Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2006:AX8831

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
29-03-2006
Datum publicatie
20-06-2006
Zaaknummer
85735/JE RK 06-219
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot OTS toegewezen. Daarbij wordt door de kinderrechter - naast de door de Raad aangegeven doelen - een aantal duidelijk omschreven doelen toegevoegd, waarnaar binnen de OTS moet worden gestreefd.

De toevoeging van deze doelen is van belang, omdat de ontwikkeling van de minderjarige feitelijk ruim twee jaar heeft stilgestaan, hij ook in het gedwongen kader van de jeugdreclassering niet heeft meegewerkt en er niet nog meer tijd verloren mag gaan doordat de minderjarige de hulpverlening afhoudt of zelf de voorwaarden wil stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

zaaknr.: 85735 / JE RK 06-219

beschikking kinderrechter d.d. 29 maart 2006

inzake

de minderjarige

kind van:

moeder A.

en

vader B.,

overleden.

De moeder is belast met het gezag over voornoemde minderjarige.

PROCESGANG

Op 22 maart 2006 heeft de Raad voor de Kinderbescherming te Groningen (hierna: de Raad) een verzoekschrift met bijlagen ingediend, gedateerd 21 maart 2006, daartoe strekkende dat de ondertoezichtstelling van voornoemde minderjarige wordt uitgesproken voor de duur van 1 jaar.

Op 29 maart 2006 heeft de kinderrechter de zaak ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld. Gehoord zijn daarbij: de minderjarige, zijn raadvrouw mr. F. Flooren, de moeder, de mevrouw I. Tuin namens de Raad en de heer R. Fokke namens de jeugdreclassering.

OVERWEGINGEN

Raad voor de Kinderbescherming is van mening dat er bij [de minderjarige] sprake is van bedreiging in zijn sociaal-emotionele en cognitieve ontwikkeling omdat:

- [de minderjarige] al twee jaar niet naar school gaat;

- [de minderjarige] veel moeite heeft met de dood van zijn vader;

- [de minderjarige] een sombere indruk maakt;

- [de minderjarige] zegt niet gelukkig te zijn;

- [de minderjarige] een risicovolle vriendengroep heeft;

- [de minderjarige] niet meewerkt aan de hulpverlening vanuit de jeugdreclassering.

De Raad acht vrijwillige hulpverlening ontoereikend nu de inzet van de vrijwillige hulpverlening (IOG) en de jeugdreclassering geen verandering in de situatie van [de minderjarige] heeft gebracht.

De jeugdreclassering is van mening dat hulp in gedwongen kader geen verandering teweeg heeft gebracht en dat het bij [de minderjarige] ook een kwestie is van onwil. Hij wil steeds zelf bepalen of en onder welke voorwaarden hulp wordt verleend. Dit speelt nu al zeer lange tijd. [de minderjarige] heeft nog steeds geen dagbesteding. [de minderjarige] zegt nu wel dat hij hulp wil accepteren en dat hij inziet dat het anders moet, maar de jeugdreclassering heeft hier weinig vertrouwen in. Verdere hulpverlening vanuit de thuissituatie, ook in het kader van een ondertoezichtstelling is een gepasseerd station. Uithuisplaatsing, eventueel gesloten, is nog het enige middel om een verbetering in de situatie van [de minderjarige] te bewerkstelligen.

Moeder en [de minderjarige] zijn het eens met de ondertoezichtstelling. Zij zijn van mening dat er nu wel een positieve verandering bij [de minderjarige] heeft plaatsgevonden. Moeder leert door de hulp van de IOG [de minderjarige] te bereiken en hem aan te sturen. [de minderjarige] gaat nu ook mee naar afspraken bij huisarts en AFJP en houdt zich nu ook in de thuissituatie aan afspraken. Begin april zal een psychologisch onderzoek worden verricht, ook daar zal [de minderjarige] aan meewerken. [de minderjarige] is ook bezig met het vinden van een dagbesteding.

Beoordeling

Uit de overgelegde bescheiden en uit de verklaringen van de gehoorde personen blijkt naar het oordeel van de kinderrechter, dat de voorwaarde in artikel 254 lid 1, Boek 1, van het Burgerlijk Wetboek voor ondertoezichtstelling gesteld, is vervuld. Vast is komen te staan dat andere middelen in vrijwillig kader hebben gefaald om te voorkomen dat de minderjarige in zijn zedelijke en geestelijke belangen wordt bedreigd.

De Raad noemt als doelen van de ondertoezichtstelling:

- Moeder ondersteunen in het uitoefenen van haar gezag;

- Vormgeven van reeds bestaande en toekomstige hulpverlening;

- Ingrijpen bij eventueel verzet van [de minderjarige].

De kinderrechter voegt hier aan toe dat binnen de ondertoezichtstelling gestreefd moet worden naar:

- Het zo snel mogelijk, uiterlijk binnen 2 maanden, hebben van een dagbesteding van [de minderjarige];

- Toezicht houden op, en waarborgen van, het continueren van de nu lopende en opgestarte hulpverlening aan [de minderjarige] en zijn moeder (de IOG, het psychologisch onderzoek en behandeling bij de AFPJ);

- Indien [de minderjarige] niet meewerkt, zo snel mogelijk besluiten of hulp in de thuissituatie nog wel toereikend is om de bedreiging in de ontwikkeling van [de minderjarige] af te wenden.

Deze toevoeging acht de kinderrechter van belang omdat de ontwikkeling van [de minderjarige] nu in feite al meer dan twee jaar stil heeft gestaan, [de minderjarige] ook in het gedwongen kader van de jeugdreclassering niet heeft meegewerkt en er niet nog meer tijd verloren mag gaan doordat [de minderjarige] de hulpverlening afhoudt of zelf de voorwaarden wil stellen. Weliswaar heeft [de minderjarige] aangegeven nu in te zien dat hij mee moet werken en dat hij een dagbesteding wil hebben, twee maanden geleden is echter door de medewerkster van het IOG al met [de minderjarige] en moeder afgesproken dat het van groot belang is dat [de minderjarige] zo snel mogelijk een dagbesteding moet zien te krijgen en is besproken dat Time-Out daarvoor de aangewezen plek is. Dit zou geregeld worden, maar er is niets van terechtgekomen. [de minderjarige] geeft als reden op dat dit voor hem niet geschikt was en hij iets met zijn handen wil doen. Voorgaande bevestigt dat [de minderjarige], als het aankomt op handelen, zelf wil bepalen of het goed of geschikt voor hem is.

BESLISSING

stelt de minderjarige met ingang van heden onder toezicht voor de termijn van een jaar;

draagt de ondertoezichtstelling op aan het bureau jeugdzorg (bjz), p/a 9701 BE Groningen, Postbus 1203;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.G. Idsardi, en in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2006.