin te beëindigen niet in het belang is van de minderjarige. Het risico dat overplaatsing naar zijn vader ernstige schade aan de ontwikkeling van de minderjarige zal toebrengen is te groot.

Het besluit van BJZ wordt vernietigd.

Het ter zitting gedane verzoek van BJZ tot verlenging van de uithuisplaatsing van de minderjarige voor de duur van de ondertoezichtstelling wordt toegewezen.

Overwogen wordt nog, dat het in het belang is van de minderjarige dat BJZ de vastgestelde omgangsregeling tussen het kind en zijn vader bevordert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

zaaknr.: 86077/JE RK 06-269 en 89273/JE RK 06-704

beschikking d.d. 27 december 2006

in de gevoegde zaken van:

de pleegouders,

vertegenwoordigd door mr. M. Kramer,

en

de STICHTING BUREAU JEUGDZORG GRONINGEN,

inzake

de minderjarige A.,

De vader is belast met het gezag over voornoemde minderjarige.

PROCESVERLOOP

Op 31 maart 2006 heeft het Bureau Jeugdzorg Groningen (hierna BJz) een besluit (op grond

van artikel 1: 263 lid 1, BW) genomen tot beëindiging, met ingang van 11 mei 2006, van de uithuisplaatsing van voornoemde minderjarige.

Bij brief van 5 april 2006 hebben de pleegouders een verzoek tot schorsing van voormeld besluit tot de kinderrechter gericht.

Op 24 mei 2006 heeft de kinderrechter een tussenbeschikking gegeven in de schorsingszaak, waarbij het verzoek van de pleegouders is toegewezen.

Op 7 juni 2006 heeft de kinderrechter een tussenbeschikking gegeven (uithuisplaatsing verlengd tot 26 november 2006).

Op 28 juni 2006 heeft de kinderrechter een tussenbeschikking gegeven (schorsingszaak), waarbij de kinderrechter de GGz heeft verzocht een onderzoek te doen verrichten als in de rechtsoverwegingen is geformuleerd en naar aanleiding daarvan rapport en advies uit te brengen.

Op 26 juli 2006 heeft de kinderrechter een tussenbeschikking gegeven (schorsingszaak),

waarin zij aanvullende vraagstelling heeft geformuleerd en het GGz verzoekt daaromtrent een onderzoek te verrichten en naar aanleiding daarvan rapport en advies op te maken.

Bij beschikking van 2 augustus 2006 (ondertoezichtstelling/uithuisplaatsing) heeft de kinderrechter een tussenbeschikking gegeven, waarbij een omgangsregeling tussen [de minderjarige] en zijn vader is vastgesteld van één maal per 14 dagen een hele dag van 10.00 uur tot 19.00 uur. Voorts heeft de kinderrechter bepaald dat in overleg tussendoor nog omgang kan plaatsvinden bij de pleegouders of bij de vader.

Bij beschikking van 21 november 2006 (ondertoezichtstelling/uithuisplaatsing) heeft de kinderrechter de termijn van de uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 26 november 2006 voorlopig verlengd tot 4 januari 2007.

Op 8 november 2006 zijn de op 3 november 2006 gedateerde onderzoeksrapportages van het Ggz Groningen Zuid ontvangen.

Ter griffie is een op 7 november 2006 gedateerde brief van de pleegouders ontvangen.

Op 24 november 2006 is ter griffie een faxbericht met bijlagen van mr. M. Kramer, de advocaat van de pleegouders, ontvangen.

Ter griffie is een op 25 november 2006 gedateerd advies van dr. A.M. Weterings, de bijzondere curator van [de minderjarige], ontvangen, .

Op 28 november 2006 is ter griffie een op 28 november 2006 gedateerde brief met bijlagen van de Base groep ontvangen.

Op 28 november 2006 is ter griffie een op 28 november 2006 gedateerde brief van mevrouw W. Hoek, curator van de moeder van de minderjarige ontvangen.

Op 29 november 2006 is ter griffie een op 27 november 2006 gedateerde brief met bijlagen van dr. A.M. Weterings, bijzondere curator van de minderjarige ontvangen.

Op 4 december 2006 is ter griffie een brief met bijlagen van het GGz Groningen Zuid ontvangen.

De behandeling van onderhavige zaak is voortgezet door de meervoudige familiekamer ter zitting met gesloten deuren van 4 december 2006.

Verschenen zijn de pleegouders en hun raadsvrouw, mr. M. Kramer, mevrouw H. de Jong namens Bjz, mevrouw A.I.van Dijk, namens de Raad voor de Kinderbescherming, de vader en zijn echtgenote, de moeder en haar curator, mevrouw W. Hoek en mevrouw Bakker namens Base Groep Pleegzorg

Ter zitting is door mr. Kramer, advocaat van de pleegouders, een pleitnota overgelegd.

Het Bjz heeft ter zitting mondeling verzocht –voor zover nodig- de uithuisplaatsing van de minderjarige te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

RECHTSOVERWEGINGEN

De rechtbank neemt over hetgeen is overwogen en beslist in eerdergenoemde beschikkingen.

Standpunt van de vader

De vader heeft naar voren gebracht dat hij geen gevolg heeft gegeven aan de mogelijkheid om frequent telefonisch contact met [de minderjarige] te onderhouden, omdat hij een dergelijk contact te onpersoonlijk vindt.

Ook heeft de door de kinderrechter bij beschikking vastgestelde omgangsregeling niet plaatsgevonden, omdat deze naar zijn mening te veel spanningen met zich mee zou brengen voor zijn gezin. Ook de stopzetting van de omgangsregeling veroorzaakte bij hem en zijn echtgenote en hun dochtertje spanningen.

De vader stelt desgevraagd, dat hij niet weet welk effect het wegvallen van contact op [de minderjarige] heeft. Hij veronderstelt dat het wel moeilijk voor [de minderjarige] zal zijn om hem na zo’n lange periode weer te zien. Aan hem wordt echter ook niet gevraagd welk effect het ontbreken van contact op hem heeft.

Vader heeft gesteld dat hij nooit heeft gezegd dat hij niet mee wilde werken aan het onderzoek door de GGz. Hij had wel aarzelingen. Bij een vorig onderzoek is gezegd, dat onderzocht zou worden of [de minderjarige] bij hem geplaatst kon worden. Daarvan is niet veel terechtgekomen. Hij had daarom weinig vertrouwen meer.

Tenslotte heeft de vader naar voren gebracht, dat hij graag wil dat [de minderjarige] in zijn gezin komt wonen. Als het niet goed gaat, is hij bereid om mee te werken aan terugplaatsing in het pleeggezin. In dat geval wil hij geen vaste bezoekregeling meer.

Bij plaatsing van [de minderjarige] in zijn gezin is wel begeleiding nodig.

Hij verwacht dat de overplaatsing van [de minderjarige] naar zijn gezin een drama zal zijn.

Standpunt van de pleegouders

De inhoud van de pleitnotitie wordt hier als ingelast beschouwd. Daarin wordt geconcludeerd dat vaststaat dat overplaatsing voor [de minderjarige] negatieve gevolgen zal hebben voor zijn hechting. Daarnaast zijn er overige reële risico’s, waarbij wordt gesteld dat het verlies van hechtingsfiguren dermate ingrijpend voor [de minderjarige] zal zijn dat dit gevolgen heeft voor zijn sociaal-emotionele ontwikkeling. Tevens is het zeer de vraag of de omgang met zijn moeder is gewaarborgd, gezien het beladen verleden van de ouders. Ook is het de vraag of de omgang met zijn pleegouders gewaarborgd zal zijn in verband met de “alles of niets”opstelling van de vader ten opzichte van de omgang. Als overige risicofactoren worden genoemd de draagkracht van de stiefmoeder van [de minderjarige] en de verwachtingen van zijn vader ten aanzien van [de minderjarige]. Ter zitting wordt nog opgemerkt dat nergens uit blijkt dat de vader oog heeft voor de risico’s van eventuele plaatsing van [de minderjarige] bij hem.

Door deze risico’s zal een plaatsing bij de vader moeizaam worden danwel mislukken.

[de minderjarige] maakt thans een goede ontwikkeling door in het pleeggezin en heeft zich aan zijn pleegouders gehecht. Een wijziging in de verblijfplaats van [de minderjarige] ten gunste van zijn vader is naar de mening van de pleegouders geenszins in het belang van de ontwikkeling van [de minderjarige], welk standpunt wordt ondersteund door de bijzondere curator, de Pleegzorg, de Basegroep, de moeder van [de minderjarige] (en haar curator) en wordt onderschreven door jurisprudentie van de Hoge Raad.

Voorts is namens de pleegouders naar voren gebracht dat de vader bij de behandeling ter zitting van de omgangsregeling niet aanwezig was, evenmin als bij de evaluatie van het hulpverleningsprogramma.

De pleegmoeder heeft ter zitting desgevraagd aangegeven dat zij altijd bereid is om [de minderjarige] weer in haar gezin op te nemen, mocht een eventuele plaatsing in het gezin van de vader mislopen.

Standpunt Bjz

Mevrouw De Jong antwoordt namens Bjz desgevraagd, dat mocht de plaatsing van [de minderjarige] bij de vader mislukken, [de minderjarige] weer terug kan naar de pleegouders, aangezien hij het meest aan zijn pleegouders is gehecht. Dat zou de beste oplossing zijn. In dat geval is een adoptieve opstelling van de pleegouders prima. Plaatsing van [de minderjarige] in een ander pleeggezin zou extra schadelijk zijn. Voorts brengt mevrouw De Jong naar voren dat Bjz nog steeds van mening is dat [de minderjarige] recht heeft om bij zijn vader op te groeien. Zes jaar is een goede leeftijd om een overplaatsing aan te kunnen. Wel zal er heel veel steun voor de ouders en pleegouders moeten komen.

De kern van het werk van Bjz is de opdracht om te onderzoeken of het kind kan opgroeien bij de eigen ouders.

Het huilen, schoppen en slaan van [de minderjarige] en het bedplassen zijn signalen dat hij in een loyaliteitsconflict is verwikkeld. Het kind zit in de knel. Het is belangrijk voor hem dat er duidelijkheid komt.

Toen in juli het contact tussen [de minderjarige] en de vader is verbroken, heeft Bjz verder contact met opzet niet bevorderd, maar begrip getoond voor het standpunt van de vader om spanningen te voorkomen.

Ten aanzien van het standpunt van dr. Weterings dat [de minderjarige] niet in een loyaliteitsconflict verkeert, maar bang is om zijn pleegouders te verliezen, stelt mevrouw De Jong, dat [de minderjarige] voelt dat er wat gaat gebeuren. Hij heeft daar last van en dat is zichtbaar.

Standpunt van de Raad

Namens de Raad is naar voren gebracht dat de pleegouders, toen de vader het gezag kreeg, hebben aangegeven bang te zijn dat de vader [de minderjarige] zou opeisen. Op dat moment had de pleegouders de te volgen weg al duidelijk moeten worden gemaakt. Dat is niet gebeurd.

Het is duidelijk dat de spanningsboog van de vader niet erg groot is. Hij kan een en ander niet goed aan en weet niet hoe het nu verder moet. Het is jammer dat Bjz de vader niet op zijn plicht tot omgang heeft gewezen.

De Raad is van mening dat bij de besluitvorming het recht van kinderen op te groeien bij de biologische ouders zwaar moet wegen. Als er echter geen uitgebreide begeleiding bij de overplaatsing kan plaatsvinden, kan van overplaatsing geen sprake zijn.

In het geval dat [de minderjarige] bij de pleegouders blijft, moet er een wezenlijke omgangsregeling komen tussen de vader en [de minderjarige]. Als de vader daaraan geen gevolg geeft, is hij niet veel waard als vader.

De Raad kan zich vinden in de rapportage van mevrouw Franssen.

Het is een algemeen aanvaard uitgangspunt dat als een kind goed gehecht is, het ook andere hechtingsrelaties aankan. Echter voor [de minderjarige] is toestemming van de pleegouders nodig om zich opnieuw te hechten. De Raad vraagt zich af of de pleegouders daartoe in staat zijn.

Als [de minderjarige] nu bij de vader geplaatst zou worden, heeft dit het karakter van een crisisuithuisplaatsing. Hoewel de vader heeft getoond dat hij moeite heeft met tegenslagen, wil dit nog niet zeggen dat hij geen goede vader is.

Alles staat en valt met hoe er in het gezin van de vader met een overplaatsing wordt omgegaan. Het is de vraag of de vader dat kan bieden. De overgang van [de minderjarige] naar zijn vader kan alleen in vrede gebeuren als zowel de vader als de pleegouders met elkaar samenwerken.

Mevrouw Bakker namens Base Groep Pleegzorg.

Het gaat hier om het belang van [de minderjarige]. [de minderjarige] is goed gehecht in het pleeggezin en heeft recht op continuïteit. Vervolgens kan een omgangsregeling tussen [de minderjarige] en zijn vader worden opgebouwd of spontaan plaatsvinden.

Het verzet van [de minderjarige] tegen de omgangsregeling bestond nog niet toen de vader in het kader daarvan in het pleeggezin kwam.

Op het moment dat de vader het gezag kreeg is er een spanningsveld ontstaan.

Er was pas sprake van verzet toen over plaatsing bij de vader gesproken werd. Ook is een omgangsregeling van een weekend te belastend voor [de minderjarige]. Een kortere omgangsregeling verloopt veel beter.

Het Bjz staat dubbel ten opzichte van de pleegouders. Als het niet goed bij de vader zou gaan dan zijn zij opeens wel goed genoeg.

De moeder en mevrouw A. Hoek, curator

Namens de moeder is gesteld dat het voor de moeder erg belangrijk is dat [de minderjarige] opgroeit in een stabiel pleeggezin. Zij is van mening dat [de minderjarige] thans op de juiste plek zit. Zij is het niet eens met het beeld dat in het rapport van de GGz van de pleegouders wordt geschetst.

Voorts stelt zij dat de pleegouders respect voor haar hebben als biologische moeder.

Ook is zij bang dat de bezoekregeling een probleem wordt als [de minderjarige] bij de vader wordt geplaatst. Zij zal [de minderjarige] nooit bij de vader thuis bezoeken, omdat er te veel tussen haar en de vader is gebeurd in het verleden.

Dr. A.M. Weterings, de bijzondere curator.

De bijzondere curator is van mening dat de conclusie van het GGz, dat de vader en zijn vrouw niet ongeschikt zijn voor verzorging en opvoeding van [de minderjarige], omdat er bij hen geen psychische beperkingen zijn geconstateerd, niet wil zeggen dat het in [de minderjarige]s belang is door hen opgevoed te worden.

Hierbij spelen naar haar mening de volgende factoren een rol.

De vader legt de oorzaak van het feit dat hij tot nu toe geen goede band met zijn zoon heeft kunnen opbouwen steeds bij anderen neer. Hij neemt zelf geen verantwoordelijkheid en initiatief. Op dit moment wil hij zelfs helemaal geen bezoekregeling meer. Het resultaat is dat hij en [de minderjarige] elkaar al vier maanden niet hebben gezien, terwijl het de bedoeling was van de GGz [de minderjarige] bij de vader te plaatsen.

Op deze manier wordt er geen enkele vertrouwdheid met zijn vader voor [de minderjarige] gecreëerd.

Ten aanzien van de conclusie van Bjz dat de negatieve reactie van [de minderjarige] op de bezoekweekenden bij de vader het gevolg zijn van de (negatieve) houding van de pleegouders ten opzichte van de vader merkt de bijzondere curator op, dat het omgekeerde eerder het geval is; de vader toont expliciet zijn negatieve houding ten opzichte van de pleegouders, gelet op zijn uitlatingen tijdens het onderzoek van de GGz. Ook heeft hij de pleegouders nepouders genoemd, waaruit blijkt dat hij de band die [de minderjarige] met de pleegouders heeft, niet erkent.

Zowel Bjz als GGz interpreteren het verzet van [de minderjarige] tegen de bezoeken aan de vader als veroorzaakt door de houding van de pleegouders en ontkennen positieve punten als door de Base-groep naar voren gebracht. Deze negatieve interpretatie stelt naar haar mening de pleegouders in een slecht daglicht, alsof het hun schuld is dat [de minderjarige] zich niet goed aan zijn vader bindt. Noch andere factoren, noch de houding van de vader worden zelfs maar in overweging genomen.

Ten aanzien van het verzet van [de minderjarige] tijdens de omgangsregeling merkt de bijzondere curator op dat uit alle rapportages blijkt dat [de minderjarige] een goed functionerend kind is. Extreem oppositioneel gedrag wordt niet genoemd. Het voortduren van het extreme gedrag van [de minderjarige] voor en na de bezoeken aan zijn vader is een teken dat het kind in zijn bestaan wordt bedreigd. [de minderjarige] wordt iedere maand geconfronteerd met de acute bedreiging om zijn pleegouders te verliezen, omdat hij bang is dat hij bij zijn vader moet wonen. [de minderjarige] heeft uitdrukkelijk gezegd dat hij wel bij zijn vader op bezoek wil, maar daar niet wil slapen en niet wil wonen.

Bjz en GGz ontkennen derhalve volkomen, dat een kind dat zijn hele leven bij pleegouders heeft gewoond, hen als zijn ouders beschouwt in emotionele zin. Het idee dat hij hen zal verliezen is een trauma. Hij lijdt aan bestaansangst. Zijn gevoelens worden ontkend als zijn eigen gevoelens, maar worden gezien als door zijn pleegouders geïndiceerde gevoelens. De reacties van [de minderjarige] zijn te diepgaand en te fundamenteel om deze af te doen als oppositioneel gedrag.

Naar de mening van de bijzondere curator is over de volgende onderwerpen wetenschappelijk geen discussie meer.

Voor een geestelijke gezonde persoonlijkheidsontwikkeling is continuïteit van de relatie tussen het kind en zijn primaire verzorger een voorwaarde. Discontinuïteit door afbreken van een dergelijke relatie, heeft met name bij een jong kind negatieve gevolgen voor de persoonlijkheidsontwikkeling, die zelfs irreversibel kunnen zijn.

Door de duurzaamheid van de relatie tussen het kind en zijn primaire verzorger ontwikkelt het kind vertrouwen in de ander en in zichzelf en krijgt hij een gevoel van eigenwaarde. Het kind gaat zich veilig voelen door de gegeven aandacht en structuur. In deze interactie ontstaat de hechtings/en opvoedingsrelatie aan de primaire verzorger.

Voor een jong kind heeft een “ bloedband” nog geen betekenis: een kind hecht zich aan degene die goed voor hem is. Pas later in de ontwikkeling gaat dit in verband met de identiteitsontwikkeling een rol spelen. Maar dan nog betekent dit niet dat het kind door de ouder opgevoed wil worden.

Loyaliteit van het kind naar een volwassene ontstaat als deze volwassene het kind geeft wat hij nodig heeft aan verzorging, aandacht, liefde, leiding en stimulans. Het kind wordt loyaal in emotionele zin als hij de liefde en de aandacht van deze volwassenen heeft ontvangen en wil behouden.

De bijzondere curator is van mening dat een hechtingsrelatie met de vader niet in gang kan worden gezet door emotionele toestemming van zijn pleegouders om een relatie met de vader aan te gaan; ook kan een duidelijke stimulans van de pleegouders om bij zijn vader te gaan wonen voor [de minderjarige] een “verraad” betekenen; een signaal dat de pleegouders hem kwijt willen. Door het verlies van de pleegouders als zijn primaire opvoeders zal het vanzelfsprekende vertrouwen in hen – en daarmee in andere volwassenen- worden

aangetast.

Het gevolg hiervan is dat [de minderjarige] niet als vanzelf een hechtingsrelatie met een andere volwassene zal ontwikkelen – en juist niet met zijn vader, omdat deze hem al zoveel verdriet en angst heeft bezorgd.

Al met al concludeert de bijzondere curator dat de plaatsing bij de vader alleen negatieve gevolgen voor [de minderjarige] heeft en daarmee niet in zijn ontwikkelingsbelang is. Het zal een zeer groot risico betekenen voor de ontwikkeling van een geestelijk gezonde persoonlijkheid, een risico dat niet genomen behoeft te worden als [de minderjarige] bij zijn huidige pleegouders kan opgroeien. Het contact tussen de moeder en [de minderjarige] loopt naar ieders tevredenheid en kan gehandhaafd blijven. Het contact met de vader is door de houding van de vader problematisch. Het zou echter goed zijn als de vader zodanig begeleid kan worden dat hij op een voor [de minderjarige] plezierige manier contact met hem kan hebben. Op die manier zou hij een positieve bijdrage kunnen leveren aan diens ontwikkeling.

Rapportage pro justitia-civiel GGz Groningen Zuid

De GGz heeft de bij beschikking van 26 juli 2006 door de kinderrechter geformuleerde vragen, alsmede de vragen van dr. A.M. Weterings, de bijzondere curator, als volgt beantwoord.

1. Hoe is het gesteld met de sociaal-emotionele ontwikkeling van [de minderjarige] ?

Uit de rapportage komt naar voren dat [de minderjarige] als eigenzinnig kan worden omschreven. Hij stelt prijs op een eigen vertrouwde omgeving, vooral omdat hij graag de zaken in eigen hand heeft. Op minder vertrouwd terrein kiest hij liever voor aanpassing omdat hij geen problemen wil en hij wil met iedereen goed overweg kunnen om spanningen te vermijden.

2. Hoe is het gesteld met het hechtingsproces en de hechtingsmogelijkheden van [de minderjarige] ?

Volgens het rapport van de GGz is [de minderjarige] veilig gehecht aan zijn pleegouders. Van scheidingsangst is geen sprake. De moeite die [de minderjarige] had om bij een bezoek aan zijn vader afscheid te nemen leek vooral voort te komen uit de moeite die de pleegouders hadden om afscheid van hem te nemen, uit angst hem aan zijn vader kwijt te raken.

Voorts wordt gesteld dat [de minderjarige]’s goede gehechtheid aan zijn pleegouders het voor hem mogelijk maakt zich weer opnieuw te gaan hechten, zeker als het om zijn eigen vader gaat. Om de hechting zo spoedig mogelijk te laten verlopen, is het van belang dat hij daarvoor de instemming van zijn pleegouders krijgt.

3. Hoe is de band tussen [de minderjarige] en zijn pleegouders ?

Volgens de rapportage is de band tussen [de minderjarige] en zijn pleegouders hecht, maar heeft deze ook symbiotische trekken. De pleegouders (m.n. pleegmoeder) denken dat [de minderjarige] niet zonder hun aanwezigheid kan en [de minderjarige] op zijn beurt, die graag de situatie in eigen hand heeft, heeft graag zijn pleegouders in de buurt. Dit heeft er o.a. toe geleid dat [de minderjarige] op zijn vierde nog elke nacht bij zijn pleegouders in bed sliep en hij tot een half jaar geleden nooit buiten de deur speelde. Ook gaf dit aanleiding tot dramatische taferelen bij het afscheid nemen van zijn pleegouders, wanneer hij voor een bezoek naar zijn vader ging.

Op grond van het bovenstaande kan volgens de GGz gesteld worden dat de hechte band tussen [de minderjarige] en zijn pleegouders zijn ontwikkeling tot emotioneel onafhankelijk functioneren in de weg staat.

4. Hoe is de band tussen [de minderjarige] en zijn biologische ouders ?

Ten aanzien van de band tussen [de minderjarige] en zijn vader stelt de GGz dat [de minderjarige] positief tegenover zijn vader ( en stiefmoeder) staat.

Volgens de vader laat [de minderjarige] zich na een afscheid van zijn pleegouders door hem en stiefmoeder troosten.

Voorts wordt geconstateerd dat [de minderjarige] de aandacht van zijn vader toch belangrijk vindt. Hij wil wel naar zijn vader toe, als hij maar niet een nacht hoeft te blijven slapen.

De GGz is van mening dat [de minderjarige] uit loyaliteit ten opzichte van zijn pleegouders, zichzelf niet toestaat de band met zijn vader hecht te laten worden. Toch zal in de eerstkomende jaren –of hij wil of niet- het besef de bloedband met zijn vader te hebben aan hem opdringen.

Een bloedband die op zich geen emotionele band is, maar die door “het er weet van hebben”, wel wordt tot een emotionele band. Een emotionele band die onvermijdelijk loyaliteitsgevoelens met zich meebrengt, waarmee [de minderjarige] niet uit de voeten zal kunnen omdat ze botsen met zijn loyaliteitsgevoelens voor zijn pleegouders.

Daarnaast stelt de GGz dat [de minderjarige] ook tegenover zijn moeder positief staat. Doordat de contacten tussen [de minderjarige] en de moeder voor de pleegouders niet bedreigend zijn, verlopen deze wel ontspannen, hetgeen echter niet wil zeggen dat [de minderjarige] met zijn moeder wel een band heeft opgebouwd. Daarvoor zijn de contacten te weinig frequent.

Echter ook bij een frequenter contact met zijn moeder, zal de moeder vanwege haar beperkingen in [de minderjarige]s leven nooit de allesomvattende rol kunnen spelen die voor de vader wel is weggelegd.

5. Wat is het toekomstperspectief van de verblijfplaats van [de minderjarige] ?

5a.Zijn er contra-indicaties voor opvoeding en verzorging bij de biologische vader, gelet op eventuele psychische problematiek bij de biologische vader en zijn partner?

Blijkens de rapportage van de GGz is er geen sprake van contra-indicaties, aangezien noch bij de vader noch bij zijn partner sprake is van psychische problematiek.

5b.In hoeverre is terugplaatsing ( op korte of lange termijn) in het belang van [de minderjarige]?

De GGz stelt dat plaatsing van [de minderjarige] bij zijn vader om de volgende redenen in zijn belang is:

? Zolang [de minderjarige] bij zijn pleegouders blijft wonen, zal hij geen volwaardige band met zijn vader kunnen opbouwen. Dit zal op den duur leiden tot een loyaliteitsconflict en ten koste gaan van zijn persoonlijkheidsontwikkeling;

? De vader en de stiefmoeder beschikken over voldoende affectieve en pedagogische vaardigheden om [de minderjarige] ruim voldoende liefde en leiding te kunnen bieden;

? De vader en de stiefmoeder zijn beduidend jonger dan de pleegvader en de pleegmoeder. Het leeftijdsverschil kan vooral van belang worden in [de minderjarige]s puberteit en adolescentie;

? Als [de minderjarige] bij zijn pleegouders blijft, zullen de contacten tussen hem en zijn vader gepaard blijven gaan met spanningen. Bjz vreest zelfs dat de vader dan helemaal af zal zien van contact zodat [de minderjarige] zijn vader volledig kwijt zal raken.

Voorts wordt aangegeven dat plaatsing van [de minderjarige] bij zijn vader ook nadelen zal opleveren die echter niet blijvend hoeven te zijn:

? [de minderjarige] zal in het begin zijn pleegouders erg missen, maar komt bij zijn vader niet in een volkomen vreemde omgeving.

? De moeder heeft erg veel moeite met het idee [de minderjarige] bij zijn vader thuis te moeten bezoeken. De vader is bereid daarover met de moeder te praten.

Tenslotte stelt de GGz dat wanneer ervoor gekozen wordt om [de minderjarige] bij zijn vader te plaatsen dit op zo kort mogelijke termijn zal moeten gebeuren. Een overplaatsing van de pleegouders naar de vader door hem langzaam aan vaders gezin te laten wennen, is in het verleden geen succes gebleken.

6. Is hulpverlening aangewezen voor [de minderjarige] en/of zijn biologische vader en partner om plaatsing aldaar te verwezenlijken, zo ja welke ?

Gesteld wordt dat de vader en de stiefmoeder opvoedingsondersteuning nodig hebben om [de minderjarige] te kunnen helpen de grote veranderingen in zijn leven goed aan te kunnen, bijvoorbeeld in de vorm van Intensieve Orthopedagogische Gezinsbehandeling (IOG). Daarbij is het van het grootste belang dat de ondersteuning na de plaatsing van [de minderjarige] bij zijn vader en stiefmoeder direct van start gaat.

Tevens is professionele begeleiding nodig om de contacten tussen [de minderjarige] en zijn pleegouders en [de minderjarige] en zijn moeder in goede banen te leiden.

7. Indien hulpverlening is aangewezen, in welk juridisch kader dient dit plaats te vinden?

Met name de professionele begeleiding van de contacten van [de minderjarige] met zijn moeder en zijn pleegouders moet voorlopig nog plaats vinden in het kader van een ondertoezichtstelling.

8. Welke effecten zijn te verwachten op het huidig functioneren van [de minderjarige] als hij bij zijn vader geplaatst zou worden ?

[de minderjarige] zal zijn pleegouders in het begin erg missen en dat hij zal moet wennen aan een nieuwe school. Hij zal vermoedelijk enige tijd uit zijn evenwicht zijn. [de minderjarige] komt echter niet terecht in een volkomen vreemde omgeving bij hem onbekende verzorgers.

Ook het doorbreken van de continuïteit in de opvoeding kan volgens de GGz niet gezien worden als een doorslaggevend nadeel. Continuïteit is van belang wanneer het kind voorheen weinig continuïteit heeft gekend. Dit is bij [de minderjarige] niet het geval.

9. Welke effecten zijn te verwachten voor de algehele ontwikkelingsstaat van [de minderjarige], met name wat betreft zijn vertrouwen in volwassenen en in zichzelf ?

De GGz brengt in zijn rapport naar voren dat door [de minderjarige] bij zijn vader te plaatsen zijn veilige gehechtheid aan zijn pleegouders wordt verbroken.

Ten aanzien van de stelling van de bijzondere curator dat het verdriet dat [de minderjarige] door het verlies van zijn pleegouders wordt aangedaan, het niet vanzelfsprekend maakt dat hij nog weer een nieuwe relatie zal kunnen en willen aangaan, omdat het aangetaste vertrouwen in zijn pleegouders zijn vertrouwen in volwassenen in het algemeen zal aantasten, waardoor [de minderjarige] in zijn ontwikkeling zal worden geschaad, merkt de GGz het volgende op.

Het GGz is van mening dat [de minderjarige] om zich niet door zijn pleegouders in de steek gelaten te voelen, hun instemming nodig heeft om bij zijn vader te gaan wonen, omdat het voor hem belangrijk is om bij zijn vader te zijn. Met deze toestemming kan hij zich aan zijn vader en stiefmoeder gaan hechten. Gelet op de goede affectieve en pedagogische vaardigheden van de vader en de stiefmoeder zal dit ook gebeuren.

10. Welke effecten zijn te verwachten voor de contacten tussen de moeder en [de minderjarige], die zij beiden als plezierig ervaren ?

Alternatieven voor contacten tussen moeder en [de minderjarige] bij vader thuis, zijn contacten bij de moeder thuis of elders.

11. Welke effecten zijn te verwachten op de relatie tussen [de minderjarige] en zijn pleegouders ?

Omdat [de minderjarige] zijn hele leven bij zijn pleegouders heeft gewoond, zijn zij voor hem in emotionele zin zijn ouders.

Als [de minderjarige] bij zijn vader gaat wonen en zich vervolgens aan hem en zijn stiefmoeder gaat hechten zal de band met zijn pleegouders vanzelf meer naar de achtergrond verdwijnen, hetgeen als een gezonde ontwikkeling kan worden gezien.

BEOORDELING.

In casu ligt de vraag voor of de beslissing van Bjz de uithuisplaatsing van [de minderjarige], en daarmee zijn verblijf in het pleeggezin, te beëindigen in zijn belang moet worden geacht.

De rechtbank stelt voorop dat het in het algemeen in het belang van al langere tijd in pleeggezin geplaatste kinderen is, dat vanuit het oogpunt van hechting, continuïteit en zekerheid deze plaatsing niet wordt doorbroken. Alleen zeer bijzondere omstandigheden kunnen maken dat van dit beginsel wordt afgeweken. Daarbij moet het belang van de minderjarige voorop staan. Dit betekent dat afwijking alleen voor de hand ligt wanneer na zorgvuldige afwegingen van alle concrete voor- en nadelen blijkt dat in het belang van de minderjarige de voordelen zwaarder wegen dan de nadelen.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat overplaatsing geen enkel voorzienbaar risico voor de minderjarige met zich mee mag brengen.

Naar aanleiding van de onderzoeksrapportage van de GGz en hetgeen overigens ter zitting of schriftelijk naar voren is gebracht leidt de rechtbank de volgende voor- en nadelen af van plaatsing van [de minderjarige] bij zijn vader.

Voordelen

* [de minderjarige] groeit op bij zijn vader, waarmee de “bloedband” tussen [de minderjarige] en zijn vader ook feitelijk wordt bevestigd;

* Het is goed voor de identiteitsontwikkeling van kinderen in het algemeen om bij de biologische ouder(s) op te groeien;

* [de minderjarige] is welkom in het gezin van de vader.

Nadelen

* Het is onduidelijk welk effect de overplaatsing op de ontwikkeling van [de minderjarige] zal hebben. De rapporteur van de Ggz is van mening, dat ook al wordt de continuïteit van de verblijfplaats van een kind onderbroken, een veilig gehecht kind zich ook aan andere volwassenen dan aan de oorspronkelijke opvoeders zal kunnen hechten;

De bijzondere curator stelt hier tegenover -en de rechtbank neemt deze stelling over- dat het verlies van een hechtingspersoon een trauma oplevert dat grote schade toebrengt aan de persoonlijkheidsontwikkeling van het kind. Hoe jonger het kind is hoe groter het trauma, omdat het jonge kind nauwelijks strategieën heeft kunnen ontwikkelen om hiermee om te gaan. Voor het jonge kind betekent dit dat het fundamentele vertrouwen dat hij had in de volwassene vanwege zijn veilige gehechtheid, wordt omgezet in een fundamenteel wantrouwen. Het kind is zijn bestaanszekerheid kwijt;

* Uit de rapportage en het overige gestelde kan worden afgeleid dat er een geringe binding is ontstaan tussen [de minderjarige] en de vader. [de minderjarige] wil wel naar zijn vader toe, maar zegt er niet te willen slapen;

* Vader redeneert vanuit zich zelf. Zo vraagt hij zich nauwelijks af wat het stopzetten van de omgangsregeling voor [de minderjarige] betekent; een belcontact met [de minderjarige] wilde hij niet, omdat hij dat te onpersoonlijk vindt en omdat hij dan eerst een van de pleegouders aan de telefoon krijgt. Daarom is er reeds vier maanden geen contact tussen hem en [de minderjarige];

* De vader lijkt weinig draagkracht te hebben. Ook namens de Raad voor de Kinderbescherming is meerdere malen twijfel op dit punt uitgesproken. Het is niet duidelijk hoe de vader en zijn gezin met de reacties van [de minderjarige] op de overplaatsing om zal gaan. Het gezin zal intensieve begeleiding nodig hebben, mede omdat er sprake zal zijn van een abrupte overplaatsing;

* Er is geen goede samenwerking tussen vader en de pleegouders. Alleen op die voorwaarde kan de overgang van [de minderjarige] naar vader soepelverlopen, zonder schadelijke gevolgen voor [de minderjarige];

* Het is niet duidelijk of bij overplaatsing een goede omgangsregeling tussen [de minderjarige] en zijn eerste hechtingsfiguren, de pleegouders, gegarandeerd is;

* Het risico dat de bezoekregeling tussen de moeder en [de minderjarige] gevaar loopt, gelet op de moeizame verhouding tussen de moeder en de vader en het feit dat de moeder absoluut geen contact met de vader wil in verband met de gebeurtenissen in het verleden.

De rechtbank acht op grond van het bovenstaande het risico te groot dat overplaatsing van [de minderjarige] naar zijn vader ernstige schade zal toebrengen aan zijn ontwikkeling. Of een aantal van de genoemde aspecten wellicht zijn veroorzaakt door de opstelling van de vader of pleegouders is naar het oordeel van de rechtbank voor de beslissing in deze niet relevant. Er dient te worden uitgegaan van de feitelijke gegevens.

Niet ter discussie staat dat de situatie van [de minderjarige] bij de pleegouders stabiel is; hij ervaart hen als zijn emotionele ouders, en uit de rapportage blijkt dat de pleegouders zich altijd voor honderd procent voor [de minderjarige] hebben ingezet. De beëindiging van de plaatsing en het beoogde alternatief zijn naar het oordeel van de rechtbank niet in het belang van [de minderjarige].

De rechtbank zal derhalve het besluit van de gezinsvoogdij-instelling van 31 maart 2006 vernietigen.

Dit betekent dat de rechtbank het verzoek van de gezinsvoogdij-instelling zal toewijzen, zoals ter zitting mondeling verzocht- en de uithuisplaatsing van [de minderjarige] verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

Tenslotte overweegt de rechtbank dat het in het belang van [de minderjarige] wordt geacht dat Bjz de door de kinderrechter vastgestelde omgangsregeling tussen [de minderjarige] en zijn vader bevordert, waarbij [de minderjarige] zonder vrees voor wijziging in zijn leefsituatie, zijn biologische vader en zijn gezin kan bezoeken.

BESLISSING

vernietigt het besluit van Bureau Jeugzorg Groningen van 31 maart 2006 tot beeindiging van de uithuisplaatsing van de minderjarige A.;

verlengt de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing van voornoemde minderjarige met ingang van 4 januari 2007 voor de duur van de ondertoezichtstelling, derhalve tot 26 juni 2007;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. K.R. Bosker, voorzitter, D.A. Flinterman en

J.G. Idsardi, en uitgesproken door mr. K.R. Bosker, ter openbare zitting van 27 december 2006, in bijzijn van de griffier.