Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2006:AY6371

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
24-03-2006
Datum publicatie
16-08-2006
Zaaknummer
AWB 05/1075
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft met hetgeen hij naar voren heeft gebracht niet aannemelijk gemaakt dat de op het poststempel vermelde datum onjuist is dan wel anderszins aannemelijk gemaakt, bijvoorbeeld door een bewijs van aangetekende verzending, dat hij het bezwaarschrift op de laatste dag van de bezwaartermijn ter post heeft bezorgd. Bezwaar terecht n-o verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2006/1205
FutD 2006-1612
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector bestuursrecht, enkelvoudige

belastingkamer

Zaaknummer: AWB 05/1075

Uitspraakdatum: 24 maart 2006

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[eiser], wonende

te [woonplaats], eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Groningen, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 11 juli 2005 op het bezwaar van eiser tegen de beschikking van 28 februari 2005, welk bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard wegens het niet tijdig indienen van het bezwaar.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2006. Partijen zijn aldaar verschenen. De gemachtigde van verweerder is bijgestaan door H.D. Kroon, gecertificeerd WOZ-taxateur. Tevens was, met toestemming van eiser, ter zitting aanwezig de heer

R. Snikker, een collega van H.D. Kroon.

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2. Gronden

Eiser heeft ter zitting verklaard dat, anders dan in het beroepschrift is gesteld, hij zijn bezwaar niet op vrijdag 8 april 2005 maar op zondag 10 april 2005 het bezwaarschrift kenbaar heeft gemaakt. Op die dag heeft hij het ter post heeft bezorgd. Voorts verklaart hij dat 11 april 2005 de laatste dag was waarop bezwaar kon worden gemaakt en dat uiterlijk op die dag het bezwaarschrift ter post moest zijn bezorgd. In de bijlage bij de beschikking staat niet vermeldt op welke datum het bezwaarschrift ter post is bezorgd. Desgevraagd geeft eiser aan dat hij niet aannemelijk kan maken dat hij het bezwaarschrift op 10 april 2005 ter post heeft bezorgd. Evenmin heeft hij een verklaring voor de vermelding van de datum 12 april 2005 op het poststempel.

Verder verklaart eiser dat hij bij de uitspraak op bezwaar onvolledig en niet juist is geïnformeerd over hoe hij moet handelen bij het indienen van een bezwaarschrift. Hoewel in de bijlage staat vermeldt dat binnen zes weken na verzending bezwaar moet zijn gemaakt, is hij niet op de hoogte gesteld welke artikelen van de Awb van toepassing waren en wanneer het bezwaarschrift ter post had moeten zijn bezorgd.

De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting verklaard dat in de bijlage bij de beschikking is vermeld dat binnen zes weken na dagtekening van de beschikking bezwaar kan worden gemaakt. Er is voor gekozen om in de bijlage niet alle artikelen van de Awb te vermelden. Eiser had ter zekerheidsstelling van de termijn tijdig bezwaar kunnen maken.

De rechtbank zal onmiddellijk uitspraak doen.

De dagtekening van het in bezwaar bestreden besluit is 28 februari 2005 en er is geen reden om aan te nemen dat het besluit pas na die datum is verzonden. De bezwaartermijn van zes weken is derhalve aangevangen op 1 maart 2005 en aldus - anders dan eiser bij beroepschrift doet betogen - geëindigd op 11 april 2005. Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat de door verweerder verstrekte informatie in deze voldoende duidelijkheid biedt.

De rechtbank stelt vast dat het bezwaarschrift van eiser is gedagtekend op vrijdag

8 april 2005 en, zoals in het verweerschrift is aangegeven, door verweerder eerst is ontvangen op woensdag 13 april 2005. Voorts stelt de rechtbank vast dat de poststempel op de enveloppe waarin het bezwaarschrift is verzonden als datum dinsdag 12 april 2005 vermeldt.

Het bezwaarschrift is, gelet op de artikelen 6:7, 6:9, eerste lid, van de Awb juncto artikel 22j, onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen buiten de daarvoor gestelde termijn ingediend. Ingevolge het tweede lid van artikel 6:9 Awb is bij verzending per post een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

In het geval dat het bezwaarschrift, gelet op de poststempel, te laat ter post lijkt bezorgd, is het aan eiser om te stellen en aannemelijk te maken dat het bezwaarschrift wel op de laatste dag van de bezwaartermijn in de brievenbus is gedeponeerd.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan.

Eerst ter zitting heeft eiser gesteld dat hij het bezwaarschrift op zondag 10 april 2005 ter post heeft bezorgd. Uitgaande van de juistheid van de stelling van eiser mag er van worden uitgegaan dat in het geval dat de brief vóór de laatste lichting is gepost, deze wordt afgestempeld op de dag van de lichting, ook al vindt de daadwerkelijke afstempeling plaats na 24.00 uur. In het geval dat de brief ná de laatste lichting is gepost, mag er van worden uitgegaan dat het bezwaarschrift het poststempel krijgt van de (eerste werk)dag erna, te weten maandag 11 april 2005.

De rechtbank overweegt in deze dat het poststempel op de enveloppe waarin het bezwaarschrift is verzonden als datum dinsdag 12 april 2005 vermeldt. Eiser heeft met hetgeen hij naar voren heeft gebracht niet aannemelijk gemaakt dat de op het poststempel vermelde datum onjuist is dan wel anderszins aannemelijk gemaakt, bijvoorbeeld door een bewijs van aangetekende verzending, dat hij het bezwaarschrift op de laatste dag van de bezwaartermijn ter post heeft bezorgd.

Eiser heeft geen rechtvaardiging voor de termijnoverschrijding gegeven.

Derhalve is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb die in de weg zou staan aan een niet-ontvankelijkverklaring. Verweerder heeft het bezwaar daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Het beroep is ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan op 24 maart 2006 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. M.P. den Hollander, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier.

Afschrift aangetekend

verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden, Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een schriftelijke verklaring van de wederpartij gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank;

2 - tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal de rechtbank deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.

AWB 05/1075 blad 3

proces-verbaal uitspraak