Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2006:AY5119

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
25-07-2006
Datum publicatie
26-07-2006
Zaaknummer
AWB 06/930 BELEI
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De burgemeester van Groningen heeft geweigerd een evenementenvergunning te verlenen voor een halve marathon op 27 augustus 2006 omdat op die dag ook een ander evenement gepland is. Vergunning voor dat andere evenement was eerder aangevraagd. Uit oogpunt van veiligheid heeft verweerder vergunning verleend. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af omdat het treffen van een voorlopige voorziening in dit geval zeer vergaand is en niet evident is dat verzoeker de gevraagde vergunning verleend had dienen te worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer.: AWB 06/930 BELEI V02

van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van

Inter-Action, gevestigd te Groningen, verzoeker,

gemachtigde: mr. A.A. Westers

ten aanzien van het besluit van 27 april 2006, kenmerk: BD 06.27889, van

de burgemeester van Groningen, verweerder,

gemachtigde: mr. R. Snel.

1. PROCESVERLOOP

Bij het hiervoor genoemde besluit van 27 april 2006 heeft verweerder de door verzoeker gedane aanvraag voor het organiseren van de Bommen Berendloop op 27 augustus 2006 afgewezen.

Tegen dit besluit heeft verzoeker op grond van artikel 7:1, eerste lid, Awb, bij brief van 23 mei 2006, een bezwaarschrift ingediend bij verweerder.

Bij verzoekschrift van 20 juni 2006, aangevuld op 26 juni 2006, heeft verzoeker de voorzieningenrechter gevraagd met betrekking tot het bestreden besluit een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft op 30 juni 2006 de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 5 juli 2006 heeft mr. A.A. Westers zich gesteld als gemachtigde van verzoeker.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, aan partijen verzonden.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de voorzieningenrechter van 20 juli 2006.

Verzoeker heeft zich ter zitting door zijn gemachtigde laten vertegenwoordigen, vergezeld van [...].

Verweerder heeft zich ter zitting door zijn gemachtigde laten vertegenwoordigen en mr. A.A. Eising.

2. RECHTSOVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb, kan, voor zover hier van belang, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter concludeert dat aan de eerste twee in artikel 8:81 van de Awb geformuleerde formele vereisten is voldaan nu verzoeker een bezwaarschrift heeft ingediend tegen het besluit ter zake waarvan de voorlopige voorziening wordt gevraagd en de rechtbank Groningen bevoegd moet worden geacht om van de (eventuele) hoofdzaak kennis te nemen.

Verzoeker beoogt met zijn verzoek om voorlopige voorziening te bereiken dat hij hangende de behandeling van het door hem op 23 mei 2006 bij verweerder ingediende bezwaarschrift wordt behandeld als ware hij in het bezit van de door hem gewenste vergunning.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de gevraagde voorlopige voorziening een zeer vergaande is, en, de facto, het karakter van voorlopigheid ontbeert. Eerst indien sprake is van zeer bijzondere omstandigheden zou zodanige voorlopige voorziening kunnen worden getroffen. Genoemde 'zeer bijzondere omstandigheden' kunnen naar het oordeel van de voorzieningenrechter in beginsel slechts aanwezig worden geacht indien wordt geoordeeld dat het evident, zonder enige twijfel, is dat de gevraagde vergunning verleend dient te worden.

De aanvraag om vergunning van verzoeker is gedateerd 26 januari 2006 en ziet op het houden van de zogenoemde Bommenberendloop op 27 augustus 2006 om 19:30 uur. Het gaat daarbij om een halve marathon.

Voorafgaand aan de aanvraag van verzoeker heeft Stichting Groningen Stad Marathon bij aanvraag van 3 december 2005 verweerder verzocht haar vergunning te verlenen voor het houden van een marathon en een halve marathon, beginnend om 09:30 uur.

Uit de terzake overgelegde stukken alsmede het ter zitting van 20 juli 2006 besprokene blijkt dat na het indienen van de aanvraag door verzoeker door tussenkomst van de gemeente verzoeker en Stichting Groningen Stad Marathon bij elkaar zijn gekomen teneinde te pogen samen de evenementen te organiseren. Uit de stukken blijkt dat dat aanvankelijk leek te lukken, doch bij brief van 25 april 2006 heeft Stichting Groningen Stad Marathon verweerder medegedeeld het vertrouwen in verzoeker te hebben verloren, zij wil dan ook niet doorgaan met verzoeker. Verweerder heeft daarop verzoeker ontboden op 27 april 2006 en heeft medegedeeld dat de door hem gevraagde vergunning wordt geweigerd. In het bestreden besluit stelt verweerder dat tijdens de coördinatievergaderingen is gebleken dat de samenwerking tussen verzoeker en Stichting Groningen Stad Marathon uiterst moeizaam verloopt en dat naar het oordeel van alle overheidsbetrokkenen door de opstelling van verzoeker voortdurend vertraging wordt opgelopen in de voorbereiding van het evenemet. Alle pogingen van de Stichting Stad Groningen Marathon ten spijt om de benodigde samenwerking tijdig vorm te geven en te komen tot een geïntegreerd draaiboek voor de vergunningaanvraag zijn gestuit op onwil en onvermogen van verzoeker. Ook de politie heeft negatief geadviseerd. Verweerder heeft er gezien de ervaringen met verzoeker geen vertrouwen in dat de samenwerking alsnog gestalte zal krijgen.

De stelling van verweerder met betrekking tot de moeizame samenwerking met verzoeker blijkt naar het oordeel van de voorzieningenrechter slechts in geringe mate uit de door partijen overgelegde stukken. Uit de stukken noch uit het ter zitting door partijen betoogde is kunnen blijken 'waar het fout ging' tussen Stichting Groningen Stad Marathon en verzoeker. Echter, dát de samenwerking tussen verzoeker en Stichting Groningen Stad Marathon schipbreuk heeft geleden blijkt ondubbelzinnig uit de brief van Stichting Groningen Stad Marathon van 25 april 2006.

Of de omstandigheid dat de door verweerder geëiste samenwerking niet tot stand is gekomen gelet op het wettelijk kader een grond oplevert de door verzoeker gevraagde vergunning te weigeren en wie het te verwijten valt dat de samenwerking is beëindigd acht de voorzieningenrechter in deze procedure van ondergeschikt belang. Beoordeeld dient te worden of verweerder op grond van het bepaalde in artikel 1.5 en artikel 2.2.2, derde lid, APVG in redelijkheid heeft kunnen besluiten de door verzoeker gevraagde vergunning te weigeren.

Ingevolge artikel 2.2.2, eerste lid, Algemene Plaatselijke Verordening Groningen 2005 (hierna te noemen: APVG) is het verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.

Artikel 1.5 APVG bepaalt dat het bevoegde bestuursorgaan een aanvraag voor een vergunning of ontheffing op grond van deze verordening kan afwijzen indien tegelijkertijd voor dezelfde plaats reeds een vergunning of ontheffing krachtens deze verordening is verleend of daarvoor reeds een volledige aanvraag was binnengekomen en de verschillende activiteiten of handelingen waarvoor een vergunning of ontheffing is gevraagd of verleend redelijkerwijs niet tegelijkertijd op dezelfde plaats kunnen worden gehouden of uitgevoerd.

De vergunning kan op grond van artikel 2.2.2, derde lid, APVG worden geweigerd in het belang van:

a. de openbare orde;

b. het voorkomen of beperken van overlast;

c. de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen

(...).

De voorzieningenrechter is van oordeel dat sprake is van evenementen als bedoeld in artikel 1.5 APVG. Voorts staat vast dat de door verzoeker ingediende aanvraag om vergunning is ingediend nadat vergunning was gevraagd door Stichting Groningen Stad Marathon. Gelet op het door de politie op 26 april 2006 uitgebrachte advies, waarin onder meer wordt gesteld dat een negatief advies zal worden uitgebracht indien geen sprake is van 1 parcours en 1 start- en finishplaats, komt de voorzieningenrechter op grond van het bepaalde in artikel 2.2.2, derde lid, APVG, tot het oordeel dat het geenszins evident is dat de door verzoeker gevraagde vergunning verleend had dienen te worden.

Het verzoek om voorlopige voorziening komt derhalve niet voor inwilliging in aanmerking.

De voorzieningenrechter overweegt voorts nog dat zelfs ingeval de door verzoeker gevraagde voorlopige voorziening zou worden getroffen het nog maar zeer de vraag is of hij daarmee het door hem beoogde doel zou kunnen bereiken. Dit gelet op de omstandigheid dat het evenement dat hij wenst te realiseren deels loopt over andere grondgebieden dan het grondgebied van de gemeente Groningen en de burgemeester van Haren heeft besloten de aanvraag om vergunning van verzoeker aan te houden totdat het thans bestreden besluit onherroepelijk is geworden. Tegen dat (aanhoudings)besluit heeft verzoeker geen bezwaarschrift ingediend. Doordat verzoeker tegen het bestreden besluit een bezwaarschrift heeft ingediend waarop niet zal worden beslist vóór 27 augustus 2006 zal het bestreden besluit vóór de datum van het evenement niet onherroepelijk worden en zal de burgemeester van Haren dus niet beslissen op het verzoek om vergunning.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE

wijst het verzoek af

aldus gegeven door mr. A. Houtman, voorzieningenrechter en in het openbaar door haar uitgesproken op 25 juli 2006, in tegenwoordigheid van M.J.'t Hart als griffier.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

typ: HtH.

Zaaknummer: AWB 06/930 BELEI V02 blad 2

uitspraak