Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2006:AZ4677

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
19-12-2006
Datum publicatie
02-01-2007
Zaaknummer
89270/FA RK 06-1643
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontheffing van niet in rechte verschenen moeder zonder haar instemming.

Uitgebreide overweging met betrekking tot de voogdijvoorziening, met aandacht voor de positie van de pleegouders.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 254
Burgerlijk Wetboek Boek 1 266
Burgerlijk Wetboek Boek 1 268
Burgerlijk Wetboek Boek 1 275
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2007/66
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector civielrecht

Meervoudige familiekamer

Zaaknummer 89270/FA RK 06-1643

Beschikking d.d. 19 december 2006

in de zaak van:

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, Regio Groningen en Drenthe, locatie Groningen,

9743 AD Groningen, Friesestraatweg 213B,

v e r z o e k e r,

hierna te noemen de Raad,

en

moeder,

niet in rechte verschenen.

PROCESVERLOOP

Bij verzoekschrift d.d. 7 september 2006 heeft de Raad verzocht moeder te ontheffen van het ouderlijk gezag over het minderjarige kind A., met benoeming van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering te Amsterdam (verder te noemen de WSS), tot voogdes.

De rechtbank heeft de zaak behandeld ter zitting met gesloten deuren van 7 november 2006.

Daarbij zijn de pleegvader, de heer R.C.M. Wouters namens de Raad en

mevrouw R.M. Mensinga namens de WSS verschenen en gehoord.

Moeder is - hoewel daartoe op de bij de wet voorgeschreven wijze opgeroepen - niet verschenen.

Ter griffie is op 14 november 2006 een brief van [A.] ontvangen.

RECHTSOVERWEGINGEN

vaststaande feiten:

Moeder is op 28 februari 1993 in de gemeente Lelystad bevallen van [A.].

De biologische vader van [A.] is onbekend.

Moeder heeft het gezag over [A.].

Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Assen d.d. 15 mei 2004 is [A.] onder toezicht van de WSS gesteld. Bij beschikking van dezelfde datum is tevens een (spoed-) machtiging tot uithuisplaatsing van [A.] in een voorziening voor pleegzorg afgegeven.

[A.] is op 9 juni 2005 in een perspectiefbiedend pleeggezin geplaatst.

De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zijn steeds verlengd.

De ondertoezichtstelling loopt door tot 26 april 2007 en de machtiging tot uithuisplaatsing is met ingang van 19 mei 2006 geldig voor de duur van de ondertoezichtstelling.

Op 10 februari 2006 heeft de WSS de Raad verzocht een onderzoek in te stellen naar de wenselijkheid van een verderstrekkende maatregel ten aanzien van [A.].

De Raad heeft een onderzoek ingesteld en heeft naar aanleiding daarvan op

24 augustus 2006 rapport en advies uitgebracht.

De Raad heeft onder meer het volgende gesteld, geconcludeerd en verzocht en heeft hierbij ter zitting gepersisteerd:

Moeder is onmachtig om haar plicht tot verzorging en opvoeding van [A.] te vervullen.

De maatregel van ondertoezichtstelling is onvoldoende om de bedreiging in de ontwikkeling van [A.] als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden. Het belang van [A.] verzet zich niet tegen ontheffing van het gezag van moeder.

[A.] functioneert op een laag niveau; hij heeft een sociaal-emotionele ontwikkelingsachterstand en gedragsproblemen in het autistisch spectrum.

[A.] heeft sedert zijn plaatsing in zijn huidige pleeggezin een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Zijn toekomstperspectief ligt in dat pleeggezin. Gezien het verleden van [A.] - hij heeft een zwervend bestaand geleid - en zijn problematiek, is het niet wenselijk het bindingsproces te onderbreken.

[A.] is een kwetsbaar kind dat extra zorg behoeft.

Moeder bagatelliseert de ernst van de problematiek van [A.] en acht deze extra zorg niet noodzakelijk.

In het kader van de ondertoezichtstelling is geprobeerd om moeder bij de ontwikkeling van [A.] te betrekken. Moeder is de gemaakte afspraken niet nagekomen en heeft het contact met de gezinsvoogdes afgehouden. Moeder heeft tweeëneenhalf jaar rondgezworven en was daardoor voor de gezinsvoogdes niet bereikbaar.

In voormelde periode heeft moeder op geen enkele wijze haar ouderlijk gezag uitgeoefend.

Hierdoor is het niet mogelijk geweest haar te betrekken bij de belangrijke beslissingen, die omtrent [A.] genomen moesten worden.

Moeder is niet in staat gebleken iets aan haar situatie te veranderen. Zij geeft de schuld aan de betrokken instanties en stelt dat deze haar tegenwerken.

Niet te verwachten valt dat er op middellange termijn verbetering in de situatie van moeder zal optreden. Door haar handelwijze konden de doelen met betrekking tot moeder in het kader van de ondertoezichtstelling niet worden gehaald.

Moeder is het niet eens met de plaatsing van [A.] in het pleeggezin. Zij heeft te kennen gegeven [A.] zelf verder te willen opvoeden, ondanks dat zij daartoe de basale middelen ontbeert. Moeder heeft te kennen gegeven het niet eens te zijn met de verzochte ontheffing.

Ontheffing van het gezag van moeder zorgt bij alle betrokkenen voor duidelijkheid omtrent het toekomstperspectief van [A.].

Er zijn geen negatieve effecten van de ontheffing voor [A.] te verwachten.

Zowel de pleegouders als de gezinsvoogdes zijn bereid mee te werken aan herstel van het contact tussen moeder en [A.].

standpunt van de pleegouders:

Het gaat goed met [A.]. Het is een rustig kind. Gedurende het eerste jaar dat hij in het pleeggezin verbleef had [A.] regelmatig fysieke problemen en moest hij in het ziekenhuis worden behandeld. Momenteel is daarvan geen sprake meer. Extra begeleiding voor de problematiek van [A.] is niet nodig.

In het gezin wordt regelmatig over moeder gesproken. Het is in het belang van [A.], dat hij weer contact met zijn moeder heeft. De pleegouders zijn bereid zich daarvoor in te zetten.

standpunt van de WSS:

Het is niet gelukt om (regelmatig) contact met moeder te krijgen. Moeder leidt een zwervend bestaan.

Het is in het belang van [A.], dat het contact met moeder wordt hersteld.

De WSS zal moeder benaderen en haar ondersteunen bij de totstandkoming van het contact met [A.].

beoordeling:

Op grond van art. 1: 266 BW kan de rechtbank een ouder van het ouderlijk gezag over een of meer van zijn/haar kinderen ontheffen indien deze ongeschikt of onmachtig is zijn/haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen en het belang van de minderjarige(n) zich daartegen niet verzet.

het belang van [A.]

Het is in het belang van kinderen, die onder toezicht zijn gesteld en in een pleeggezin zijn geplaatst waarbij thuisplaatsing niet meer mogelijk is, de met onzekerheid gepaard gaande jaarlijkse verlengingen van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing te beëindigen en duidelijkheid te verschaffen over hun opvoedingsperspectief.

Deze duidelijkheid wordt verkregen door het gezag weg te nemen bij de ouder(s) en op te dragen aan de pleegouders dan wel aan de voogdij-instelling, zodat de beslissingen in het kader van de verzorging en opvoeding van de kinderen voortaan worden genomen door of in nauw overleg met diegenen, die de dagelijkse verzorging en opvoeding van de kinderen al geruime tijd op zich hebben genomen en dat ook in de toekomst zullen blijven doen.

Gelet op de inhoud van de overgelegde stukken - met name van het rapport van de Raad - en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, is komen vast te staan, dat het toekomstperspectief van [A.] in het pleeggezin ligt en niet bij moeder.

de ondertoezichtstelling is onvoldoende om de bedreiging als bedoeld in art.1: 254 BW af te wenden

Volgens het bepaalde in art. 1:268 lid 2 onder a BW kan een ouder die zich tegen ontheffing verzet door de rechtbank van het ouderlijk gezag worden ontheven indien na een uithuisplaatsing van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat dat

de ondertoezichtstelling onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in art. 1:254 BW af te wenden, zulks tengevolge van de ongeschiktheid of onmacht van de ouder om zijn/haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen.

Bij de beoordeling van dit criterium dient in het oog te worden gehouden, dat het doel van ondertoezichtstelling, herstel van de opvoedings- en verzorgingsverantwoordelijkheid van de juridische ouder(s), is.

Ook de maatregel van uithuisplaatsing is een instrument om dit doel te bereiken.

Gedurende de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing dient te worden gewerkt aan opheffing van de bedreiging, zoals genoemd in art. 1:254 BW, op grond waarvan de ondertoezichtstelling is uitgesproken.

Indien er geen uitzicht is op opheffing van voornoemde bedreiging en als gevolg daarvan het perspectief van de kinderen voor langere termijn niet meer bij de ouder(s) ligt maar bij de pleegouders, is daarmee aan voornoemd criterium voldaan.

Gelet op hetgeen hiervoor reeds is overwogen met betrekking tot de belangen van [A.] en de onmacht van moeder, is er geen uitzicht op opheffing van genoemde dreiging en ligt als gevolg daarvan het perspectief van [A.] voor langere termijn niet meer bij moeder, maar bij de pleegouders.

ongeschiktheid of onmacht van moeder haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen

Op grond van de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht is naar het oordeel van de rechtbank komen vast te staan, dat moeder onmachtig is om [A.] op te voeden. Zij is niet in staat gebleken om (op termijn) haar opvoedingsplicht te vervullen.

Moeder leidt een zwervend bestaan. Zij kan niet overzien welke schadelijke gevolgen haar leefwijze voor [A.] zou hebben indien zij met diens dagelijkse zorg zou zijn belast.

Moeder heeft geen gebruik gemaakt van de haar geboden mogelijkheden om haar leefwijze te veranderen.

Niet te verwachten valt, dat [A.] in de toekomst bij moeder teruggeplaatst kan worden.

Dit zou ook niet in zijn belang zijn, gezien hetgeen hierboven geschetst is.

Gelet op het hierboven overwogene is de rechtbank van oordeel dat het in het belang is van [A.], dat moeder van het gezag over hem wordt ontheven en dat ook overigens aan de wettelijke vereisten voor ontheffing van het gezag is voldaan, zodat het verzoek wordt toegewezen zoals in het dictum wordt weergegeven.

voogdijvoorziening

Omdat de ontheffing van het ouderlijk gezag van vader en moeder ertoe zal leiden, dat een gezagsvoorziening over [A.] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275 lid 1 BW een voogd te benoemen.

Een ieder die tot uitoefening van de voogdij bereid is kan schriftelijk aan de rechtbank verzoeken met de voogdij te worden belast.

Onder omstandigheden dient de rechtbank bij voorkeur aan degene, die op het tijdstip van het verzoek het kind tenminste een jaar heeft verzorgd en opgevoed en tot voogdij bereid is, tot voogd te benoemen. De pleegouders hebben geen dergelijk schriftelijk verzoek aan de rechtbank gedaan.

Tijdens het raadsonderzoek en ter zitting hebben de pleegouders duidelijk gemaakt er

de voorkeur aan te geven, dat de WSS met de voogdij over [A.] wordt belast.

Gezien de bovenstaande standpunten en overwegingen zal de rechtbank

de WSS, die zich daartoe bereid heeft verklaard, tot voogdes benoemen.

Zowel de WSS als de pleegouders hebben te kennen gegeven het belang in te zien van contact tussen [A.] en moeder. De WSS heeft toegezegd moeder te zullen benaderen en haar te helpen bij de totstandbrenging van het contact met [A.].

BESLISSING

ontheft moeder

van het ouderlijk gezag over [A.];

benoemt tot voogdes over voornoemde minderjarigen

de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

postbus 12685, 1100 AR Amsterdam;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Gegeven door mrs. D.A. Flinterman, L.C. Bosch en K.R. Bosker en door eerstgenoemde uitgesproken ter openbare zitting van 19 december 2006, in tegenwoordigheid van de griffier