Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2006:AX9290

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
22-06-2006
Datum publicatie
23-06-2006
Zaaknummer
18/670102-06 en 18/670055-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank in Groningen is van oordeel dat een poging tot doodslag gepleegd op 16 februari 2006 in Groningen wettig en overtuigend bewezen is, maar is ook van mening dat de 25-jarige verdachte niet schuldig is: er is sprake van noodweerexces. De rechtbank ontslaat de man daarom van alle rechtsvervolging.

De man heeft voor een ander delict wel een gevangenisstraf van vijf maanden opgelegd gekregen. Voor dat delict is hij op 7 juni 2005 tot 15 maanden gevangenisstraf veroordeeld, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met als bijzondere voorwaarde dat hij zich moest houden aan de voorschriften en aanwijzingen van de reclassering. De man heeft zich hier niet aan gehouden, daarom is de voorwaardelijke straf nu omgezet naar een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2006, 202
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN, sector strafrecht

parketnummers :

18/670102-06 en

18/670055-05 (vordering na voorwaardelijke veroordeling)

datum uitspraak : 22 juni 2006

op tegenspraak

raadsvrouw : mr. S. Kromdijk

vonnis van de rechtbank te Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen :

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Somalië) op [geboortedatum] 1981,

wonende te [woonplaats], thans preventief gedetineerd in de gevangenis De Marwei in Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

8 juni 2006.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd : dat

hij op of omstreeks 16 februari 2006, in de gemeente Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] (met kracht)

- heeft (weg)geduwd en/of in/op/tegen het gezicht heeft gestompt en/of geslagen, (waardoor

die [slachtoffer] ten val is gekomen), en/of

- (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, (telkens) op/tegen het hoofd heeft gestompt

en/of geslagen en/of op/tegen het lichaam heeft getrapt en/of geschopt, en/of

- met een (volle/gevulde) (wijn)fles en/of een glazen asbak, althans een of meer harde

voorwerpen, op/tegen het hoofd heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 16 februari 2006 in de gemeente Groningen aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (multiple verwondingen gelaat met verlies huid en/of substantie), heeft toegebracht, door deze opzettelijk (met kracht)

- (weg) te duwen en/of in/op/tegen het gezicht te stompen en/of te slaan, (waardoor die

[slachtoffer] ten val is gekomen), en/of

- (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, (telkens) op/tegen het hoofd te stompen en/of te

slaan en/of op/tegen het lichaam te trappen en/of te schoppen, en/of

- met een (volle/gevulde) (wijn)fles en/of een glazen asbak, althans een of meer harde

voorwerpen, op/tegen het hoofd te slaan;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 16 februari 2006 in de gemeente Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] (met kracht)

- heeft (weg)geduwd en/of in/op/tegen het gezicht heeft gestompt en/of geslagen, (waardoor

die [slachtoffer] ten val is gekomen), en/of

- (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, (telkens) op/tegen het hoofd heeft gestompt

en/of geslagen en/of op/tegen het lichaam heeft getrapt en/of geschopt, en/of

- met een (volle/gevulde) (wijn)fles en/of een glazen asbak, althans een of meer harde

voorwerpen, op/tegen het hoofd heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 16 februari 2006 in de gemeente Groningen opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]),

- heeft (weg)geduwd en/of in/op/tegen het gezicht heeft gestompt en/of geslagen, (waardoor

die [slachtoffer] ten val is gekomen), en/of

- (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, (telkens) op/tegen het hoofd heeft gestompt

en/of geslagen en/of op/tegen het lichaam heeft getrapt en/of geschopt, en/of

- met een (volle/gevulde) (wijn)fles en/of een glazen asbak, althans een of meer harde

voorwerpen, op/tegen het hoofd heeft geslagen,

tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (multiple verwondingen gelaat met verlies huid en/of substantie), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van voorarrest, alsmede dat de vordering na voorwaardelijke veroordeling wordt toegewezen.

Overweging met betrekking tot het bewijs en bewezenverklaring

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde, de poging tot doodslag, bewezen.

De verdachte heeft aangevoerd dat hij niet de intentie had om [slachtoffer] te doden, en dat bovendien de klap die hij [slachtoffer] met een fles tegen diens hoofd heeft toegebracht niet fataal had kunnen zijn voor [slachtoffer].

De rechtbank stelt vast dat de verdachte zowel in zijn verklaringen bij de politie als ter terechtzitting heeft verklaard dat hij [slachtoffer] eerst met een gevulde wijnfles en daarna met een glazen asbak tegen het hoofd heeft geslagen. Gelet op de medische verklaring van de behandelend arts van het Martini Ziekenhuis te Groningen met betrekking tot het letsel van [slachtoffer], moet de verdachte met de fles en/of asbak hebben uitgehaald ter hoogte van het linker jukbeen en het voorhoofd van [slachtoffer], derhalve op een zeer kwetsbare plaats.

De combinatie van factoren, te weten : de door de verdachte gebruikte voorwerpen (een gevulde wijnfles en een glazen asbak), de kracht waarmee de verdachte met die fles moet hebben geslagen (die fles werd immers kapot geslagen tegen het hoofd van [slachtoffer]), het gegeven dat de fles kapotgeslagen werd (waardoor verwondingen zijn ontstaan of konden ontstaan door scherpe delen daarvan) en de plaats van het toegebrachte letsel, is dusdanig gevaarlijk, dat de verdachte door zo te handelen zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] hierdoor zou komen te overlijden. De rechtbank acht op grond van het bovenstaande voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] bewezen. De rechtbank acht op grond van eerdergenoemde combinatie van factoren het door de verdachte gebruikte middel een deugdelijk middel om een fataal gevolg te bewerkstelligen.

De rechtbank laat vooralsnog daarbij in het midden wat de achtergrond van de uithalen van de verdachte was.

De rechtbank acht op grond van de hierboven genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat :

hij op 16 februari 2006 in de gemeente Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] met kracht heeft weggeduwd en geslagen en

tegen het lichaam heeft getrapt en met een gevulde wijnfles en een glazen asbak tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd.

De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Kwalificatie

Hetgeen de rechtbank als bewezen heeft aangenomen levert het volgende strafbare feit op :

poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Ten aanzien van de strafbaarheid van de verdachte heeft de rechtbank gelet op de psychiatrische onderzoeksrapportage van 1 juni 2006, opgemaakt door de psychiater

B.T. Takkenkamp. De conclusie van dat rapport luidt, zakelijk weergegeven, dat het ten laste gelegde en bewezen verklaarde aan de verdachte volledig kan worden toegerekend.

De rechtbank kan zich met deze conclusie verenigen en neemt deze over.

De rechtbank acht de verdachte derhalve in zoverre strafbaar.

Door en namens de verdachte is primair een beroep gedaan op noodweer. Subsidiair is een beroep op noodweerexces gedaan. Hiertoe is aangevoerd dat de verdachte wederrechtelijk werd aangerand door [slachtoffer] op het moment dat de verdachte het café-restaurant van [slachtoffer] wilde verlaten omdat hij niet was gediend van de erotische toenaderingspogingen van [slachtoffer] in zijn richting. Op dat moment heeft

[slachtoffer] de verdachte van achteren bij de keel gepakt en vervolgens aanhoudend vastgehouden aan de mouw van zijn trui, aldus de verdachte. De verdachte wilde hieraan ontkomen, maar kon zich niet losmaken van [slachtoffer] doordat deze hem voortdurend bleef vasthouden. De verdachte heeft daarop gereageerd door [slachtoffer] eerst met kracht weg te duwen en vervolgens - steeds reagerend op een opnieuw hinderen van verdachte om weg te kunnen gaan door [slachtoffer] - deze te slaan, tegen het lichaam te trappen, en eerst met een gevulde wijnfles en vervolgens een glazen asbak tegen het hoofd te slaan. De rechtbank acht de verklaring van de verdachte in deze geloofwaardig.

In zijn aangifte heeft [slachtoffer] een lezing van het feitelijk gebeuren weergegeven die gedeeltelijk afwijkt van de lezing van de verdachte daarover. Volgens de aangifte is het initiatief tot het gebruik van geweld uitgegaan van de verdachte. De rechtbank acht dit echter niet aannemelijk. In het strafdossier zijn geen concrete aanwijzingen hiervoor te vinden. Daarbij komt dat de verdachte er geen aantoonbaar belang bij had [slachtoffer] op een dergelijke wijze aan te vallen. De verdachte heeft verklaard dat hij als dakloze graag van het aanbod van [slachtoffer] gebruik maakte om op een koude winteravond enige tijd ergens binnen te kunnen verblijven. De rechtbank acht de verklaring van de verdachte ook in dit opzicht geloofwaardig.

Er zijn voorts wel aanwijzingen voor de lezing waarin [slachtoffer] als eerste geweld heeft aangewend tegen de verdachte, te weten de kennelijke frustratie van [slachtoffer] over het gegeven dat de verdachte niet in wilde gaan op zijn erotische avances.

De rechtbank heeft bij de beoordeling van het geloofwaardigheidsgehalte van de aangifte tevens betrokken het gegeven dat volgens de aangifte de geweldshandelingen plaatsvonden achter de bar van het café-restaurant. Dit strookt niet met de bevindingen van de technische recherche, waarbij de vechtpartij wordt gesitueerd op een andere plaats, namelijk het tussengedeelte van het café-restaurant. Voorts vindt de aangifte, voor zover daarin wordt gesproken over een enorme klap op het achterhoofd van [slachtoffer], hetgeen een aanval van achteren door de verdachte suggereert, geen ondersteuning in de medische verklaring met betrekking tot het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel. Hetgeen in de medische verklaring is vermeld over het letsel ondersteunt daarentegen wel de lezing van de verdachte over een frontale confrontatie tussen de verdachte en [slachtoffer].

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank aannemelijk dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van lijf en eerbaarheid van de verdachte door [slachtoffer], waartegen verdediging door de verdachte geboden was. De rechtbank acht - anders dan de officier van justitie - geen sprake van de situatie dat de verdachte zich zelf in deze omstandigheden heeft gebracht. De verdachte had wellicht, ook volgens zijn eigen verklaring, kunnen voorzien dat [slachtoffer] seksuele belangstelling voor hem of seksuele bedoelingen met hem zou hebben, maar de verdachte heeft er geen rekening mee kunnen of hoeven houden dat het daarbij tot een escalatie zou komen.

De wijze waarop de verdachte zich heeft verdedigd werd echter disproportioneel vanaf het moment dat de verdachte [slachtoffer] met een gevulde wijnfles en een glazen asbak tegen het hoofd sloeg. Deze handelingen van de verdachte hadden - zoals hierboven reeds is weergegeven - een voor [slachtoffer] fatale afloop kunnen hebben. De rechtbank neemt daarbij echter aan dat de verdachte hierbij de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden als onmiddellijk gevolg van een hevige gemoedsbeweging die door de aanranding van de verdachte door [slachtoffer] is veroorzaakt.

De rechtbank is hierbij uitgegaan van de verklaring van de verdachte ter terechtzitting, inhoudende dat hij angstig werd en in paniek raakte toen hij merkte dat [slachtoffer] hem bleef vasthouden en op hem af bleef komen, ondanks de diverse pogingen die de verdachte ondernam om [slachtoffer] middels wegduwen, slaan en trappen, van zich af te schudden en aan hem te ontkomen, vóórdat hij de wijnfles en de glazen asbak ter verdediging gebruikte. De verdachte heeft verklaard dat hij op dat moment bang was dat [slachtoffer] hem iets aan zou doen. Ook het incident dat [slachtoffer] verdachtes jassen achter de bar had gelegd, waar hij verdachte vervolgens verbood te komen, en deze niet terug wilde geven aan verdachte toen deze weg wilde, droeg bij aan verdachtes angst en overtuiging dat hij niet op een normale wijze uit de situatie weg kon komen. De rechtbank acht de verklaring van de verdachte ook in dit opzicht geloofwaardig.

Op grond van het bovenstaande verwerpt de rechtbank het beroep op noodweer en honoreert de rechtbank het beroep op noodweerexces. De rechtbank acht de verdachte derhalve niet strafbaar en zal de verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

onder het parketnummer 18/670055-05

De officier van justitie heeft op grond van het onherroepelijk geworden vonnis van de meervoudige strafkamer in deze rechtbank van 7 juni 2005 gevorderd dat door deze rechtbank een last tot tenuitvoerlegging zal worden gegeven.

De veroordeelde is bij voormeld vonnis veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens de Reclassering Nederland in Groningen, zolang deze instelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt.

Blijkens de in de vordering na voorwaardelijke veroordeling vermelde brief van de Reclassering Nederland in Groningen van 13 maart 2006 heeft de veroordeelde zich

gedurende de proeftijd schuldig gemaakt aan overtreding van de bijzondere voorwaarde, aangezien de veroordeelde zich niet heeft gehouden aan de voorschriften en aanwijzingen van de reclassering, onder meer op het gebied van het realiseren van huisvesting en het nakomen van afspraken.

De rechtbank is van oordeel dat, nu de veroordeelde de in gemeld vonnis gestelde bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd, alsnog tenuitvoerlegging dient te worden gelast van de niet ten uitvoer gelegde straf.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank :

verklaart het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hierboven is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

verklaart het primair meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart de verdachte voor het primair bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte terzake van alle rechtsvervolging.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling

Gelast de tenuitvoerlegging van het vonnis van de meervoudige strafkamer in deze rechtbank van 7 juni 2005 onder het parketnummer 18/670055-05, voor zover het betreft de toen voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. M.J.B. Holsink, voorzitter, M. Griffioen en

A.L.M. Keirse, in tegenwoordigheid van H. Kingma als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 juni 2006.