Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2006:AY5125

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
24-07-2006
Datum publicatie
26-07-2006
Zaaknummer
AWB 06/848 BESLU V02
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De gemeente Winschoten heeft Grillroom Tel Aviv van 31 mei 2006 tot 31 mei 2007 gesloten op grond van artikel 13b Opiumwet. De verzoekster is sedert 1 februari 2006 eigenares van de grillroom en stelt dat al hetgeen zich vóór die datum zou hebben afgespeeld haar niet verweten kan worden. Bovendien is verzoekster van mening dat de gemeente haar eerst een waarschuwing had dienen te geven.

De gemeente is tot het bestreden besluit gekomen op grond van het proces-verbaal van de regiopolitie Groningen van 1 mei 2006 waaruit blijkt dat in de grillroom in harddrugs wordt gehandeld. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de gemeente in redelijkheid heeft kunnen komen tot het thans bestreden besluit, waarbij het besluit niet willekeurig, niet disproportioneel en niet onredelijk is te achten. Dat de gemeente ervoor heeft gekozen de grillroom voor de periode van 12 maanden te sluiten in plaats van eerst te waarschuwen is in overeenstemming met het beleid dat de gemeente voert en acht de voorzieningenrechter niet onredelijk omdat ook sedert het moment waarop verzoekster eigenares van de inrichting werd zich incidenten hebben voorgedaan. De voorzieningrechter wijst daarom het verzoek af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer.: AWB 06/848 BESLU V02

van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van

[verzoekster], wonende te [woonplaats], verzoekster,

gemachtigde: mr. J. Gepken

ten aanzien van het besluit van 19 mei 2006, kenmerk: 2006005965, van

de burgemeester van Winschoten, verweerder,

gemachtigde: mr. E. Hardenberg.

1. PROCESVERLOOP

Bij het hiervoor genoemde besluit van 19 mei 2006 heeft verweerder besloten de inrichting grillroom 'Tel Aviv' op grond van artikel 13b Opiumwet per 31 mei 2006 te sluiten tot en met 31 mei 2007.

Tegen dit besluit (hierna te noemen: het bestreden besluit) heeft verzoekster bij brief van

9 juni 2006 op grond van artikel 7:1, eerste lid, Awb, een bezwaarschrift ingediend bij verweerder.

Bij verzoekschrift van gelijke datum heeft verzoekster de voorzieningenrechter gevraagd met betrekking tot het bestreden besluit een voorlopige voorziening te treffen in die zin dat het wordt geschorst en verweerder te veroordelen in de proceskosten.

Verweerder heeft op 19 juni 2006 de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, aan partijen verzonden.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de voorzieningenrechter van 20 juli 2006.

Verzoekster is daar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en

[naam].

2. RECHTSOVERWEGINGEN

standpunten van partijen

Verzoekster is sedert 1 februari 2006 eigenares van de grillroom zodat al hetgeen zich vóór die datum zou hebben afgespeeld haar niet verweten kan worden. Zij heeft immers niets kunnen ondernemen om iets te doen aan de beweerde situatie. Vanaf het moment waarop verzoekster de grillroom exploiteerde heeft zij strenge en duidelijke huisregels gehanteerd. Sluiting heeft grote nadelige financiële gevolgen voor verzoekster. In het bestreden besluit wordt ten onrechte gesteld dat de heer Naser eigenaar c.q. uitbater van de grillroom is. Verzoekster is dat immers sedert 1 februari 2006.

De persoon waarvan de politie aangeeft dat hij zou hebben verklaard drugs te hebben gekocht in de grilroom van verzoekster heeft verzoekster schriftelijk verklaard dat hij dat niet heeft gedaan, doch de drugs in Groningen heeft gekocht. Zelfs indien dit incident -het enige sedert verzoekerster eigenares is- zich heeft voorgedaan rechtvaardigt het geen sluiting voor de periode van een jaar. Verzoekster is van mening dat verweerder haar eerst een waarschuwing had dienen te geven.

Verweerder is tot het bestreden besluit gekomen op grond van de overweging dat uit het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van de regiopolitie Groningen van 1 mei 2006 blijkt dat in de grillroom in harddrugs wordt gehandeld. Verweerder acht de gevolgen van de handel in harddrugs voor de openbare orde en het woon- en leefklimaat ontoelaatbaar. Op grond van het vastgestelde beleid wordt ingeval sprake is van handel in harddrugs tot onmiddellijke sluiting overgegaan.

wettelijk kader

Ingevolge artikel 13b Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot toepassing van bestuursdwang indien in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

Op grond van artikel 5:21 Awb wordt onder bestuursdwang verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

Artikel 5:28 Awb bepaalt dat tot de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang behoort het verzegelen van gebouwen, terreinen en hetgeen zich daarin of daarop bevindt.

beoordeling van het verzoek

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb, kan, voor zover hier van belang, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter concludeert dat aan de eerste twee in artikel 8:81 van de Awb geformuleerde formele vereisten is voldaan nu verzoekster een bezwaarschrift heeft ingediend tegen de besluiten ter zake waarvan de voorlopige voorziening wordt gevraagd en de rechtbank Groningen bevoegd moet worden geacht om van de (eventuele) hoofdzaak kennis te nemen.

Verweerder heeft het bestreden besluit genomen naar aanleiding van het door de inspecteur van de regiopolitie Groningen, district Midden/Oost, basiseenheid Winschoten, onder ambtseed opgemaakte proces-verbaal van 1 mei 2006. In dat proces-verbaal wordt gesteld dat hem uit verschillende berichten is gebleken dat er handel in verdovende middelen zou plaatsvinden in de localiteit gevestigd aan het Marktplein 3A te Winschoten. Bij brief van

4 juli 2006 heeft verweerder voorts een aanvullend proces-verbaal van de inspecteur van de regiopolitie van 4 juli 2006 overgelegd. Op grond van het in genoemde processen-verbaal gestelde komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het zeer aannemelijk is dat in de grillroom van verzoekster is gehandeld in harddrugs. Dat een aantal van de in de processen-verbaal genoemde incidenten heeft plaatsgevonden vóórdat verzoekster eigenaar werd van de grillroom acht de voorzieningenrechter van ondergeschikt belang omdat het om dezelfde inrichting gaat waarvan verzoekster de exploitatie heeft voortgezet en ook sedert het moment waarop verzoekster eigenares werd van de grillroom er incidenten hebben plaatsgevonden. Verzoekster bestrijdt één van de incidenten door een verklaring over te leggen van een persoon die tegen de politie iets anders verklaard zou hebben dan wordt gesteld in het proces-verbaal van 1 mei 2006 terzake van een incident op 1 april 2006. Daargelaten het antwoord op de vraag of dit ander licht op de zaak kan werpen is de voorzieningenrechter van oordeel dat reeds op grond van de overige incidenten verweerder op goede grond heeft geconcludeerd dat sprake is van handel in harddrugs in de grillroom van verzoekster. Opgemerkt zij hierbij nog dat het hier geen procedure betreft waarbij strafrechtelijke bewijsregels gelden (vergelijk: Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State,

11 december 2002, LJN-nummer AF1728). Verweerder kon in het kader van deze bestuursrechtelijke procedure uitgaan van het feitencomplex zoals dat blijkt uit genoemde processen-verbaal.

Op grond van het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen komen tot het thans bestreden besluit, waarbij het besluit niet willekeurig, niet disproportioneel en niet onredelijk is te achten. Dat verweerder ervoor heeft gekozen de inrichting voor de periode van 12 maanden te sluiten in plaats van eerst te waarschuwen is in overeenstemming met het beleid dat verweerder voert en acht de voorzieningenrechter niet onredelijk omdat ook sedert het moment waarop verzoekster eigenares van de inrichting werd zich incidenten hebben voorgedaan.

Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat verweerder bij de belangenafweging de belangen van verzoekster onvoldoende heeft meegewogen. Niet gezegd kan worden dat verweerder de belangen bij handhaving van de geldende regelgeving niet in redelijkheid heeft kunnen laten prevaleren. Naar het zich thans laat aanzien kan het bestreden besluit in rechte stand houden. Onder deze omstandigheden komt het verzoek om voorlopige voorziening niet voor inwilliging in aanmerking.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

wijst het verzoek af.

Aldus gegeven door mr. A. Houtman, voorzieningenrechter en in het openbaar door haar uitgesproken op 24 juli 2006, in tegenwoordigheid van M.J. 't Hart als griffier.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.