Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2006:AZ0759

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
23-10-2006
Datum publicatie
27-10-2006
Zaaknummer
89153/JE RK 06-694
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Machtiging tot uithuisplaatsing (UHP) in een justitie jeugdinrichting van een zeventienjarige, die

reeds vanaf 26 juli 2005 in een gesloten justitiële instelling verblijft.

De kinderrechter oordeelt dat zo spoedig mogelijk dient te worden begonnen met een daadwerkelijke behandeling op grond van artikel 1. van de Wet op de jeugdzorg, in combinatie met artikel 3. van het Internationale Verdrag tot bescherming van de rechten van het kind.

Verder is bepaald dat de minderjarige binnen twee weken na datum beschikking in de voor hem geadviseerde behandelinstelling Rentray c.q. Hoeve Boschoord dient te worden geplaatst.

Wetsverwijzingen
Wet op de jeugdzorg
Wet op de jeugdzorg 1
Wet op de jeugdzorg 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2007/38 met annotatie van PVl
RFR 2006, 128

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

zaaknr.: 89153 / JE RK 06-694

beschikking kinderrechter d.d. 23 oktober 2006

inzake de minderjarige

Bureau Jeugdzorg Groningen (BJZ) is belast met de voogdij over voornoemde minderjarige.

PROCESGANG

Op 19 september 2006 heeft BJZ een verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in een justitiële jeugdinrichting voor de duur van een jaar - in het kader van haar voogdij over voornoemde minderjarige - ingediend, gedateerd 15 september 2006. Daarbij is overgelegd het hulpverleningsplan en een verslag van het verloop van de voogdij en uithuisplaatsing, alsmede een indicatiebesluit.

Bij beschikking d.d. 28 juni 2006 is de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een justitiële jeugdinrichting verlengd met ingang van 5 juli 2006 voor de duur van drie maanden.

Bij beschikking van 21 september 2006 is -voorlopig - de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing in een justitiële jeugdinrichting van de minderjarige verlengd met ingang van 5 oktober 2006 tot 5 december 2006, en is de beslissing ten aanzien van de langer verzochte duur van de machtiging tot uithuisplaatsing aangehouden.

Op 13 oktober 2006 is ter griffie een brief d.d. 12 oktober 2006 met bijlagen (4) van de procureur van de minderjarige, mr. L.H. Poortman-de Boer, ontvangen.

Op 18 oktober 2006 is ter griffie voorts een brief d.d. 17 oktober 2006 -met bijlagen (4)- van de procureur van de minderjarige, mr. L.H.Poortman-de Boer, ontvangen.

RECHTSOVERWEGINGEN

Beknopte voorgeschiedenis

De minderjarige is een 17-jarige jongen die een zeer belaste voorgeschiedenis heeft waarin drankmisbruik, lichamelijk geweld door beide ouders en verwaarlozing een prominente rol speelden. De moeder van [de minderjarige] is overleden ten gevolge van een auto-ongeluk. [de minderjarige] heeft in de loop van zijn leven op verschillende plekken gewoond (pleegzorg, kinder- en jeugdpsychiatrie “de Ruyterstee”, orthopedagogisch behandelcentrum “de Ambelt”, diverse crisisgroepen, een gezinshuis). Sinds mei 2005 verbleef [de minderjarige] in de PleegMaatZorg-boerderij (PMZ) te Alteveer, nadat hij uitgeplaatst was uit het gezinshuis in verband met seksueel grensoverschrijdend gedrag. Alhier begonnen zijn gedragsproblemen steeds ernstiger vormen aan te nemen: manipulatie, intimidatie, weigeren om zijn medicatie in te nemen, bedreigingen, seksueel grensoverschrijdend gedrag. Dit heeft ertoe geleid dat zowel zijn voormalige pleegouders, als de medebewoners van de PMZ, als de leerkrachten op school hebben aangegeven zich door [de minderjarige] bedreigd te voelen en bang voor hem te zijn. De plaatsing van [de minderjarige] op de PMZ is op 5 juli 2005 in verband met het vorenstaande beëindigd.

[de minderjarige] verblijft sedert 26 juli 2005 in de JJI het Poortje (de Waterpoort) te Groningen.

Standpunt BJZ

Ten aanzien van [de minderjarige] is zowel een psychologisch als een psychiatrisch onderzoek uitgevoerd. Gebleken is dat er bij [de minderjarige] sprake is van een verstandelijke handicap. Zijn i.q. valt laag uit: totaal i.q. 61, verbaal i.q. 67, performaal i.q. 60. Volgens de klinisch psycholoog valt de persoonlijkheid van de minderjarige te omschrijven als inadequaat als het gaat om impulscontrole. Daarmee is [de minderjarige] in de problemen gekomen. De minderjarige overdekt gevoelens van angst en somberheid met stoerheid. Ook kan hij zich beter voordoen. De gewetensfunctie lijkt aanwezig, maar is niet wezenlijk ontwikkeld. Al met al is [de minderjarige] een bijzonder structuurgevoelige jongen die gebaat is bij duidelijkheid en leiding.

Uit het psychiatrisch onderzoek komt naar voren dat [de minderjarige] een lacunair, zoniet weinig ontwikkeld geweten heeft naast een verstandelijke handicap. Hij heeft een geïnstitutionaliseerde voorgeschiedenis, en is mogelijk verslaafd ter wereld gekomen. De minderjarige laat zich moeilijk sturen en volgt zijn eigen impulsen en behoeften. Een zeer zorgelijke situatie.

De minderjarige is gebaat bij een gestructureerde omgeving met expertise op het gebied van (seksueel) delictgedrag, verstandelijke beperkingen en gebrekkige gewetensfuncties. Hoeve Boschoord is de instelling waar [de minderjarige] langdurig behandeld kan/moet worden.

De behandeling van [de minderjarige] in Hoeve Boschoord laat naar de mening van BJZ op zich wachten ten gevolge van wachtlijstproblematiek. Omdat [de minderjarige] op deze manier wel erg lang moet wachten op de behandeling die hij nodig heeft, is door BJZ medio april 2006 bij de DJI in Den Haag een verzoek ingediend om [de minderjarige], tot opname in Hoeve Boschoord, te plaatsen in de JJI de Rentray om zodoende reeds een begin met zijn behandeling te maken in afwachting van doorplaatsing in Hoeve Boschoord. Op 28 mei 2006 ontvangt BJZ bericht van DJI dat [de minderjarige] voor behandeling bij JJI Rentray op de wachtlijst is geplaatst. De minderjarige verblijft inmiddels een jaar in het Poortje en gelet op zijn leeftijd is het zaak zo spoedig mogelijk de behandeling op te starten.

In het Poortje past [de minderjarige] zich aan aan de structuur en regelmaat, maar hij blijft afwijzend reageren op de hulpverlening die hem aangeboden wordt.

Ter zitting is namens BJZ aangegeven dat, anders dan over advocaatkosten, gepraat kan worden over een vergoeding van een eigen bijdrage en griffierecht in het geval ten behoeve van [de minderjarige] een kort geding tegen de Staat zal worden gevoerd. BJZ als verantwoordelijke voogdijinstelling heeft de advocaat van [de minderjarige] onder voorwaarden toestemming gegeven namens [de minderjarige] een kort gedingprocedure te entameren.

Indien geen machtiging uithuisplaatsing in een JJI ten behoeve van [de minderjarige] wordt verleend of indien de lopende machtiging ingetrokken zou worden, komt [de minderjarige] op straat te staan. Het is geen optie om [de minderjarige] terug naar zijn voormalige pleegouders te laten gaan.

BJZ heeft ter zitting benadrukt dat, hoewel de communicatie met belanghebbenden niet altijd de schoonheidsprijs verdient, er wel degelijk inspanningen ten behoeve van [de minderjarige] zijn verricht om hem in Hoeve Boschoord te krijgen. BJZ loopt hierbij door o.m. de wachtlijstproblematiek ook tegen muren op.

Pleegouders (voormalige)

Pleegouders voeren ter zitting aan dat het vrijwel onmogelijk is om contact met de voogd van [de minderjarige] te krijgen. Pleegouders weten niet wie thans de voogd van [de minderjarige] is. Ondanks velerlei pogingen hunnerzijds, krijgen zij maar geen contact met BJZ waardoor zij verstoken blijven van informatie met betrekking tot de gang van zaken rond [de minderjarige]. Zij vinden dit beangstigend en een verkeerde gang van zaken. Kosten die pleegouders maakten ten behoeve van [de minderjarige] en welke door BJZ zouden worden vergoed, zijn nog immer niet vergoed. Waar BJZ de advocaat van [de minderjarige] vraagt geen contact met de pers te zoeken, heeft een medewerker van BJZ hen gezegd dit juist wel te doen. Voortgangsgesprekken die [de minderjarige] in aanwezigheid van zijn voogd zou krijgen eens per 6 weken, worden niet gehouden.

Indien [de minderjarige] op straat zou komen te staan is het rationeel gezien geen optie om hem weer in hun gezin op te nemen, maar op emotionele gronden zullen zij hem niet in de kou laten staan.

Onbegrijpelijk is dat, ondanks dat de uitslag van het psychologisch/psychiatrisch onderzoek van [de minderjarige] medio december 2005 reeds door hen ontvangen was, BJZ een half jaar heeft gewacht met het aanmelden van [de minderjarige] bij Hoeve Boschoord.

Standpunt (namens) [de minderjarige]

Van BJZ is eerst op 17 oktober 2006 onder bepaalde voorwaarden toestemming verkregen tot het entameren van een kort geding tegen de Staat om een behandelplek voor [de minderjarige] af te dwingen. Wat er ook van de voorwaarden die daarbij gesteld zijn zij, [de minderjarige] zit reeds meer dan een jaar in de gesloten instelling de Waterpoort te Groningen. Op 19 oktober 2006 dient een beroepszaak bij de RSJ waarbij verzocht is [de minderjarige] binnen 5 dagen over te plaatsen naar de behandelinstelling Rentray c.q. Hoeve Boschoord. Indien zulks niet lukt, zal een kort geding tegen de Staat gevoerd worden. De rechten van [de minderjarige] ingevolge diverse (kinderrechten)verdragen worden met voeten getreden. Daarnaast lijkt er van alles intern mis bij BJZ. De netwerkcoach van [de minderjarige] heeft een aantal malen getracht om met BJZ over [de minderjarige] te overleggen, maar dat is niet gelukt. De aan [de minderjarige] geboden structuur in de Waterpoort doet hem weliswaar goed, maar er is geen enkele sprake van de noodzakelijke behandeling. Een expertisebehandeling waarop ook in het verzoekschrift van BJZ de nadruk wordt gelegd. Die expertise is in de Waterpoort niet voor handen. Van BJZ als wettelijke vertegenwoordiger van de minderjarige [de minderjarige] had nog veel meer verantwoordelijkheid mogen worden verwacht dan in het kader van bijvoorbeeld een OTS met uithuisplaatsing.

Beoordeling

De kinderrechter stelt vast dat bij [de minderjarige], niet alleen bij observaties die in de loop van zijn meerdere plaatsingen in diverse instellingen zijn gedaan, maar ook in het kader van een psychologisch en psychiatrisch onderzoek, zodanige gedragsstoornissen zijn gediagnosticeerd -zoals bijvoorbeeld seksueel delictgedrag, gecombineerd met een lacunaire dan wel weinige gewetensontwikkeling- en een verstandelijke beperking, dat een langdurige behandeling in een gestructureerde omgeving met expertise op voormelde gebieden ten zeerste aangewezen is.

De kinderrechter stelt voorts vast dat [de minderjarige] reeds sinds 26 juli 2005 in de gesloten justitiële instelling de Waterpoort verblijft, derhalve reeds ruimschoots meer dan een jaar.

Niet weersproken is dat het psychologisch en psychiatrisch rapport met betrekking tot [de minderjarige], welke onderzoeken BJZ noodzakelijk achtte, en waarin voormelde diagnose alsmede het behandeladvies ten aanzien van [de minderjarige] wordt gesteld, in december 2005 bij belanghebbenden bekend was.

Eerst in april 2006 is [de minderjarige] door BJZ via de DJI (plaatsingsfunctionaris) te Den Haag aangemeld voor plaatsing in de Rentray in afwachting van doorplaatsing naar Hoeve Boschoord, de geëigende behandelinstelling voor [de minderjarige].

Vervolgens is [de minderjarige] aangemeld voor Hoeve Boschoord.

De kinderrechter is van oordeel dat de beschikking van 21 september 2006 bekrachtigd dient te worden omdat er op dit moment geen reële alternatieven voor handen zijn om [de minderjarige] op adequate wijze te plaatsen. Voormelde beschikking wordt als volgt aangevuld.

Uit het verzoekschrift van BJZ blijkt dat Hoeve Boschoord als expertisecentrum op het terrein van de problematiek van [de minderjarige] de voor hem meest geëigende behandelinstelling is. De Wet op de jeugdzorg regelt de aanspraak van jeugdigen op jeugdzorg; er bestaat een recht op jeugdzorg voor deze minderjarige. Het in artikel 1, sub c, van de Wet op de jeugdzorg gehanteerde begrip jeugdzorg omvat alle activiteiten die gericht zijn op het bij jeugdigen voorkomen, verhinderen of opheffen van stoornissen van lichamelijke, geestelijke, sociale of pedagogische aard die hun ontwikkeling naar volwassenheid ongunstig kunnen beïnvloeden.

Artikel 3 van voormelde wet regelt de aanspraak op jeugdzorg.

Ingevolge artikel 3, eerste en tweede lid, van het Internationale verdrag tot bescherming van de rechten van het kind, welk artikel rechtstreekse werking heeft, vormen bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind de eerste overweging, en verbinden Staten die partij zijn bij dit Verdrag zich ertoe het kind te verzekeren van de bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn of haar welzijn.

Artikel 37 aanhef en onder b, van evengenoemd Verdrag regelt dat geen enkel kind op onwettige of willekeurige wijze van zijn of haar vrijheid wordt beroofd.

Vast staat dat [de minderjarige] op dit moment verstoken blijft van adequate zorg; vast staat eveneens dat [de minderjarige] reeds méér dan een jaar in een gesloten instelling verblijft waar hem de noodzakelijke, geïndiceerde behandeling van zijn problematiek niet wordt geboden.

De kinderrechter is dan ook van oordeel dat een daadwerkelijke behandeling van [de minderjarige] op grond van artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg in combinatie met artikel 3 van het Internationale Verdrag tot bescherming van de rechten van het kind zo spoedig mogelijk een aanvang dient te nemen. [de minderjarige] dient thans binnen een termijn van 2 weken na datum van deze beschikking geplaatst te worden op een voor hem geëigende behandelinstelling. Bij de aanmelding van [de minderjarige] voor een behandelinstelling, had naar het oordeel van de kinderrechter de door [de minderjarige] reeds in de huidige gesloten instelling doorgebrachte tijd in aanmerking genomen dienen te worden waardoor hij, juist ook gelet op zijn leeftijd -waardoor voor een behandeling in een gedwongen kader steeds minder tijd resteert, snel in een behandelsetting geplaatst had dienen te worden.

De kinderrechter zal voorts met ingang van 5 december 2006, in aansluiting op in de beschikking van 21 september 2006 vermelde termijn, de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing in een justitiële jeugdinrichting verlengen tot 26 mei 2007, de datum waarop [de minderjarige] meerderjarig wordt. Het door BJZ gedane verzoek zal daarom voor het overige afgewezen worden.

BESLISSING

bekrachtigt de beschikking van 21 september 2006, met dien verstande dat de daarbij verleende machtiging tot uithuisplaatsing in een justitiële jeugdinrichting mede van toepassing wordt verklaard op een te realiseren gesloten plaatsing in Hoeve Boschoord;

verlengt de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing in een justitiële jeugdinrichting van [de minderjarige], met ingang van 5 december 2006 tot 26 mei 2007;

bepaalt dat de minderjarige binnen 2 weken na heden geplaatst dient te worden in de voor hem geadviseerde behandelinginstelling;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beslissing is gegeven te Groningen door mr. D.A. Flinterman, kinderrechter, in tegenwoordigheid van de griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 oktober 2006.