Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2006:AZ0755

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
17-10-2006
Datum publicatie
24-10-2006
Zaaknummer
78265/FA RK 05-582
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tijdens de samenleving van de vrouwen A. en B. zijn twee kinderen geboren. De samenleving is verbroken. De ex-partners hebben samen het gezag over één kind. A., die momenteel de dagelijkse verzorging en opvoeding voor haar rekening neemt, wil samen met haar nieuwe partner het gezag uitoefenen over het tweede kind.

B. verzoekt ook over dit kind het gezamenlijk gezag met haar ex-partner.

De rechtbank wijst dit verzoek toe omdat geen omstandigheden zijn gebleken, die zich hiertegen verzetten. Het is in het belang van het kind, dat beide vrouwen zoveel als mogelijk op hem betrokken zijn en beide kinderen dienen gelijk behandeld te worden. B. vervult in het kader van de omgangsregeling een actieve rol als de niet-verzorgende ouder. Ook het gezinsleven van A. en haar huidige partner verzet zich niet tegen het gezamenlijk gezag van A. en B.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

zaaknr.: 78265 /FA RK 05-582

beschikking d.d. 17 oktober 2006

in de zaak van:

verzoekster,

procureur mr. J.J. van der Molen,

advocaat mr. E.W.A. Krantz-Cornelis,

en

verweerster,

procureur mr. I. Wagenaar.

PROCESVERLOOP

De enkelvoudige familiekamer van de rechtbank heeft op 11 augustus 2005 en 3 januari 2006 en de meervoudige familiekamer heeft op 27 juni 2006 beschikkingen gegeven.

Op 7 augustus 2006 is ter griffie van de rechtbank een brief d.d. 4 augustus 2006 met bijlage van de procureur van verweerster binnengekomen.

Op 17 augustus 2006 is ter griffie van de rechtbank een faxbericht met bijlage van de advocaat van verzoekster binnengekomen.

De rechtbank heeft de zaak behandeld op 7 september 2006 ter zitting met gesloten deuren, in aanwezigheid van partijen, mr. E.W.A. Krantz-Cornelis namens verzoekster, mr. M. Vos namens verweerster en mevrouw A.I. van Dijk, namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad).

RECHTSOVERWEGINGEN

De rechtbank neemt hier over hetgeen is overwogen en beslist in voornoemde beschikkingen.

In de beschikking van 27 juni 2006 is de beslissing over het gezag over het minderjarige kind A.

aangehouden.

Standpunt van de verzoekster

Verzoekster stelt dat het gezamenlijk gezag over het kind A., dat een jaar oud was toen partijen uit elkaar gingen, op haar verzoek kan worden vastgesteld. Zij wil als volwaardige gesprekspartner kunnen deelnemen in belangrijke beslissingen over de beide kinderen. Zij vindt het niet juist om tussen de minderjarigen A. en de minderjarige B., over wie zij contact heeft en overleg voert met verweerster, onderscheid te maken. In het begin wilde [verweerster] ook dat zij gezamenlijk met het gezag zouden worden belast. Zij is van mening dat de bezoekregeling met beide kinderen goed en normaal verloopt.

Standpunt van de verweerster

Het geregistreerd partnerschap tussen [verweerster], die alleen met het gezag over de minderjarige A. is belast, en [verzoekster] is beëindigd. [verweerster] heeft een nieuwe relatie met wie zij een geregistreerd partnerschap heeft. Zij moeten samen met het gezag worden belast, omdat zij al jaren samenwonen en de minderjarige A. samen opvoeden. [verweerster] is van mening dat het gezag over beide kinderen niet gelijk moet worden getrokken.

Beoordeling van het verzoek

1. De rechtbank stelt allereerst vast dat [verzoekster] in een nauwe persoonlijke betrekking tot de

minderjarige A. staat. Zij heeft vanaf de geboorte van deze minderjarige tot aan het uiteengaan van partijen met [verweerster] en de beide kinderen in gezinsverband samengeleefd. Zij heeft de minderjarige A. feitelijk mede verzorgd. Voorts moet worden vastgesteld dat partijen aanvankelijk ook de bedoeling hebben gehad dat zij gezamenlijk met het gezag over de minderjarige A. zouden worden belast, maar dat zij daar om financiële redenen vanaf hebben gezien. Dat [verweerster] zich eerst niet tegen gezamenlijk gezag heeft verzet blijkt uit haar brief aan [verzoekster] van 13 januari 2003.

2. Ter zitting is vast komen te staan dat er tussen [verzoekster] en de beide kinderen een omgangsregeling van een weekend per veertien dagen bestaat die goed verloopt. In de zomervakantie hebben de kinderen twee weken achtereen bij [verzoekster] verbleven. Rond deze omgangsregeling vindt summier overleg tussen [verzoekster] en [verweerster] plaats tijdens het halen en brengen.

3. De communicatie tussen partijen is nog altijd niet optimaal. Beide partijen hebben gewag gemaakt van een incident in verband met de eventuele aanwezigheid van [verzoekster] bij een uitvoering op de school van de kinderen, hetgeen ertoe heeft geleid dat de kinderen uiteindelijk niet aan die uitvoering hebben mogen deelnemen. Hoezeer dit incident ten opzichte van de kinderen ook zeer moet worden betreurd, ter zitting is gebleken dat partijen in beginsel bereid zijn om de begeleiding door de GGz te hervatten wanneer de kwestie van het gezag over de minderjarige A. is opgelost. In elk geval is niet gebleken dat de relatie tussen partijen zo verstoord is dat gevreesd moet worden dat onderlinge communicatie niet mogelijk is.

4. Er zijn geen omstandigheden naar voren gekomen op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het belang van de minderjarige A. zich tegen een gezamenlijk gezag verzet. Integendeel, het belang van deze minderjarige is dat beide partijen zoveel als mogelijk is op hem betrokken zijn en er is alle aanleiding om de beide kinderen gelijk te behandelen. Beide kinderen zijn geboren tijdens de samenwoning. [verzoekster] vervult in het kader van de omgangsregeling voor beide kinderen nog steeds een actieve rol als de niet verzorgende ouder.

5. Evenmin is gebleken van omstandigheden op grond waarvan het gezinsleven van [verweerster] en haar huidige partner zich tegen toewijzing van gezamenlijk gezag ten aanzien van de minderjarige A. verzetten. Immers, het gezamenlijk gezag over de minderjarige B. wordt ook gezamenlijk door [verweerster] en [verzoekster] uitgeoefend en in dat kader vindt overleg plaats. Niet valt in te zien dat daarvoor binnen de gezinssituatie van [verweerster] en haar huidige partner ten aanzien van de minderjarige A. geen ruimte is.

6. De rechtbank geeft partijen - wellicht en overvloede - in overweging om in het belang van de kinderen om zo spoedig mogelijk de begeleiding door de GGz te doen hervatten met het oog op de verbetering van hun onderlinge communicatie.

BESLISSING

bepaalt dat [verzoekster] en [verweerster] het gezag over het minderjarige kind A.

gezamenlijk uitoefenen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. van den Noort en uitgesproken door deze, ter openbare zitting van 17 oktober 2006, in tegenwoordigheid van de griffier.