Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2006:AZ0063

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
19-07-2006
Datum publicatie
13-10-2006
Zaaknummer
87872/JE RK 06-505
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging van de maatregel van voorlopige ondertoezichtstelling.

De kinderrechter toetst of de machtiging tot uithuisplaatsing (in een justitiële jeugdinrichting) van de minderjarige doelmatig en proportioneel is.

Het is niet aan de plaatsingsambtenaar van het Ministerie van Justitie deze toets nogmaals uit te voeren. Genoemde machtiging is vervallen verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

zaaknr.: 87872 / JE RK 06-505

beschikking kinderrechter d.d. 19 juli 2006

inzake

de minderjarige M.

De ouders zijn belast met het gezag over voornoemde minderjarige.

PROCESGANG

Op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming, vestiging Groningen (de Raad), heeft de kinderrechter bij beschikking van 7 juli 2006 de minderjarige M. voorlopig onder toezicht gesteld van het Bureau jeugdzorg te Groningen (Bjz) ingaande 7 juli 2006. Voorts is bij genoemde beschikking een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige M.] in een justitiële jeugdinrichting verleend voor de duur van vier weken, ingaande 7 juli 2006. De voorlopige ondertoezichtstelling zal verlopen wanneer [de minderjarige M.] meerderjarig wordt; op 21 september 2006.

De kinderrechter heeft de zaak behandeld ter zitting met gesloten deuren van 19 juli 2006. Daarbij zijn verschenen en gehoord de minderjarige [de minderjarige M.], bijgestaan door haar raadsvrouw mr. L.G. Mellens-Schrage,

OVERWEGINGEN

De kinderrechter verwijst naar en neemt over hetgeen is overwogen en beslist bij beschikking van 7 juli 2006.

De Raad

De Raad heeft aangegeven het van belang te achten dat de jeugdbeschermingsmaatregel bekrachtigd wordt.

Vanwege de Raad is aangegeven dat [de minderjarige M.] kortstondig geplaatst is geweest in het Poortje in Groningen. Zij is daar ontslagen omdat, zo heeft de Raad begrepen, de plaatsingsambtenaar van het Ministerie van Justitie – belast met de plaatsing van minderjarigen in de verschillende justitiële jeugdinrichtingen – het niet opportuun achtte om de machtiging van 7 juli 2006 ten uitvoer te leggen, gelet op de leeftijd van [de minderjarige M.] en de korte duur tot haar meerderjarigheid.

Bureau jeugdzorg

Vanwege het Bjz is aangegeven dat – nu de uithuisplaatsing is beëindigd en [de minderjarige M.] weer bij [C.] verblijft – er voor het Bjz nauwelijks een andere taak lijkt te zijn weggelegd dan het houden van toezicht en het begeleiden van [de minderjarige M.] bij bijvoorbeeld het zoeken van een woonruimte of een opleiding. Er is afgesproken dat [de minderjarige M.] dagelijks telefonisch contact heeft met haar gezinsvoogdijwerker; deze afspraak wordt nageleefd.

Ouders

Ouders hebben aangegeven dat de zorgen om [de minderjarige M.] niet van recente datum zijn. Sinds [de minderjarige M.] omgaat met [C.], is zij perioden uit beeld geweest: zij is een periode op eigen verzoek in Zwolle geplaatst geweest en overigens heeft zij herhaaldelijk aangegeven angstig te zijn voor deze [C.] en zijn vrienden. Kennelijk echter komt [de minderjarige M.] moeilijk los van de invloed van de jongen en is zij ambivalent in haar relatie tot hem. Nadat de plaatsing in het Poortje is beëindigd, is [de minderjarige M.] naar Rotterdam gegaan waar deze [C.] woont.

Een jeugdagent uit Rotterdam heeft contact gezocht met ouders en houdt hen op de hoogte van de situatie rondom [de minderjarige M.]; deze jeugdagent bevestigt de zorgen en heeft aangegeven dat [C.] zich in een crimineel circuit beweegt en zijn invloed op [de minderjarige M.] in die zin risico’s met zich brengt. Ouders geven aan dat zij niet langer zien op welke wijze zij [de minderjarige M.] kunnen behoeden voor haar keuzes en benadrukken naar [de minderjarige M.] dat zij bij hen welkom blijft wanneer zij er behoefte aan zou hebben naar haar familie terug te keren.

[de minderjarige M.]

[de minderjarige M.] heeft de kinderrechter verteld dat zij onvoldoende inziet waarom de zorgen – die ouders en anderen immers al jaren uitspreken – pas nu ertoe leiden dat er jeugdbeschermingsmaatregelen worden gevraagd. Volgens [de minderjarige M.] vallen de zorgen om de persoon van [C.] en diens vrienden mee. Zij acht zich in staat haar eigen verantwoordelijkheid te nemen en heeft geaccepteerd dat haar ouders haar keuze voor [C.] niet als een juiste zien. Volgens [de minderjarige M.] geeft [C.] om haar en is hij zijn leven aan het beteren; zij vreest niet voor zijn invloed. [de minderjarige M.] wil op termijn een eigen woonruimte in Rotterdam en solliciteert naar werk zodat zij in haar levensonderhoud kan voorzien.

Beoordeling

De kinderrechter overweegt dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting onverminderd is gebleken van zorgen om de ontwikkeling van [de minderjarige M.] die maken dat aan de voorwaarden de voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. [de minderjarige M.] onttrekt zich aan het ouderlijk gezag, wijst hulpverlening af, begeeft zich in het criminele circuit, onderkent de risico’s die ze loopt niet en woont samen met een man die bekend is bij de politie vanwege activiteiten richting prostitutie en loverboycircuit. Nu de beschikking van 7 juli 2006 derhalve op juiste gronden is gegeven dient deze naar het oordeel van de kinderrechter te worden bekrachtigd.

De plaatsingsambtenaar van het Ministerie van Justitie heeft aan de Raad te kennen gegeven de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige M.] niet ten uitvoer te leggen omdat zo’n plaatsing gelet op de leeftijd van [de minderjarige M.] en de relatief korte periode tot aan haar meerderjarigheid, niet doelmatig wordt geacht. De kinderrechter merkt dienaangaande op dat de doelmatigheid en proportionaliteit bij uitstek aspecten zijn die de kinderrechter betrekt bij zijn oordeel aangaande een verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing; op welke grond deze toets andermaal is aangelegd door de plaatsingsambtenaar van het Ministerie van Justitie valt – zo overweegt de kinderrechter –niet in te zien.

Wat hier ook van zij, de kinderrechter zal – nu niet te verwachten is dat de machtiging zal worden tenuitvoergelegd – de beschikking van 7 juli 2006 vervallen verklaren voor zover het de daarin uitgesproken machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige M.] in een justitiële jeugdinrichting betreft.

BESLISSING

De kinderrechter:

bekrachtigt de beschikking van 7 juli 2006 voor zover het de daarbij uitgesproken maatregel van voorlopige ondertoezichtstelling betreft;

verklaart de bij die beschikking gegeven machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige [de minderjarige M.] in een justitiële jeugdinrichting vervallen.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beslissing is gegeven te Groningen door mr. M.J. Oostveen, kinderrechter, bijgestaan door de griffier en in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2006.