Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2006:AY8301

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
20-06-2006
Datum publicatie
18-09-2006
Zaaknummer
78265/FA RK 05-582
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geschil tussen twee vrouwen die hun relatie hebben beëindigd. Een van hen oefent ex art. 1:253b BW het gezag over de betrokken minderjarige uit. Zij wil dat gezag voortaan samen met haar huidige partner gaan uitoefenen en ingevolge art. 1:253t BW is door het Hof ook aldus beslist. Tegen die beslissing heeft de andere vrouw hoger beroep ingesteld. Zij wil samen met haar voormalige partner het gezamenlijk gezag over het kind uitoefenen.

Vastgesteld is dat er thans geen familierechtelijke betrekking tussen het kind en verzoekster bestaat.

Artikel 1:253 sa BW is niet van toepassing, omdat dit wetsartikel pas na de geboorte van het kind op

1 januari 2002 in werking is getreden.

Er is geen sprake van een gezamenlijk verzoek ex artikel 1:253t BW. Desondanks is verzoekster ontvankelijk in haar verzoek, omdat uit de uit laatstgenoemd artikel voortvloeiende regel dat enkel op gezamenlijk verzoek het gezamenlijk gezag toegekend kan worden, een ongeoorloofde beperking is van het door artikel 6 lid 1 EVRM gegarandeerde recht van verzoekster op toegang tot de rechter, ter vaststelling van het aan artikel 8 lid 1 EVRM ontleende (burger-) recht op “eerbiediging van het recht op een gezinsleven”.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253b
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253t
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2006/147 met annotatie van PVl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector civielrecht

Meervoudige familiekamer

Zaaknr.: 78265/FA RK 05-582

Beschikking d.d. 20 juni 2006

in de zaak van:

verzoekster,

procureur mr. J.J. van der Molen,

advocaat mr. E.W.A. Krantz-Cornelis te Leeuwarden,

en

verweerster,

procureur mr. I. Wagenaar.

PROCESVERLOOP

De enkelvoudige familiekamer van de rechtbank heeft op 11 augustus 2005 en op

3 januari 2006 (tussen-) beschikkingen gegeven.

Ieder van partijen heeft vervolgens akten genomen.

Ter griffie is op 24 maart 2006 een brief d.d. 23 maart 2006 ontvangen van het Gerechtshof Leeuwarden, met als bijlage een beschikking van dat Hof d.d. 22 maart 2006.

RECHTSOVERWEGINGEN

De rechtbank neemt hier over hetgeen is overwogen en beslist in de (tussen-) beschikkingen van 11 augustus 2005 en

3 januari 2006.

Bij de beschikking van 3 januari 2006 is een omgangsregeling vastgesteld inhoudende, dat

[verzoekster] gerechtigd is om het minderjarige kind van partijen B. één keer per veertien dagen een weekend van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur, alsmede gedurende de helft van de feestdagen en de schoolvakanties bij zich te ontvangen, door partijen in onderling overleg te regelen.

Verder is bepaald, dat [verweerster] [verzoekster] op de hoogte stelt en raadpleegt omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot het minderjarige kind M. en [de minderjarige B.].

De beslissing omtrent het gezag over [de minderjarige B.] is aangehouden, in afwachting van de

beslissing van het Gerechtshof Leeuwarden naar aanleiding van het hoger beroep van [verzoekster] tegen de beslissing van deze rechtbank d.d. 19 mei 2005 in de zaak van verweerster/haar huidige partner (zaaknummer 77544/FA RK 05-337).

Bij die beschikking is op gezamenlijk verzoek van verweerster en haar huidige partner ingevolge

artikel 1:253t BW bepaald, dat verweerster en haar huidige partner met ingang van 19 mei 2005 gezamenlijk met het gezag over [de minderjarige B.] zijn belast.

In het arrest van het Gerechtshof Leeuwarden d.d. 22 maart 2006 (rekestnummer 0500344) is de beslissing op voormeld verzoek van verweerster en haar huidige partner voor onbepaalde tijd aangehouden.

Daarbij is bepaald, dat [verzoekster] het Hof zal berichten omtrent de door deze rechtbank gegeven (eind-) beschikking op haar inleidend verzoek om te bepalen dat zij mede (tezamen met [verweerster]) is belast met het (gezamenlijk) gezag over de minderjarige B., onder overlegging van een exemplaar van de desbetreffende beschikking en wel binnen een termijn van veertien dagen na het geven van die (eind-) beschikking.

Het Hof heeft daarbij onder meer het volgende overwogen:

Ingeval na vorenbedoeld bericht van [verzoekster] mocht blijken, dat de termijn van drie maanden voor het indienen van hoger beroep tegen voornoemde (eind) beschikking ongebruikt zal zijn verstreken, zodat deze (eind-) beschikking alsdan in kracht van gewijsde zal zijn gegaan, zal het Hof een beslissing geven op het verzoek van verweerster en haar huidige partner.

Ingeval mocht blijken dat tegen voormelde beschikking van deze rechtbank hoger beroep is ingesteld door [verzoekster] en/of [verweerster] en/of de huidige partner van verweerster zal het Hof - nadat belanghebbenden in de gelegenheid zijn gesteld om een verweerschrift in dat hoger beroep in te dienen - in beide zaken een nadere datum voor de voortzetting van de mondelinge behandeling bepalen, waarbij de zaken vervolgens gevoegd behandeld zullen worden.

Partijen hebben elk bij akte d.d. 21 maart 2006 om aanhouding verzocht en zij hebben elk bij akte d.d. 25 april 2006 verzocht de zaak op de rol te plaatsen voor beschikking.

beoordeling:

1. Gelet op de beschikking van het Gerechtshof Leeuwarden van 22 maart 2006 ligt thans ter beoordeling voor het (deel-)verzoek van [verzoekster] om te bepalen, dat zij mede met [verweerster] het gezag over de minderjarige B. heeft, welk verzoek is gebaseerd op haar wens om rechtstreeks informatie te kunnen inwinnen en op basis daarvan beslissingen te kunnen nemen in het belang van de minderjarige B.

2. [verweerster] heeft tegen dit verzoek verweer gevoerd en zich daarbij op het standpunt gesteld, dat [verzoekster] niet-ontvankelijk is in haar verzoek omdat bij beschikking van deze rechtbank van 19 mei 2005 is bepaald, dat verweerster en haar huidige partner gezamenlijk het gezag over de minderjarige B. uitoefenen.

3. De rechtbank stelt in de eerste plaats vast, dat laatstgenoemde beschikking niet in kracht van gewijsde is gegaan omdat [verzoekster] daarvan in hoger beroep is gekomen, in welk beroep zij door het Gerechtshof Leeuwarden bij beschikking van 22 maart 2006 als belanghebbende is ontvangen.

Het gezamenlijk gezag van verweerster en haar huidige partner over de minderjarige B. heeft (nog) geen aanvang genomen, omdat de beschikking van de rechtbank van 19 mei 2005 niet uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.

Aan de stelling van [verweerster], dat reeds in het gezamenlijk gezag over B. is voorzien, gaat de rechtbank dan ook voorbij.

4. Met betrekking tot het verzoek van [verzoekster] overweegt de rechtbank verder als volgt.

Tussen partijen staat vast, dat [verzoekster] niet in een familierechtelijke betrekking tot B. staat.

Eveneens staat vast, dat [verweerster] thans op grond van artikel 1:253b BW van rechtswege alleen het gezag over B. uitoefent.

De rechtbank tekent daarbij aan, dat artikel 1: 253sa BW, dat bepaalt dat over een staande huwelijk of geregistreerd partnerschap geboren kind een ouder en zijn echtgenoot of geregistreerd partner die niet de ouder is, gezamenlijk het gezag uitoefenen, tenzij het kind tevens in familierechtelijke betrekking staat tot een andere ouder, in de onderhavige situatie niet van toepassing is, omdat dit wetsartikel pas na de geboorte van B. (27 juni 2001) op 1 januari 2002 in werking is getreden.

5. Ingevolge artikel 1: 253t BW kan de rechtbank, indien het gezag over een kind bij één ouder berust, op gezamenlijk verzoek van de met het gezag belaste ouder en een ander dan de ouder die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, hen gezamenlijk met het gezag over het kind belasten.

In dit geval is geen sprake van een gezamenlijk verzoek van [verweerster] en [verzoekster], zodat de vraag moet worden beantwoord of [verzoekster] in haar eenzijdig verzoek kan worden ontvangen.

De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

6. [verzoekster] en [verweerster] zijn een geregistreerd partnerschap met elkaar aangegaan en binnen dat partnerschap zijn twee thans nog minderjarige kinderen geboren. [verzoekster] en [verweerster] hebben gezamenlijk het gezag over de minderjarige B. [verzoekster] en [verweerster] hebben tot een jaar na de geboorte van de minderjarige M. in gezinsverband met elkaar samengewoond en hebben tot het moment, waarop de relatie tussen hen feitelijk is verbroken, gezamenlijk zorggedragen voor de opvoeding van beide kinderen. Het geregistreerde partnerschap is op 24 maart 2003 ontbonden. Er is omgang tussen [verzoekster] en beide kinderen.

7. Gelet op die feiten is de rechtbank van oordeel, dat de uit artikel 1:235t BW voortvloeiende regel, dat enkel op gezamenlijk verzoek van [verzoekster] en [verweerster] het gezamenlijk gezag over de minderjarige B. kan worden toegekend, een ongeoorloofde beperking is van het door artikel 6 lid 1 EVRM gegarandeerde recht van [verzoekster] op toegang tot de rechter ter vaststelling van het aan artikel 8 lid 1 EVRM ontleende (burger-) recht op “eerbiediging van het recht op een gezinsleven”.

[verzoekster] moet derhalve, ook al staat zij niet in een familierechtelijke betrekking tot B., aan de rechter de vraag kunnen voorleggen of grond aanwezig is tot wijziging van het eenhoofdig gezag over B. in gezamenlijk gezag, nu de Nederlandse wetgever de mogelijkheid van uitoefening van gezamenlijk gezag niet heeft uitgesloten en inmiddels van rechtswege verleent aan een ouder en zijn echtgenoot of geregistreerde partner die niet de ouder is, tenzij het kind tevens in familierechtelijke betrekking staat tot een andere ouder.

Dit laatste is in casu niet het geval.

8. [verzoekster] is dan ook ontvankelijk in haar verzoek.

9. De rechtbank zal de beslissing omtrent het over B. uit te oefenen gezag aanhouden en partijen in de gelegenheid stellen daaromtrent nadere informatie te verstrekken, omdat de rechtbank thans over onvoldoende gegevens beschikt op grond waarvan zij kan beoordelen of het verzoek van [verzoekster] indruist tegen de gerechtvaardigde belangen van [verweerster], B. en de huidige partner van verweerster op eerbiediging van hun gezinsleven of dat andere zwaarwegende belangen zich tegen toewijzing verzetten en de gegronde vrees bestaat, dat de belangen van B. daarbij zouden worden verwaarloosd.

De zaak wordt daartoe verwezen naar de enkelvoudige kamer van deze rechtbank, die zal overgaan tot na te melden behandeling ter terechtzitting met gesloten deuren.

BESLISSING

houdt iedere beslissing met betrekking tot het over de minderjarige B. uit te oefenen gezag aan en verwijst de zaak naar de enkelvoudige familiekamer van deze rechtbank;

bepaalt dat de behandeling door die enkelvoudige kamer zal plaatsvinden ter terechtzitting met gesloten deuren op donderdag 17 augustus 2006 te 14.30 uur.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C. van den Noort (voorzitter), K.R. Bosker en J. Smit en door mr. Bosker uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 juni 2006, in tegenwoordigheid van de griffier.