Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2006:AW9045

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
07-04-2006
Datum publicatie
08-05-2006
Zaaknummer
85399 KG ZA 06-85
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Het COA vordert ontruiming van het AZC. Vordering wordt toegewezen. Het door gedaagde tegen het afwijzende besluit ingestelde beroep heeft geen schorsende werking. Het feit dat het besluit nog geen formele rechtskracht heeft gekregen betekent niet dat het COA had moeten wachten met het entameren van de onderhavige kort geding procedure. De voorzieningenrechter dient een prognose te maken van de uitkomst van de beroepsprocedure en de belangen van partijen af te wegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

het rechtspersoonlijkheid bezittende zelfstandig bestuursorgaan CENTRAAL ORGAAN OPVANG ASIELZOEKERS,

gevestigd te Rijswijk,

eiser,

hierna te noemen het COA,

procureur mr. H.J. de Groot,

advocaat mr. C. Frijlink

en

[gedaagde],

wonende, althans verblijvende in AZC [adres] (hierna: het AZC),

gedaagde,

procureur mr. V.L. van Wieringen

PROCESVERLOOP

Het COA heeft gedaagde doen dagvaarden in kort geding.

De vordering strekt ertoe bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

* gedaagde te veroordelen het AZC binnen 3 dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, maar niet eerder dan 14 april 2006, te ontruimen en ontruimd te houden met al het zijne en de zijnen, met machtiging van het COA om dit vonnis, na betekening, ten uitvoer te doen leggen met behulp van de sterke arm indien gedaagde aan deze veroordeling niet voldoet;

* gedaagde te veroordelen in de kosten van dit geding.

Op de voor de behandeling bepaalde dag, 30 maart 2006[AG1], heeft het COA zich doen vertegenwoordigen door zijn advocaat mr. Frijlink.

Gedaagde is niet verschenen. Wel is namens hem verschenen mr. Van Wieringen.

Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en hebben pleitnota's overgelegd.

Partijen hebben ten slotte vonnis gevraagd.

De uitspraak is bepaald op 7 april 2006.

RECHTSOVERWEGINGEN

1. Vaststaande feiten:

1.1 Gedaagde is asielzoeker en stelt afkomstig te zijn uit China. Hij heeft op 3 november 1998 een aanvraag om toelating als vluchteling en om een vergunning tot verblijf ingediend. Die aanvragen zijn definitief afgewezen. Op 4 april 2002 is een laatste last tot uitzetting gegeven.

1.2 Op grond van artikel 3 van de Regeling verstrekking asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (hierna: Rva 2005) draagt het COA zorg voor de opvang van asielzoekers. Ingevolge artikel 23 Rva 2005 eindigt de opvang van de asielzoeker op wiens asielaanvraag voor 1 februari 2000 in eerste aanleg of in bezwaar in negatieve zin is beslist, indien een last tot uitzetting is gegeven en door de korpschef is medegedeeld dat hij Nederland moet verlaten op de dag dat waarop hij Nederland ingevolge die mededeling moet verlaten.

1.3 Bij de uitvoering van deze regeling wordt het Stappenplan (oud) gebruikt, dat laatstelijk met ingang van 10 juli 2002 is gewijzigd in de Herziene Werkwijze Stappenplan III, en dat er op is gericht om vast te stellen of de asielzoeker kan aantonen dat hij voldoende medewerking heeft verleend aan terugkeer naar het land van herkomst. Hiertoe wordt een zogenaamd terugkeergesprek gehouden met de asielzoeker. Indien blijkt dat medewerking wordt geweigerd, wordt de opvang beëindigd op de voet van artikel 23 Rva.

1.4 Op 5 december 2005 heeft met gedaagde het terugkeergesprek plaatsgevonden. Bij brief van 6 december 2005 heeft de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) het COA in kennis gesteld dat gedaagde geen medewerking verleende aan zijn terugkeer naar het land van herkomst. Het COA heeft de aldus van de IND verkregen informatie marginaal getoetst en gedaagde op 19 januari 2006 gehoord. Bij beschikking van 13 februari 2006 heeft het COA de Rva-voorzieningen beëindigd. Gedaagde heeft op 27 maart 2006 een voorlopig beroepschrift ingediend tegen deze beschikking.

1.5 De feitelijke opvang van gedaagde is opgeschort in het kader van het nieuwe terugkeerbeleid. Dit beleid voorziet in een gefaseerde en projectmatige aanpak, waarbij verschillende ketenpartners in onderlinge samenwerking de vrijwillige of desnoods gedwongen terugkeer van uitgeprocedeerde asielzoekers trachten te bewerkstelligen.

1.6 De projectmatige aanpak bestaat uit vier fasen. Fase 0 heeft betrekking op de dossiervorming en de voorbereiding van het verdere traject. In fase 1 vindt facilitering van het vertrek in de opvanglocatie zoals een asielzoekerscentrum plaats. Fase 1 duurt 8 weken en vangt aan op de datum dat het zogenaamde vertrekgesprek met de asielzoeker wordt gehouden. In fase 2 wordt de opvang voortgezet in een vertrekcentrum. In fase 3 kan de asielzoeker in vreemdelingenbewaring worden gesteld. Uitgangspunt hierbij is dat de asielzoeker Nederland verlaat zodra dit mogelijk is, ongeacht de fase van het project waarin deze mogelijkheid zich voordoet. Het vertrekgesprek met gedaagde heeft plaatsgevonden op 17 februari 2006, zodat de beëindiging van de verstrekking van de Rva-voorzieningen tot in elk geval 14 april 2006 is opgeschort.

1.7 Bij brief van 8 maart 2006 heeft het COA gedaagde gesommeerd te bevestigen dat hij op 14 april 2006 de door gedaagde in het AZC gebruikte ruimte(n) zal verlaten. Gedaagde heeft daar niet op gereageerd.

2. Beoordeling van het geschil:

2.1 Het beroep van gedaagde op de schending van de substantiëringsplicht ex artikel 111 lid 3 Rv kan niet tot niet-ontvankelijkheid van het COA leiden, omdat, voor zover het COA op dit punt in verzuim is, er naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen procesrechtelijke belangen zijn geschaad.

2.2 Ten aanzien van het spoedeisend belang is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van het COA om de door gedaagde gebruikte plaats in het AZC ter beschikking te stellen aan anderen die voor opvang in aanmerking komen, voldoende is komen vast te staan. Het is een feit van algemene bekendheid dat er een grote vraag bestaat naar opvangmogelijkheden voor asielzoekers, terwijl de capaciteit beperkt is. Het feit dat de instroom aan asielzoekers is afgenomen maakt dit niet anders omdat de opvangcapaciteit eveneens verder is afgenomen.

Daarnaast is het voldoende aannemelijk dat de financiële belangen waarmee het COA te maken heeft, een spoedeisend belang meebrengen. Het COA dient doelmatig met overheidsgelden om te gaan, hetgeen betekent dat asielzoekers die daartoe geen recht meer hebben, de opvang wordt ontzegd, opdat hun plaats door anderen kan worden ingenomen. Dat gedaagde na de beëindiging van de opvang in het AZC recht heeft op opvang in een vertrekcentrum doet hier niet aan af.

Ook het politiek-maatschappelijk krachtenveld brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter de spoedeisendheid van het gevorderde mee.

2.3 Gedaagde heeft gesteld dat het niet uitgesloten is dat in de beroepsprocedure de beschikking van het COA wordt vernietigd, in welk geval het recht van opvang van gedaagde herleeft en een ontruiming op 14 april 2006 als prematuur dient te worden aangemerkt. Gedaagde stelt zich op het standpunt dat eerst de uitkomst van de beroepsprocedure dient te worden afgewacht alvorens er sprake zou kunnen zijn van de beëindiging van de opvang in het AZC.

2.4 De voorzieningenrechter overweegt hierover als volgt. Het door gedaagde tegen het besluit van 13 februari 2006 ingestelde beroep heeft geen schorsende werking: het besluit is onmiddellijk uitvoerbaar. Het feit dat dit besluit nog geen formele rechtskracht heeft gekregen, betekent daarnaast niet dat het COA had moeten wachten met het entameren van de onderhavige kort geding totdat de bodemrechter een uitspraak heeft gedaan, maar betekent wel dat de vooorzieningenrechter een prognose dient te maken van de uitkomst van de beroepsprocedure. Na deze prognose kan hij de belangen van partijen bij toewijzing, respectievelijk weigering, van de gevraagde voorziening in zijn beoordeling betrekken.

2.5 Gedaagde heeft verklaard zich tegen het COA-besluit te verzetten nu hij van mening is dat hij wel degelijk voldoende heeft meegewerkt aan zijn terugkeer. Voorts heeft gedaagde gesteld dat het hem niet duidelijk is op welke wijze hij de betreffende reisdocumenten had kunnen verkrijgen en dat hij niet geheel op de hoogte is van de inhoud van zijn vertrekdossier.

2.6 De voorzieningenrechter overweegt hierover als volgt. De verplichting van een vreemdeling om mee te werken aan zijn terugkeer naar het land van herkomst is een inspanningsplicht waaraan pas is voldaan als de vreemdeling alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem kan worden verlangd om terug te keren: hij dient zich verregaand in te spannen en alle mogelijke activiteiten te hebben verricht om zijn terugkeer te bewerkstelligen. Vooralsnog is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende gebleken dat voorshands kan worden uitgegaan van de vaststelling door de IND dat gedaagde niet of onvoldoende aan zijn terugkeer heeft meegewerkt. Tijdens het terugkeergesprek van 5 december 2005 heeft gedaagde immers te kennen gegeven dat hij noch contact heeft gehad met familie of vrienden in China, noch met de in Europa aanwezige vertegenwoordiging van de Chinese overheid. Gedaagde heeft slechts -niet nader onderbouwd - aangevoerd dat hij contact heeft gehad met de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM). Gezien de omvang van de inspanningsverplichting is dit echter onvoldoende om te oordelen dat gedaagde voldoende heeft meegewerkt aan zijn terugkeer. De op gedaagde in het kader van zijn terugkeer rustende inspanningsverplichting impliceert daarnaast een eigen verantwoordelijkheid, die er zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter tegen verzet dat gedaagde zich met succes kan beroepen op de stelling dat hij onbekend is met zijn dossier en de wijze waarop hij reisdocumenten kan verkrijgen.

2.7 Op grond hiervan is de voorzieningenrechter van oordeel dat voorshands moet worden aangenomen dat de bestuursrechter in beroep het besluit in stand zal laten. De voorzieningenrechter acht op grond hiervan, alsmede op grond van het spoedeisende karakter van dit kort geding, geen termen aanwezig om het ingestelde beroep af te wachten en de ontruimingsvordering daarom af te wijzen.

2.8 Gelet op het bovenstaande gaat de voorzieningenrechter uit van de rechtsgeldigheid van het besluit, hetgeen meebrengt dat gedaagde vanaf 14 april 2006 zonder recht of titel in het AZC verblijft, waarmee sprake is van een dreigend onrechtmatig handelen van gedaagde jegens het COA.

2.9 De vordering van het COA zal op grond van het bovenstaande worden toegewezen, waarbij gedaagde als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure zal worden veroordeeld.

BESLISSING

De voorzieningenrechter:

1. veroordeelt gedaagde het AZC binnen 3 dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, maar niet eerder dan 14 april 2006, te ontruimen en ontruimd te houden met al het zijne en de zijnen, met machtiging van het COA om dit vonnis, na betekening, ten uitvoer te doen leggen met behulp van de sterke arm indien gedaagde aan deze veroordeling niet voldoet;

1. veroordeelt gedaagde in de kosten van de procedure, tot op deze uitspraak aan de zijde van eiser begroot op € 332,87 aan verschotten eventueel vermeerderd met de niet voor verrekening vatbare omzetbelasting en op € 816,- aan salaris van de procureur;

3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. van den Noort, voorzieningenrechter en door deze uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 april 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.