Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2006:AV5747

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
16-03-2006
Datum publicatie
20-03-2006
Zaaknummer
AWB 06/253 GEMWT VEN, AWB 06/420 GEMWT VEN
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Hoewel verzoeker willens en wetens zonder vergunning bouwde oordeelt de voorzieningenrechter dat, nu verweerder pas op het allerlaatste moment een bouwstop en een last onder dwangsom oplegde, dat dat niet helemaal door de beugel kon. Verweerder moet verzoeker toestaan maatregelen te treffen die de teloorgang van het gebouw tegengaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Bestuursrecht

Zaaknummers:

AWB 06/253 GEMWT VEN

AWB 06/420 GEMWT VEN

van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

gemachtigde: mr. J. van Groningen

ten aanzien van de besluiten van:

1. 19 december 2005, kenmerk; GZ/ADJ/2005-3225/2005-3226 en

2. 7 februari 2006, kenmerk: GZ/ADJ/hd/2006-349, van

het college van burgemeester en wethouders van Reiderland, verweerder,

gemachtigde: mr. E. Wiarda.

1. PROCESVERLOOP

Bij het hiervoor genoemde besluit (hierna te noemen: besluit 1) van 19 december 2005, verzonden op 27 december 2005, heeft verweerder verzoeker een bouwstop als bedoeld in artikel 100, derde lid, Woningwet, juncto artikel 11.1 Bouwverordening opgelegd met betrekking tot het oprichten van een vleesvarkenstal aan de [adres] te [plaats].

Bij besluit van 7 februari 2006 (hierna te noemen: besluit 2), verzonden op gelijke datum, heeft verweerder verzoeker een last onder dwangsom opgelegd teneinde het bouwen in afwijking van de aan hem verleende bouwvergunningen voor het oprichten van twee vleesvarkensstallen aan de [adres] te [plaats] te beëindigen en beëindigd te houden zolang geen beslissing is genomen op twee aanvragen om bouwvergunning.

Verweerder heeft de hoogte van de dwangsom bepaald op EUR 10.000,-- per geconstateerde overtreding, tot een maximum van EUR 200.000,-- en heeft bepaald dat deze dwangsom ingaat twee dagen na de verzenddatum van dit besluit.

Tegen voornoemde besluiten heeft verzoeker bij brieven van 30 januari 2005, aangevuld bij brief van 30 januari 2006, en brief van 9 februari 2006 op grond van artikel 7:1, eerste lid, Awb bezwaarschriften ingediend bij verweerder.

Bij verzoekschrift van gelijke datum heeft verzoeker de voorzieningenrechter gevraagd met betrekking tot de bestreden besluiten een voorlopige voorziening te treffen en verweerder te veroordelen in de proceskosten.

Verweerder heeft de op de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, aan partijen verzonden.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de voorzieningenrechter van 1 maart 2006.

Verzoeker is ter zitting in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Ter zitting is geconcludeerd dat partijen mogelijk tot een compromis kunnen komen, in welk geval het verzoek om voorlopige voorziening kan worden ingetrokken. De voorzieningenrechter heeft daarop besloten de verdere behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening aan te houden in afwachting van nader bericht van partijen.

Bij brieven van 7 maart 2006 en 8 maart 2006 hebben verzoeker en verweerder de voorzieningenrechter medegedeeld dat het niet is gelukt tot een minnelijke oplossing te komen, reden waarom men verzoekt een uitspraak te doen op het verzoek om voorlopige voorziening.

2. RECHTSOVERWEGINGEN

De feiten

Bij besluit van 21 november 1997 heeft verweerder (bouw)vergunning verleend voor het oprichten van een vleesvarkensstal aan de [adres] te [plaats] met de afmetingen 150m x 31,8m.

Bij besluit van 25 juni 1998 heeft verweerder (bouw)vergunning verleend voor het oprichten van een tweede vleesvarkensstal op voornoemd perceel met dezelfde afmetingen.

Op 26 april 2005 heeft verzoeker een aanvraag om bouwvergunning ingediend voor het oprichten van een vleesvarkensstal op voornoemd perceel met de afmetingen 80m x 119,05m.

Op 11 augustus 2005 is door twee gemeenteambtenaren geconstateerd dat op het betreffend perceel, in strijd met de verleende bouwvergunningen, een bouwput is uitgegraven van ongeveer 80m x 120m met een uitstulpsel aan de voorzijde (de zijde van de [straat]).

Bij brief van 30 november 2005 heeft verweerder verzoeker verzocht de bouwwerkzaamheden vrijwillig te staken.

Aan de hand van op 30 november 2005 en 8 december 2005 gemaakte foto’s heeft verweerder geconstateerd dat verzoeker de bouwwerkzaamheden niet vrijwillig heeft gestaakt.

Verweerder heeft daarop besluit 1 genomen.

Bij brief van 11 januari 2006 heeft verweerder verzoeker mededeling gedaan van zijn voornemen hem aan te schrijven teneinde de overtreding van artikel 40 Woningwet op te heffen.

Verzoeker heeft bij brief van 18 januari 2006 zijn zienswijzen kenbaar gemaakt.

Verweerder heeft daarop besluit 2 genomen.

standpunten van partijen

Verzoeker heeft gesteld dat hij van de hem bij besluiten van 21 november 1997 en 25 juni 1998 verleende bouwvergunningen geen gebruik heeft gemaakt vanwege de malaise die de varkenssector in zijn greep hield en een geschil dat speelde met betrekking tot de grond waarop de stallen moesten verrijzen.

Op grond van artikel 8.18, eerste lid, onder a, Wet milieubeheer vervalt de vergunning voor een inrichting indien de inrichting niet binnen drie jaar nadat de vergunning onherroepelijk is geworden, is voltooid en in werking is gebracht. Op grond van de tot toen bekende jurisprudentie ging verzoeker er aanvankelijk vanuit dat zijn milieuvergunning niet zou vervallen indien het hem zou lukken een groot deel van de stal af te bouwen. Om die reden is hij zonder bouwvergunning gaan bouwen. Thans is de verleende milieuvergunning echter vervallen.

Begin 2005 is verzoeker gestart met de voorbereidingen om het enigszins aangepaste en gewijzigde bouwplan te kunnen realiseren. In juni 2005 heeft hij een aanvraag om bouwvergunning ingediend. Voor verzoeker staat het vast dat de vergunning verleend zal kunnen worden, net zoals de milieuvergunning. Concreet zicht op legalisering is bij een materiële invulling evident. Het is niet de vraag of er een bouwvergunning kan worden verleend, maar wanneer die verleend wordt.

Ten onrechte heeft verweerder nagelaten te toetsen op evenredigheid. Sedert augustus 2005 wist verweerder dat verzoeker in strijd bouwde met de aan hem verleende bouwvergunning, doch hij ondernam lange tijd niets. Hoewel verweerder verzoeker erop heeft gewezen dat hij bouwde voor eigen risico was het verzoeker niet duidelijk dat dat een bouwstop tot gevolg zou kunnen hebben. Hij ging ervan uit dat hij bij het bouwen in afwijking van de verleende vergunning het risico droeg van een eventuele onmogelijkheid de afwijkingen later gelegaliseerd te krijgen. Dit risico heeft hij vooraf ingeschat en, mede door de door verweerder medegedeelde vrijstellingsmogelijkheid ex artikel 19, derde lid, WRO, verwaarloosbaar geacht. Temeer ook, daar voor de stal reeds tweemaal een milieuvergunning is verleend. Eerst op het moment waarop de stal zo goed als gereed is legt verweerder een bouwstop op. Op dat moment kon verzoeker niet meer terug. Het opleggen van een bouwstop dient ter voorkoming van het bouwen in strijd met een verleende vergunning. In dit geval is echter reeds gebouwd zodat de bouwstop iedere betekenis mist.

De bouwstop en de dwangsom lijken te zijn ingegeven door de wens van verweerder het in werking brengen van de stal tegen te gaan. Daar is echter een andere wettelijke grondslag voor nodig. De wet milieubeheer kan niet mede door de bouwstop en de last onder dwangsom worden gediend. Dat is in strijd met het verbod van détournement de pouvoir.

Verweerder heeft ook gehandeld in strijd met het beginsel van de minste pijn.

In de stal zijn inmiddels honderden biggen gehuisvest die zijn verstoken van de meest elementaire voorzieningen. Mechanische ventilatie is er niet en ook de automatische voedering kan niet plaatsvinden vanwege het (gedeeltelijk) ontbreken van technische voorzieningen. Verzoeker is van mening dat het afbouwen van de stal voor niemand nadelige gevolgen heeft, terwijl hem het afbouwen gelet op het beginsel van de minste pijn zou moeten worden toegestaan.

Verweerder bestrijdt dat de bouw op 7 februari 2006 reeds voor 99% voltooid was. Verweerder heeft inderdaad geconstateerd dat verzoeker op 11 augustus 2005 is begonnen met bouwactiviteiten, doch hij ging er op dat moment vanuit dat verzoeker slechts bezig was met voorbereidingen. Aan verzoeker is meteen medegedeeld dat hij op eigen risico bezig was. Dit is herhaald op 5 september 2005 en 9 september 2005. Op 11 oktober 2005 is op ambtelijk niveau aan verweerder geadviseerd de bouw stil te leggen, doch daarmee is gewacht teneinde advies in te winnen omtrent het al dan niet aanwezig zijn van de aanhoudingsplicht ex artikel 52 Woningwet. Indien die aanhoudingsplicht niet zou gelden zou er namelijk concreet zicht op legalisatie zijn. Toen bleek dat wel sprake was van een aanhoudingsplicht heeft verweerder besloten een bouwstop op te leggen. Bijkomend effect is dat daarmee ook wordt verhinderd dat verzoeker een milieuvergunningplichtige inrichting in gebruik kan nemen. Verweerder heeft niet gesteld dat er een vrijstelling ex artikel 19, derde lid, WRO zal worden verleend, doch slechts dat die mogelijkheid bestaat. Omdat verzoeker zich niet hield aan de bouwstop is het dwangsombesluit genomen. Hoewel aan verzoeker bij brief van 1 maart 2005 is medegedeeld dat voor het gewijzigde bouwplan bouwvergunning zou kunnen worden verleend was er op dat moment nog geen sprake van een aanvraag om bouwvergunning. Verweerder is van mening dat verzoeker er niet op mocht vertrouwen dat verweerder vijf maanden na aanvang van de bouw zou nalaten de maatregelen te nemen die hij thans heeft genomen.

De hoogte van de opgelegde dwangsom acht verweerder gezien de gehele gang van zaken redelijk. Datzelfde geldt voor de begunstigingstermijn.

beoordeling van het verzoek

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb, kan, voor zover hier van belang, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter concludeert dat aan de eerste twee in artikel 8:81 van de Awb geformuleerde formele vereisten is voldaan nu verzoeker bezwaarschriften heeft ingediend tegen de besluiten ter zake waarvan de voorlopige voorziening wordt gevraagd en de rechtbank Groningen bevoegd moet worden geacht om van de (eventuele) hoofdzaken kennis te nemen.

Verweerder heeft zijn besluit van 19 december 2005 genomen, omdat verzoeker in strijd met de hem verleende bouwvergunningen bouwde. Omdat verzoeker ondanks de opgelegde bouwstop verder ging met bouwen heeft verweerder vervolgens op 7 februari 2006 zijn dwangsombesluit genomen.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van het college.

Ingevolge artikel 125 van de Gemeentewet is het college van burgemeester en wethouders bevoegd ter uitvoering van wetten, van algemene maatregelen van bestuur en van provinciale en gemeentelijke verordeningen bestuursdwang toe te passen. Deze bevoegdheid omvat het doen wegnemen, beletten, in de vorige toestand herstellen of verrichten van wat in strijd met die regels of met ingevolge die regels gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

Artikel 5:21 Awb bepaalt dat onder bestuursdwang wordt verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

Ingevolge artikel 5:22 Awb bestaat de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang slechts indien zij bij of krachtens de wet is toegekend.

Ingevolge artikel 100, derde lid, vindt de stillegging van werkzaamheden, indien wordt gebouwd of gesloopt in strijd met de bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften, slechts plaats in bij de bouwverordening aangegeven gevallen en overeenkomstig daarbij gegeven voorschriften.

Ingevolge artikel 11.1, onder b, van de Bouwverordening, voorzover thans van belang, kan verweerder de bouw stilleggen, indien wordt gebouwd in afwijking van de bouwvergunning.

Het staat vast, hetgeen partijen ook niet verdeeld houdt, dat verzoeker heeft gebouwd in afwijking van de aan hem verleende bouwvergunningen en dat verweerder in beginsel bevoegd was daartegen op te treden.

Wat partijen daarentegen wel verdeeld houdt is het antwoord op de vraag of verweerder in dit concrete geval in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het gebruikmaken van zijn bevoegdheden en, zo ja, of hij daarbij de redelijkheid in acht heeft genomen.

met betrekking tot besluit 1 (de bouwstop)

Ingeval zonder, of in strijd met, een verleende vergunning wordt gebouwd dient het bestuursorgaan slechts af te zien van handhavend optreden indien sprake is van een bijzonder geval.

Naar uit bestendige jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt (zie bijvoorbeeld haar uitspraak van 16 maart 2005, www.Raadvanstate.nl, 200406163/1) is de vraag naar al dan niet mogelijke legalisatie daarbij niet aan de orde. Dit gelet op de aard en het beoogde doel van de bouwstop. De uitoefening van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 100 Woningwet is immers bij uitstek gericht op onmiddellijke stillegging van de met die wet strijdige bouwwerkzaamheden.

Voor wat betreft het antwoord op de vraag of verweerder in redelijkheid tot besluit 1 heeft kunnen komen acht de voorzieningenrechter van belang wat zich heeft afgespeeld vanaf het moment waarop verzoeker zijn gewijzigde bouwplannen bij verweerder kenbaar maakte tot aan het moment waarop verweerder besluit 1 heeft genomen.

Uit de stukken blijkt dat verweerder verzoeker naar aanleiding van diens veranderde bouwplannen bij brief van 1 maart 2005 heeft medegedeeld in principe bereid te zijn mee te werken aan verzoekers plannen voor het bouwen van een varkensstal, doch dat er vrijstellingsprocedures gevolgd zullen moeten worden, dat verzoeker zal moeten verzoeken de oude vergunningen in te trekken en dat de milieuvergunning die verzoeker heeft vervalt voor die onderdelen van de vergunning die nog niet zijn gerealiseerd binnen drie jaar na het onherroepelijk worden van die vergunning.

Bij besluit van 6 juni 2005 heeft verweerder besloten de door verzoeker ingediende aanvraag om bouwvergunning aan te houden op grond van artikel 52 Woningwet.

Bij brief van 7 juli 2005 heeft verzoeker verweerder medegedeeld dat naar zijn mening de aanhoudingsplicht ex artikel 52 Woningwet hier niet van toepassing is omdat de bouwkundige voorzieningen waarvoor bouwvergunning wordt gevraagd milieuneutraal zijn.

Uit een intern verslag van de gemeente Reiderland van 11 augustus 2005 blijkt dat op die datum is geconstateerd dat er op het perceel in kwestie een bouwput is uitgegraven van ongeveer 80 x 120m met een uitstulpsel aan de voorzijde. Verzoeker heeft desgevraagd medegedeeld dat hij met voorbereidende werkzaamheden bezig was teneinde de op 26 april 2005 aangevraagde bouwvergunning te kunnen realiseren. Van de zijde van de gemeente is verzoeker daarop medegedeeld dat hij dat voor eigen risico doet, omdat het verboden is zonder bouwvergunning te bouwen.

Bij brief van 18 augustus 2005 heeft verweerder verzoeker, in antwoord op diens brief van 7 juli 2005 medegedeeld dat er naar zijn mening wel een nieuwe milieuvergunning noodzakelijk is, omdat verzoeker meer dieren wil gaan houden dan waarop de verleende milieuvergunning ziet. Voorts is aan verzoeker medegedeeld dat de aan hem verleende milieuvergunning op 29 oktober 2005 zal vervallen.

Op 23 augustus 2005 heeft tussen partijen ten gemeentehuize een gesprek plaatsgevonden naar aanleiding van de aanhouding van de aanvraag om bouwvergunning en het tussen partijen gerezen meningsverschil omtrent de noodzakelijkheid een milieuvergunning aan te vragen.

Bij brief van 31 augustus 2005 heeft verzoeker nogmaals zijn standpunt uiteengezet met betrekking tot zijn stelling dat geen nieuwe milieuvergunning nodig is.

Op 9 september 2005 heeft andermaal een gesprek tussen partijen ten gemeentehuize plaatsgevonden. Aan verzoeker is wederom medegedeeld dat hij geheel op eigen risico bouwwerkzaamheden verricht. Ook is medegedeeld dat mogelijk een bouwstop zal worden opgelegd. Verzoeker heeft aangegeven dat hij dat met alle juridische middelen zal bestrijden en dat hij de werkzaamheden niet stop zal zetten omdat hij niet meer terug kan. Op verzoekers vraag of hij de vloer van de brijvoerkeuken tegelijk met de andere stortwerkzaamheden mag uitvoeren is namens verweerder medegedeeld dat daarop niet positief kan worden geantwoord omdat alle werkzaamheden voor risico van verzoeker geschieden.

Bij brief van 12 september 2005 heeft verweerder verzoeker de tot dusverre gevolgde gang van zaken geschetst en heeft hij verzoeker er wederom op gewezen dat alle bouwwerkzaamheden voor eigen risico worden uitgevoerd.

Bij besluit van 16 september 2005 heeft verweerder zijn standpunt inzake de eis van een nieuwe milieuvergunning gehandhaafd, net zoals zijn besluit de aanvraag om bouwvergunning aan te houden.

Bij (intern) besluit van 11 oktober 2005 heeft verweerder het besluit genomen de bouw stil te leggen.

Bij brief van 28 november 2005 heeft verweerder verzoeker in overweging gegeven de bouwwerkzaamheden met onmiddellijke ingang te staken. Aan verzoeker is daarbij medegedeeld dat hij bij het geen gevolg geven aan dit verzoek het risico loopt dat de bouw middels bestuursdwang zal worden stilgelegd.

In een ambtelijk verslag van 30 november 2005, met foto’s, wordt gesteld dat op die datum van de brijvoerkeuken alle betonwanden zijn gestort op kelderniveau, de keldervloer niet is gestort en de beganegrondvloer nog niet is aangebracht.

Van stal 1 zijn alle betonwanden gestort op kelderniveau en de stal in zijn geheel afgedekt is met mestroosters. Op dit gedeelte staan alle spanten opgesteld en is men voornemens deze week (48) de isolatieplaten van de dakbedekking aan te brengen.

Van stal 2 zijn alle betonwanden gestort op kelderniveau en de stal is nagenoeg in zijn geheel afgedekt met mestroosters. Alle spanten liggen voorgemonteerd op de vloer. De prognose van de uitvoerder is dat alles aan het eind van week 48 overeind staat.

In de centrale gang tussen de twee stallen is een dubbele ploeg metselaars bezig met de tussenwanden. Van het transportgedeelte rechts achter stal 2 staan alleen de betonwanden. De uitvoerder gaat ervan uit dat mits het weer meewerkt het gehele bouwwerk aan het eind van december 2005 gereed zal zijn en dat de varkens er dan zijn.

Bij brief van 2 december 2005 heeft verzoeker zich tot verweerder gewend naar aanleiding van de brief van verweerder van 28 november 2005. Verzoeker spreekt zijn verbazing uit over de brief van verweerder aangezien hij reeds drie maanden bezig is zonder dat verweerder hem ook maar één strobreed in de weg heeft gelegd. Verzoeker is nog steeds van mening dat de verleende milieuvergunning niet is vervallen en dat de bouw gelegaliseerd zal kunnen worden. Hij verzoekt verweerder bestuursdwang achterwege te laten.

Verweerder heeft op 8 december 2005 besloten bestuursdwang, bestaande uit het stilleggen van de bouw, toe te gaan passen.

Bij brief van 19 december 2005, verzonden op 27 december 2005, heeft verweerder verzoeker medegedeeld dat de door hem op 23 november 2005 ingediende aanvraag om bouwvergunning voor het oprichten van een bedrijfsruimte op grond van artikel 52 Woningwet zal worden aangehouden. Tevens is medegedeeld dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, doch dat de procedure ex artikel 19, derde lid, WRO zal kunnen worden gevolgd.

Bij besluit van 19 december 2005, verzonden op 27 november 2005, heeft verweerder een bouwstop ex artikel 100 Woningwet opgelegd (besluit 1).

Op 5 januari 2006 is door de gemeente geconstateerd dat verzoeker de afgekondigde bouwstop niet heeft opgevolgd, maar dat er door ongeveer 10 man werd gewerkt aan het afbouwen van de beide varkensstallen. Dit betreft zowel het afbouwen van de buitenkant en de inpandige inrichting. Daarnaast werd er inmiddels ook gewerkt aan de realisering van de brijvoerkeuken.

Bij brief van 10 januari 2006, verzonden op 11 januari 2006 heeft verweerder verzoeker medegedeeld voornemens te zijn een last onder dwangsom op te leggen teneinde de bouwwerkzaamheden stil te leggen.

Verzoeker heeft bij brief van 12 januari 2006 zijn zienswijzen kenbaar gemaakt.

Op 18 januari 2006 is door de gemeente geconstateerd dat de bouwactiviteiten nog in volle gang waren en dat er ongeveer 20 timmerlieden aan het werk waren. Medegedeeld werd dat het complex vermoedelijk eind januari 2006 voltooid zou moeten zijn. Er waren inmiddels varkens in een van de gebouwen gehuisvest. Uit een gesprek met een van de timmerlieden bleek dat de varkens er ongeveer 1½ tot 2 weken in waren gehuisvest.

Op 31 januari 2006 heeft verweerder besloten een last onder dwangsom op te zullen gaan leggen.

Op 6 februari 2006 is door de gemeente onder meer geconstateerd dat niet overeenkomstig de aangevraagde milieuvergunning is gebouwd en dat de brijvoerkeuken nog niet is afgebouwd en nog niet in werking is. De bedrijfsleider, de heer [naam], gaf aan dat er 480 mestvarkens van 10 weken aanwezig zijn.

Op 7 februari 2006 heeft tussen partijen ten gemeentehuize een gesprek plaatsgevonden.

Op gelijke datum heeft verweerder besluit 2 genomen

Uit de voorgeschiedenis blijkt naar het oordeel van de voorzieningenrechter overduidelijk dat verweerder van meet af aan en bij herhaling heeft aangegeven dat verzoeker overeenkomstig de aan hem verleende bouwvergunningen dient te bouwen. Ook heeft verweerder verzoeker consequent en bij herhaling medegedeeld dat hij het risico loopt dat tegen hem kan worden opgetreden indien hij desondanks toch in strijd met die vergunningen bouwt.

Door niettemin, om hem moverende redenen, willens en wetens in strijd met de wet te gaan bouwen zonder in het bezit te zijn van de daarvoor vereiste vergunning(en) heeft verzoeker het risico genomen dat verweerder tegen hem zou gaan optreden. Gelet op de voorgeschiedenis kan niet staande worden gehouden dat de bestreden besluiten als een verrassing kwamen.

De vraag of uit het voorgaande volgt dat verweerder in redelijkheid tot besluit 1 heeft kunnen komen is hiermee echter niet beantwoord.

Het aard en doel van een bouwstop ex artikel 100 Woningwet is het voorkomen dat in strijd met de Woningwet wordt gehandeld. Dit middel is bij uitstek gericht op de onmiddellijke stillegging van de met de Woningwet strijdige bouwactiviteiten. Uit de stukken blijkt dat op het moment waarop verweerder zijn besluit nam van 19 december 2005, verzonden op 27 december 2005, het bouwwerk in kwestie reeds voor een zeer groot deel gerealiseerd was.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zijn recht om een bouwstop op te leggen niet verwerkt heeft aangezien op het moment van het opleggen nog steeds met de Woningwet strijdige activiteiten plaatsvonden. Gezien echter het tijdsverloop tussen het moment waarop verweerder de eerste overtredingen waarnam (11 augustus 2005) en het moment waarop verzoeker kon kennisnemen van de bouwstop (omstreeks 27 november 2005) in relatie tot het stadium waarin de bouw zich op dat moment al bevond acht de voorzieningenrechter het niet redelijk een algehele bouwstop op te leggen. Dit omdat zo’n algehele bouwstop de teloorgang van het gebouw tot gevolg zal kunnen hebben. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het verzoeker toegestaan moet worden schadebeperkende maatregelen te treffen.

De besprekingen die hebben plaatsgevonden tussen verzoeker en verweerder na de op 1 maart 2006 gehouden zitting hebben ertoe geleid dat verweerder met verzoeker is overeengekomen dat de bouwstop niet geldt ten aanzien van het afwerken van het dak met dakplaten en het aanbrengen van windveren. Tevens mogen ten behoeve van het welzijn van de biggen de ventilatoren in de cellen 13 en 14 op de elektra- en op de Fancomregelaars in de centrale gang worden aangesloten. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder verzoeker hiermee zeker niet tekort heeft gedaan. Met betrekking tot het aanleggen van de verwarmingsinstallatie is de voorzieningenrechter daarentegen van oordeel dat het verzoeker moet worden toegestaan die te installeren. Voor het treffen van een verdergaande voorlopige voorziening acht de voorzieningenrechter onder de gegeven omstandigheden geen termen aanwezig. Het installeren van de volledige ventilatie-installatie, het aanleggen/voltooien van een voerinstallatie, het storten van de werkvloer in de computerruimte en het plaatsen van de Remon-waterbehandelingsinstallatie is derhalve niet toegestaan.

Gelet op het vorenstaande komt het verzoek om voorlopige voorziening ten aanzien van besluit 1 derhalve deels voor inwilliging in aanmerking.

met betrekking tot besluit 2 (de last onder dwangsom)

Omdat verzoeker ondanks besluit 1 doorging met bouwen heeft verweerder besluit 2 genomen. Dat verweerder daartoe in beginsel bevoegd is betwisten partijen elkaar niet. Wat partijen wel verdeeld houdt is het antwoord op de vraag of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten een last onder dwangsom op te leggen strekkend tot het staken van de illegale bouwwerkzaamheden.

Verzoeker heeft gesteld dat in besluit 2 een begunstigingstermijn is opgenomen van twee dagen na de verzenddatum van dat besluit, terwijl het besluit ook vermeldt dat het in werking treedt de dag na verzending van het besluit. Ter zitting van 1 maart 2006 is namens verweerder gesteld dat het de bedoeling is geweest verzoeker twee dagen na 7 februari 2006 de tijd te gunnen met de werkzaamheden te stoppen. De voorzieningenrechter stelt vast dat besluit 2 is verzonden op 7 februari 2006, zodat het verbeuren van dwangsommen ingaat op 10 februari 2006.

Anders dan het geval is bij het opleggen van een bouwstop kan in het kader van de toetsing van een last onder dwangsom concreet zicht op legalisering tot gevolg hebben dat sprake is van een bijzondere omstandigheid die tot de conclusie leidt dat het opleggen van een last onder dwangsom -ondanks illegale bouw- niet redelijk is te achten.

De voorzieningenrechter stelt vast dat op de door verzoeker ingediende aanvraag om bouwvergunning eerst kan worden beslist nadat de aanhoudingsplicht ex artikel 52 Woningwet is doorbroken. Voorts is het voor het verlenen van de gevraagde bouwvergunning noodzakelijk een vrijstellingsprocedure te volgen. Hoewel het gezien de voorgeschiedenis zeker niet onaannemelijk is te achten dat aan verzoeker de gevraagde bouwvergunning verleend zal worden is op dit moment geen concreet zicht op verlening daarvan. Immers, verlening is afhankelijk van de verlening van de milieuvergunning en van de vrijstellingsprocedure. Of die milieuvergunning en de benodigde vrijstelling verleend zullen gaan worden is thans speculatief.

Echter, doordat verweerder -sedert augustus 2005 wetend dat verzoeker in strijd met de aan hem verleende bouwvergunning bouwde- eerst op 7 februari 2006 een last onder dwangsom heeft opgelegd is de voorzieningenrechter, gelet op het feit dat de bouw op dat moment al zéér ver gevorderd was, van oordeel dat verweerder op dat moment niet meer in redelijkheid heeft kunnen besluiten een last onder dwangsom terzake van de bouw op te leggen zoals hij dat heeft gedaan. Op dit punt zal de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treffen die aansluit bij hetgeen is overwogen ten aanzien van besluit 1.

griffierecht en proceskosten

Aangezien het verzoek om voorlopige voorziening (deels) wordt ingewilligd bepaalt de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:82, vierde lid, Awb dat het voor het verzoek om voorlopige voorziening betaalde griffierecht door de gemeente Reiderland aan verzoeker wordt vergoed. De voorzieningenrechter acht voorts termen aanwezig verweerder op de voet van artikel 8:84, vierde lid, Awb, in samenhang met artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de kosten die verzoeker redelijkerwijs heeft moeten maken, en wijst de gemeente Reiderland aan als de rechtspersoon die deze kosten moet betalen.

Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt de voorzieningenrechter deze kosten op EUR 644,--, zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende bijlage.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

1. treft de voorlopige voorziening dat verzoeker wordt behandeld als ware hij in het bezit van de vereiste bouwvergunning(en) voor:

-het afwerken van het dak met dakplaten;

-het aanbrengen van windveren;

-het aansluiten van de ventilatoren in de cellen 13 en 14 op de elektra- en op de Fancomregelaars in de centrale gang;

-het installeren van de verwarmingsinstallatie;

2. schorst de besluiten 1 en 2 voor zover die besluiten zien op het vorenstaande;

3. bepaalt dat de gemeente Reiderland verzoeker het betaalde griffierecht van

EUR 141,-- vergoedt;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker, die zijn vastgesteld op EUR 644,--, en bepaalt dat de gemeente Reiderland verzoeker deze kosten dient te betalen;

5. wijst het verzoek om voorlopige voorziening voor het overige af.

Aldus gegeven door mr. H.C.P. Venema, voorzieningenrechter en in het openbaar door hem uitgesproken op 16 maart 2006, in tegenwoordigheid van M.J.'t Hart als griffier.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

typ: HtH.