Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2006:AZ1556

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
31-10-2006
Datum publicatie
06-11-2006
Zaaknummer
AWB 06/1049
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsgebrek voor gedekt verklaard, verweerder beeindigd opleiding vroeger dan afgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Bestuursrecht

Zaaknummers:

AWB 06/734 AW V02

AWB 06/1049 AW V02

AWB 06/1050 AW V02

van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen, als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), tevens uitspraak op de verzoeken om toepassing van artikel 8:81, eerste lid, Awb in de geschillen tussen

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

gemachtigde: mr. A.Z. van Braam

en

1. het college van bestuur van het Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie, verweerder sub 1,

gemachtigde: P.J. ten Have en

2. de korpsbeheerder van de politie Fryslân, verweerder sub 2,

gemachtigden: J. Kraak en mr. J.T. Zwart.

1. PROCESVERLOOP

met betrekking tot besluit 1.

Bij besluit van 4 november 2005 heeft de directeur van de Faculteit Algemene Politiekunde besloten dat verzoeker de door hem gevolgde Primaire Opleiding Medewerker Basispolitiezorg (POMB) met ingang van 4 november 2005 dient te beëindigen.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 19 december 2006 op grond van artikel 7:1, eerste lid, Awb bij de directeur van de Faculteit Algemene Politiekunde een bezwaarschrift ingediend.

Bij besluit van 6 april 2006 heeft de directeur van de Faculteit Algemene Politiekunde dit bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna te noemen: besluit 1) heeft verzoeker bij brief van 17 mei 2006 beroep ingesteld bij de rechtbank. Dit beroep is geregistreerd onder nummer AWB 06/734 AW V02.

Verweerder sub 1 heeft op 26 juni 2006 de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift ingezonden.

Bij brief van 24 juli 2005 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Op 7 augustus 2006 heeft verweerder de gedingstukken en een verweerschrift ingediend.

met betrekking tot besluit 2.

Bij besluit van 25 april 2006 heeft verweerder besloten verzoekers aanstelling te beëindigen wegens het niet voldoen aan de eisen van bekwaamheid en geschiktheid. Hij heeft daarbij bepaald dat dit ontslag ingaat de dag na ontvangst van dit besluit.

Tegen dit besluit (hierna te noemen: besluit 2) heeft verzoeker bij brief van 31 mei 2006 bij verweerder sub 2 op grond van artikel 7:1, eerste lid, Awb een bezwaarschrift ingediend.

Bij brief van 24 juli 2006 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder nummer AWB 06/1050 AW V02.

Bij brief van 24 augustus 2006 heeft verweerder de gedingstukken en een verweerschrift ingediend.

met betrekking tot de besluiten 1 en 2.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, aan partijen toegezonden.

De verzoeken zijn gevoegd behandeld ter terechtzitting van 27 oktober 2006.

Verzoeker is ter zitting in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerders hebben zich ter zitting door hun gemachtigden laten vertegenwoordigen.

2. RECHTSOVERWEGINGEN.

ten aanzien van de bevoegde voorzieningenrechter

Op grond van artikel 8:7, eerste lid, Awb is de rechtbank binnen het rechtsgebied waarin het bestuursorgaan zijn zetel heeft bevoegd het beroep te behandelen dat is ingesteld tegen een besluit van een provincie, een gemeente, een waterschap of een regio als bedoeld in artikel 21 van de Politiewet 1993.

Op grond van artikel 8:7, tweede lid, Awb is, indien beroep wordt ingesteld tegen een ander bestuursorgaan dan genoemd in het eerste lid, de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de indiener van het beroepschrift zijn woonplaats in Nederland heeft bevoegd het beroep te behandelen.

Besluit 1 is genomen door een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 8:7, tweede lid, vorengenoemd, hetgeen betekent dat de (voorzieningenrechter van de) rechtbank Groningen bevoegd is van het geschil kennis te nemen.

Besluit 2 is genomen door een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 8:7, eerste lid, vorengenoemd, hetgeen betekent dat de (voorzieningenrechter van de) rechtbank Leeuwarden bevoegd is van het geschil kennis te nemen.

Aangezien de verzoeken om voorlopige voorziening beide zijn ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen en de rechtbank Groningen bevoegd is het door verzoeker op 17 mei 2006 ingestelde beroep te behandelen, heeft de griffier de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden verzocht hem mede te delen of hij ermee kan instemmen dat het verzoek om voorlopige voorziening, betrekking hebbend op besluit 2

wordt behandeld door de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen. Bij brief van 7 september 2006 heeft de rechtbank Leeuwarden hiermee ingestemd, c.q. de zaak op de voet van artikel 8:13, eerste lid, Awb verwezen naar de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen.

beoordeling van de verzoeken

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb, kan, voor zover hier van belang, indien tegen een besluit beroep is ingesteld bij de rechtbank, of voorafgaand daaraan een bezwaarschrift is ingediend, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, of dat kan worden, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Op grond van artikel 8:86, eerste lid, Awb, kan de voorzieningenrechter indien hij van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

met betrekking tot besluit 1

Verweerder sub 1 heeft de voorzieningenrechter bij brief van 5 oktober 2006 medegedeeld dat de beslissing op bezwaar ten onrechte door de directeur van de Faculteit Algemene Politiekunde is genomen, het besluit had door verweerder sub 1 genomen dienen te worden. Verweerder sub 1 heeft echter besloten de beslissing op bezwaar voor zijn rekening te nemen.

Verzoeker heeft aangevoerd dat de omstandigheid dat verweerder het bestreden besluit thans voor zijn rekening neemt onverlet laat dat verweerder niet zelf een oordeel heeft gevormd over de zaak. Mogelijkerwijs komt verweerder tot een andere conclusie dan de directeur heeft gedaan. Verzoeker heeft zich daarbij beroepen op de uitspaak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 17 januari 2002, LJN-nummer AE0459.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van een vormverzuim dat met toepassing van artikel 6:22 Awb kan worden gepasseerd. Dit betekent dat het bestreden besluit onbevoegd is genomen. Het beroep is derhalve gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Aangezien verweerder bij brief van 5 oktober medegedeeld heeft zich zonder voorbehoud achter het bestreden besluit te stellen acht de voorzieningenrechter (vergelijk: CRvB van 14 april 2005, LJN-nummer AT4871) uit oogpunt van proceseconomie termen aanwezig het bestreden besluit inhoudelijk te beoordelen.

Op grond van artikel 23, onder b, tweede lid, van de Onderwijs-evaluatieregeling wordt de voortgangsbeslissing genomen tot beëindiging van een opleiding indien op grond van de resultaten van de formele evaluatie van het beroepsgedrag niet verwacht kan worden dat vervolg van de opleiding redelijke kansen biedt op succesvolle voltooiing ervan.

Verzoeker kan zich niet vinden in het bestreden besluit en heeft aangevoerd dat verweerder zich niet heeft gehouden aan de gemaakte afspraken c.q. gewekte verwachtingen voor wat betreft de verlengde stage waardoor verzoeker in onvoldoende mate in de gelegenheid is gesteld alsnog te voldoen aan de gestelde vereisten. Het ernstig verslechterende functioneren tijdens de verlenging van de derde stage is onvoldoende onderbouwd en gemotiveerd en de wijze van beoordelen is willekeurig.

Verweerder heeft gesteld dat de onvoldoende scores van verzoeker deugdelijk gemotiveerd zijn en dat verzoeker het voor wat betreft zijn beroepshouding niet in zich heeft om zich te ontwikkelen tot een competent politieambtenaar, zodat verweerder, ondanks het feit dat de einddatum van 3 december 2005 nog niet bereikt was heeft kunnen besluiten de opleiding te beëindigen. Verbetering in de korte periode tot die datum zat er gelet op de verslechtering in zijn beroepshouding niet in.

Verweerder acht zich overigens niet gebonden aan de door het regiokorps aan verzoeker gedane toezegging dat hij tot uiterlijk 3 december 2005 zijn derde stage mocht uitvoeren.

Uit de terzake overgelegde stukken blijkt dat na de eerste stage van verzoeker voor wat betreft de beroepshouding van verzoeker op 12 november 2001 vraagtekens worden geplaatst bij de items initiatief, flexibiliteit, empathie en kritisch vermogen, alsmede een intentie voor efficiëntie.

Op 3 juli 2002 scoort verzoeker onvoldoendes op de items zelfstandigheid, zelfvertrouwen, initiatief, empathie, kritisch vermogen en efficiëntie, alsmede een intentie voor inzet, luistervaardigheid, zelfkritiek en effectiviteit.

Naar aanleiding van de resultaten van voorgaande stages heeft verweerder met het bedrijf Kiss communicatie een contract afgesloten om verzoeker gedurende vijf gesprekken te coachen met betrekking tot zijn verbeterpunten.

Vanwege een dienstongeval waarbij verzoeker ernstig geblesseerd is geraakt aan zijn knie hebben slechts een paar gesprekken plaatsgevonden en is de opleiding van verzoeker opgeschort. Vanaf augustus 2003 is verzoeker op therapeutische basis gaan werken. In juli 2004 is verzoeker nogmaals geopereerd, waarna tot medio december 2004 een revalidatieperiode volgde. Op 19 april 2005 is verzoeker 100% arbeidsgeschikt verklaard.

Met betrekking tot de periode 2 mei 2005 tot 30 september 2005 zijn met verzoeker afspraken gemaakt over het te volgen opleidingstraject.

Het traject bestaat uit vier delen:

1. 2 mei 2005 tot 30 mei 2005;

2. 30 mei 2005 tot 4 juli 2005;

3. 4 juli 2005 tot 8 augustus 2005 en 5 september 2005 tot 30 september 2005.

4. 3 oktober 2005 tot 3 december 2005.

In 3. is aangegeven dat, bij niet voldoen aan de stagedoelstellingen of aan het niveau, een voortgangsbeslissing moet worden genomen die zou kunnen leiden tot een vierde periode (4.).

In het "Evaluatieformulier stage 3" van 27 september 2005 wordt door de mentor van verzoeker gesteld dat verzoeker zich na zijn vakantie goed heeft doorontwikkeld, doch dat flexibiliteit, empathie en initiatief aandachtspunten blijven. De mentor ziet voldoende progressie, maar acht het wenselijk de stage te verlengen om verzoeker meer bagage mee te geven.

In de gespreksnotitie van 28 september 2005 met betrekking tot het functioneren van verzoeker wordt onder meer gesteld dat er een goede opbouw zit in zijn functioneren, dat het de verwachting van zijn mentor is dat hij aan de eindtermen zal gaan voldoen, doch dat verzoeker er nog niet is.

Bij brief van 5 oktober 2005 heeft verweerder sub 2 verzoeker medegedeeld dat er met betrekking tot verzoekers scholing weliswaar vooruitgang is geboekt, doch dat de resultaten nog niet op voldoende niveau zijn. verzoeker krijgt een laatste kans, gedurende de periode van 3 oktober 2005 tot 3 december 2005, om te bewijzen dat hij aan de eindtermen van de opleiding voldoet. Per twee weken zal er tussen verzoeker en zijn stagebegeleider een voortgangsgesprek plaatsvinden. Indien verzoeker uiteindelijk niet aan de criteria voldoet zal dat leiden tot beëindiging van zijn aanstelling als aspirant bij het korps.

In het "Evaluatieformulier stage 3" van 2 november 2005 wordt gesteld dat verzoeker zich niet heeft kunnen doorontwikkelen naar het agentenniveau en is een achteruitgang geconstateerd. Geadviseerd wordt de opleiding te beëindigen.

Na overleg met het korps en nadat verzoeker op 2 november 2005 in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen heeft de directeur van de Faculteit Algemene Politiekunde bij het bestreden besluit van 4 november 2005 besloten verzoekers opleiding met ingang van 4 november 2005 te beëindigen.

Op grond van het vorenverwoorde komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat verweerder sub 1 in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat het vervolgen van de opleiding geen redelijke kansen bood op succesvolle voltooiing ervan. De omstandigheid dat, in tegenstelling tot hetgeen wordt gesteld in de brief van verweerder sub 2 van 5 oktober 2005, verzoeker niet tot 3 december 2005 de gelegenheid heeft gekregen zich te bewijzen doet hieraan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet af. Enerzijds heeft niet verweerder sub 1, maar verweerder sub 2 die afspraak met verzoeker gemaakt en anderzijds is de voorzieningenrechter van oordeel, gelet op de aard van de door verweerder sub 1 geconstateerde tekortkomingen, dat het zeer onwaarschijnlijk moet worden geacht dat verzoeker die tekortkomingen vóór 3 december 2005 had kunnen wegwerken. Het door de mentor van verzoeker op 16 februari 2006 opgemaakte verslag laat dienaangaand niets aan duidelijkheid te wensen over. Dat verweerder verwachtingen heeft gewekt bij verzoeker -hetgeen verzoeker stelt- is juist, doch die verwachtingen hingen nauw samen met de verdere verwachte en gehoopte ontwikkeling van verzoeker. Die ontwikkeling heeft zich echter niet positief ontwikkeld. De voorzieningenrechter kan zich niet vinden in de stelling van verzoeker dat het ernstig verslechterende functioneren tijdens de verlenging van de derde stage onvoldoende onderbouwd en gemotiveerd zou zijn. Dat de wijze van beoordelen willekeurig zou zijn acht de voorzieningenrechter evenmin juist.

Op grond van vorenstaande overwegingen komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan beoordeling van de (hoofd)zaak zodat met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, Awb meteen uitspraak zal worden gedaan op het beroep. Zoals eerder in deze uitspraak is overwogen kan het bestreden besluit aangezien het onbevoegd is genomen de rechtmatigheidstoets niet doorstaan, zodat het beroep gegrond is en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Gelet op het inhoudelijk overwogene acht de voorzieningenrechter termen aanwezig met toepassing van artikel 8:72, derde lid, Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

Onder deze omstandigheden acht de voorzieningenrechter geen termen aanwezig voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het daartoe strekkende verzoek dient derhalve te worden afgewezen.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, en het vernietigde besluit voor verzoeker tevens richtinggevend is geweest voor het indienen van een verzoek om voorlopige voorziening dient te worden bepaald dat het door verzoeker voor het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening betaalde griffierecht van (in totaal) EUR 282,-- door het Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie aan eiser wordt vergoed.

De rechtbank acht verder termen aanwezig verweerder sub 1 te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening redelijkerwijs heeft moeten maken. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt de rechtbank deze kosten op EUR 966,--, zoals nader aangegeven in een bij de uitspraak gevoegde bijlage.

met betrekking tot besluit 2

Artikel 3, eerste lid, Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) bepaalt dat de aanstelling van de aspirant geschiedt in tijdelijke dienst voor de duur van de initiële opleiding met een maximum van twee jaar. In bijzondere gevallen kan de maximale duur van de aanstelling worden verlengd met een periode van maximaal één jaar.

Op grond van artikel 89 Besluit algemene rechtspositie politie wordt aan de aspirant die aan het einde van de aanstelling in tijdelijke dienst, bedoeld in artikel 3, eerste lid, niet voldoet aan de gestelde kwalificatie-eisen, eervol ontslag verleend met ingang van de dag, volgend op die waarop de aanstelling in tijdelijke dienst is verstreken.

Verweerder sub 2 is tot zijn besluit verzoeker eervol ontslag te verlenen gekomen op grond van de overweging dat verzoeker niet voldoet aan de gestelde kwalificatie-eisen. Voorafgaand aan zijn besluit van 25 april 2006 heeft verweerder sub 2 verzoeker bij brief van 20 februari 2006 zijn voornemen kenbaar gemaakt hem eervol ontslag te verlenen en hem in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken. Verzoeker heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt, naar aanleiding waarvan verzoeker op 7 maart 2006 gehoord is.

Aangezien de opleiding van verzoeker per 4 november 2005 is beëindigd en verzoeker per die datum niet voldeed aan de gestelde kwalificatie-eisen, hetgeen naar uit het met betrekking tot besluit 1 overwogene in rechte vast is komen te staan, liet het bepaalde in artikel 89, eerste lid, Barp verweerder sub 2 naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen andere keuze dan verzoeker ontslag te verlenen. Niet gebleken is dat verweerder bij het nemen van dat besluit niet de juiste zorgvuldigheid heeft betracht.

Het bestreden besluit 2 kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter de rechtmatigheidstoets doorstaan. Het verzoek om voorlopige voorziening komt derhalve niet voor inwilliging in aanmerking.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

-verklaart het beroep tegen besluit 1 gegrond;

-vernietigt besluit 1 en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, Awb dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

-bepaalt dat het Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie verzoeker het door hem betaalde griffierecht van EUR 282,-- vergoedt;

-veroordeelt verweerder sub 1 in de proceskosten van verzoeker, die zijn vastgesteld op

EUR 966,-- en bepaalt dat het Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie deze kosten dient te betalen;

-wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. A. Houtman, voorzieningenrechter en in het openbaar door haar uitgesproken op 31 oktober 2006, in tegenwoordigheid van M.J.'t Hart als griffier.

De griffier, De voorzieningenrechter,

De voorzieningenrechter wijst er op dat belanghebbenden binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak, met uitzondering van de beslissing op de verzoeken om voorlopige voorziening, hoger beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.

Tegen de beslissing op de verzoeken om voorlopige voorziening staan geen rechtsmiddelen open.

Afschrift verzonden op:

typ: HtH.

Zaaknummers: AWB 06/734 AW en AWB 06/1049 AW en AWB 06/1050 AW blad 7

uitspraak