Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2006:AV3406

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
03-03-2006
Datum publicatie
06-03-2006
Zaaknummer
AWB 05/382 GEMWT STRA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De eigenaar van een schuurtje, tjalk en caravan moest deze bouwwerken (onder last van een dwangsom) van de gemeente Haren verwijderen. De eigenaar heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, vanwege het gelijkheidsbeginsel en onduidelijkheid over welke bouwwerken het precies betreft. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, omdat de gemeente ten onrechte niet heeft gekeken naar het overgangsrecht (toen de bouwwerken geplaatst werden, was er andere regelgeving van toepassing). Daarnaast heeft de rechtbank het primaire besluit van de gemeente geschorst, omdat anders de dwangsom door de gemeente geïnd kan worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Bestuursrecht

Zaaknr.: AWB 05/382 GEMWT STRA

Uitspraak in het geschil tussen

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde J.G. Meijer,

en

het college van burgemeester en wethouders van Haren, verweerder.

1. Onderwerp van het geschil

Verweerder heeft bij het bestreden besluit van 22 maart 2005 (verzonden op 23 maart)

- onder gegrondverklaring van het bezwaar en gedeeltelijke aanpassing van de primaire beslissing van 17 september 2004 - eiseres met toepassing van artikel 5:32 Awb, juncto artikel 125 Gemeentewet (GEMWT), gelast vóór 15 mei 2005 de navolgende maatregelen te nemen:

1. het verwijderen van alle illegale bebouwing op het perceel kadastraal bekend

gemeente Haren, sectie I, nr. 2435, bestaande uit een aldaar geplaatste caravan, een

opgerichte schuur en de erfafscheidingen;

2. het verwijderen van de woonboot;

3. het verwijderen van alle verhardingen op het perceel, behalve het pad naar de steiger,

een en ander onder last van een dwangsom van € 4000,- voor aspect 1, € 3000,- voor

aspect 2 en eveneens € 3000,- voor aspect 3.

2. Zitting

Het geschil is behandeld op de zitting van 25 januari 2006.

Eiseres is aldaar bij gemachtigde verschenen.

Verweerder is heeft zich doen vertegenwoordigen door [gemachtigde1] en [gemachtigde2].

3. Beoordeling van het geschil

Feiten

Eiseres is eigenares van een perceel, kadastraal bekend gemeente Haren, sectie I, nr. 2435.

Dit perceel is gelegen binnen het bestemmingsplan Paterswoldsemeer in het gebied de Gulden Akker en heeft als bestemming natuurgebied. De haven heeft de bestemming water.

Bij brief van 8 april 2003 heeft verweerder eiseres een zogenaamde voorwaarschuwing verwijdering bouwwerken Gulden Akker doen toekomen. Daarbij heeft verweerder kenbaar gemaakt dat doorslaggevend belang wordt toegekend aan het handhaven van de natuurwaarden op betrokkenes perceel en dat in verband daarmee is besloten dat de caravan en de boot moeten worden verwijderd. Daarnaast dient het perceel voor het overige (aanleg tuin etc.) ook in overeenstemming te worden gebracht met de bestemming, een en ander binnen een tijdsbestek van twee maanden. Voldoet eiseres niet aan dat verzoek, dan zal, aldus de voorwaarschuwing, een besluit omtrent handhaving worden genomen.

Eiseres heeft op die voorwaarschuwing gereageerd bij brieven van 11 april 2003 en 13 mei 2003.

In het kader van nadere besluitvorming ten behoeve van de handhaving is door verweerder onderzoek ingesteld naar de vraag of legalisering van de bestaande situatie kan plaats vinden via een procedure op basis van artikel 19, lid 1, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). Daarbij is met betrekking tot het perceel aangegeven dat daar de afgelopen jaren steeds een caravan heeft gestaan, later tevens een boot is afgemeerd, waar in de weekenden wordt overnacht, terwijl rond 1996 een tweede caravan is geplaatst en het terrein is aangelegd als een soort tuin. Verweerder is tot de conclusie gekomen dat de betreffende situatie in strijd is met het bestemmingsplan en het legaliseren daarvan, mede gelet op de negatieve precedentwerking, niet mogelijk is.

Verweerder heeft bij beslissing van 17 september 2004 eiseres met toepassing van

artikel 125 Gemeentewet, juncto artikel 5:32, Awb gesommeerd de illegale situatie op haar perceel binnen 4 maanden te beëindigen en de legale situatie op het terrein te herstellen, een en ander op straffe van de verbeurte van een dwangsom van € 10.000,-.

Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat er sprake is van een illegale situatie, nu op het perceel van eiseres in strijd met artikel 40, lid 1 Woningwet (Ww) bouwwerken zijn gerealiseerd zonder de vereiste bouwvergunning. Daarnaast is verweerder van oordeel dat eiseres in strijd met de artikelen 16, 19 en 25 van de voorschriften van het bestemmingsplan Paterswoldsemeer heeft gehandeld en dat legalisatie niet mogelijk is.

Eiseres heeft tegen die beslissing een bezwaarschrift ingediend.

Eiseres is in het kader van haar bezwaar op 8 december 2004 gehoord door de Commissie Bezwaarschriften Gemeente Haren. De commissie heeft vervolgens op 21 december 2004 advies aan verweerder uitgebracht.

Bij het thans bestreden besluit van 22 maart 2005 heeft verweerder eiseres -overeenkomstig het advies van de commissie en met gegrondverklaring van het bezwaar en een gedeeltelijke aanpassing van de primaire beslissing- gelast vóór 15 mei 2005 de onder punt 1 van deze uitspraak genoemde maatregelen te nemen.

In haar beroepschrift van 29 maart 2005 heeft eiseres tegen voornoemd besluit de navolgende grieven aangevoerd:

a. door verweerder is niet duidelijk gemaakt welke van de twee aanwezige caravans van het perceel moeten worden verwijderd;

b. niet is duidelijk of een bepaald deel dan wel alle erfafscheidingen dienen te worden verwijderd;

c. er is sprake van rechtsongelijkheid, nu verweerder bij haar buren geen verwijdering van illegale bouwwerken en erfafscheidingen heeft gevorderd en bij haar wel.

Voorts heeft eiseres verzocht verweerder te veroordelen tot vergoeding van de door haar in bezwaar gemaakte kosten, door eiseres (ongespecificeerd) begroot op € 5000,-.

Verweerder heeft op 29 maart 2005 een verweerschrift ingediend, waarin het bestreden besluit nader is toegelicht.

Eiseres heeft bij schrijven van 12 en 19 mei 2005 gerepliceerd. Daarbij heeft zij haar grieven tegen de verwijdering van de caravan, boot en de (oorspronkelijke, reeds circa 30 jaar aanwezige) erfafscheiding opnieuw uiteengezet. Eiseres heeft daarbij onder andere betoogd dat van een woonboot geen sprake is. Voorts heeft eiseres aangegeven dat van de twee schuurtjes er inmiddels één is verwijderd en dat het overgebleven schuurtje dienst doet als opslagplaats voor onderhoudsgereedschap.

Ten aanzien van het geschil

In deze procedure gaat het er -gelet op ook het verhandelde ter zitting- om of verweerder een last onder dwangsom heeft kunnen opleggen terzake van een op het perceel van eiseres geplaatste caravan, een schuurtje, de erfafscheiding zoals die aan de buitenranden op het perceel van eiseres is geplaatst en ter zake van de (toen nog) afgemeerde tjalk.

Alvorens verweerder de bevoegdheid toekomt om middels een last onder dwangsom op te treden, dient sprake te zijn van een handelen of nalaten in strijd met enig bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichting.

De rechtbank zal daarom ten aanzien van zowel de caravan, de erfafscheiding, de boot als het schuurtje achtereenvolgens nagaan of er sprake is van een dergelijke strijdigheid, waarbij tevens worden betrokken de beantwoording van de vraag of hetgeen in strijd met het wettelijk voorschrift is of wordt gedaan onder het in het Bestemmingsplan Paterswoldsemeer opgenomen overgangsrecht valt en zo nee, in hoeverre het mogelijk is om tot legalisering over te gaan.

Ten aanzien van de caravan overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge het bestemmingsplan Paterswoldsemeer rust op het perceel van eiseres de

bestemming natuurgebied. Ingevolge artikel 16, lid A, van de planvoorschriften, voor zover

hier van belang, zijn de op de kaart voor natuurgebied aangegeven gronden bestemd voor

behoud en herstel van de natuurwetenschappelijke en landschappelijke waarden, recreatief

medegebruik (als ondergeschikte functie) en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Daar

waar de kaart is voorzien van de aanduiding 'gebouwen toegestaan', zijn gebouwen ten

behoeve van recreatief gebruik en onderhoud en beheer toegestaan.

Verweerder stelt dat de caravan een bouwwerk is. Blijkens artikel 1, onder 5, van de planvoorschriften is een bouwwerk elke constructie van enige omvang welke hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

Met partijen is ter zitting vastgesteld dat de in geding zijnde caravan niet verbonden is met de grond en daarin of op geen steun vindt. Het enkele feit dat, gelijk door verweerder ter zitting betoogd, voor de caravan een terras is gemaakt, maakt dit niet anders.

Verweerder heeft zich er ter zitting, als ook in de bestreden besluitvorming, echter tevens op beroepen dat het gebruik van de caravan als zodanig niet is toegestaan.

Blijkens het bepaalde in artikel 18, onder G van de planvoorschriften is het gebruik van gronden als standplaats voor kampeermiddelen in strijd met de bestemming natuurgebied.

Van een dergelijk strijdig gebruik is in het onderhavige geval sprake. Dat is ook niet in geding.

De volgende vraag die moet worden beantwoord is of dat gebruik onder het overgangsrecht valt.

Blijkens het bepaalde in artikel 26, onder C, van de planvoorschriften mag het gebruik van gronden dat bestond ten tijde van het van kracht worden van het verbod tot gebruik in strijd met de aan die gronden gegeven bestemming, en dat in enigerlei opzicht afwijkt van het plan, worden voortgezet of gewijzigd, zolang en voorzover de strijdigheid van dat gebruik ten opzichte van het gebruik overeenkomstig de bestemmingen in het bestemmingsplan Paterswoldsemeer naar aard en omvang niet wordt vergroot.

Niet in geding is dat het gebruik van de caravan al plaatsvond onder het vorige bestemmingsplan. Anders dan de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft betoogd is de rechtbank van oordeel dat de aard en de omvang van dat gebruik niet zijn gewijzigd doordat de (vervangende en gelijksoortige) caravan een aantal meters is verplaatst. Het moet er voorts voor worden gehouden dat dit gebruik onder het bestemmingsplan Landelijk gebied 1956 rechtmatig was, nu dit bestemmingsplan kennelijk geen gebruiksbepalingen kende.

Dit betekent dat eiseres aan het overgangsrecht aanspraak kan ontlenen op onverkorte voorzetting van het gebruik van de caravan. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit zal, voor zover dat ziet op de caravan, worden vernietigd omdat dit in strijd met artikel 5:32, eerste lid, Awb tot stand is gekomen.

Ten aanzien van de geplaatste en thans nog in geding zijnde buitenste erfafscheidingen stelt de rechtbank vast dat sprake is van een bouwwerk als bedoeld in artikel 1, onder 5, van de planvoorschriften. De erfafscheidingen zijn in strijd met het bestemmingsplan Paterswoldsemeer. Uit artikel 16, onder A, sub 4, van de planvoorschriften blijkt dat de op de kaart voor natuurgebied aangewezen gronden zijn bestemd voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Daarvan is in het onderhavige geval sprake. In datzelfde artikel is onder C, sub 2 echter bepaald dat er uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen worden gebouwd ten behoeve van:

1. natuur en landschapsbeheer;

2. de in lid A, sub 3 genoemde gebouwen (gebouwen ten behoeve van recreatief gebruik, onderhoud en beheer),

terwijl de hoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer dan 2,00 meter mag bedragen.

Gesteld noch gebleken is dat de erfafscheidingen een functie hebben als hier bedoeld.

De erfafscheidingen zijn derhalve in strijd met het bestemmingsplan, terwijl ze bovendien zijn gebouwd zonder vergunning.

Verweerder is dus in beginsel bevoegd op te treden. Dat is evenwel -voor zover dat de strijdigheid met het bestemminsplan betreft- niet zonder meer het geval voor zover de bouwwerken onder het overgangsrecht vallen. De volgende vraag die daarom moet worden beantwoord is de vraag of de erfafscheidingen onder het overgangsrecht vallen.

Ingevolge artikel 26, onder A, van de planvoorschriften mogen bouwwerken, welke afwijken van het plan en ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan bestaan (...), mits de bestaande afwijkingen naar aard en omvang niet worden vergroot:

1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

2. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit (...) geheel worden vernieuwd,

veranderd of uitgebreid (...).

In deze overgangsbepaling wordt geen onderscheid gemaakt tussen onder het voorafgaande plan bestaande legale en illegale gebouwen. In beginsel valt de in geding zijnde erfafscheiding daarmee onder het overgangsrecht.

Hiermee is nog niet gezegd dat verweerder niet meer tegen de erfafscheidingen kan optreden. De legaliserende werking van het overgangsrecht wordt namelijk doorbroken indien de illegale situatie onder het oude plan tijdig is gewraakt. Naar het oordeel van de rechtbank is dat het geval. Reeds in november 1996 zijn er gesprekken gevoerd met de vader van eiseres, waarin door verweerder duidelijk is gemaakt dat er sprake was van een illegale situatie. De enkele omstandigheid dat er destijds (en ook nadien) niet eerder daadwerkelijk is opgetreden, is gelegen in het feit dat verweerder heeft afgewacht totdat er meer duidelijkheid was omtrent het ontwerpbestemmingsplan Paterswoldsemeer. Ook nadien zijn partijen hierover constant in gesprek geweest. Onder die omstandigheden was het eiseres duidelijk dat de erfafscheidingen illegaal waren en kan zij niet met succes een beroep doen op het hiervoor genoemde overgangsrecht.

Dit betekent dat verweerder bevoegd was handhavend op te treden. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Van bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld is geen sprake. De rechtbank wijst daarbij in algemene zin op het strikte beleid dat verweerder hanteert, waarbij de natuurwaarden voorop staan en op grond waarvan geen toestemming wordt gegeven bouwwerken te plaatsen.

Voorts gaat het door eiseres gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel niet op. Ten aanzien van de heer [naam1] is eveneens handhavend opgetreden. Voor zover dat niet het geval is, is het zo dat op het perceel van [naam1], anders dan op dat van eiseres, niet de bestemming Natuurgebied rust, maar de bestemming 'woondoeleinden'. Het perceel van mevrouw [naam2] heeft dezelfde bestemming, maar door eiseres is niet betwist dat daarop geen bouwwerken staan, zodat ook in zoverre van gelijke gevallen geen sprake is.

Gelet op het voorgaande is het beroep, voor zover dat is gericht tegen de erfafscheidingen, ongegrond.

Voor zover het beroep betrekking heeft op de tjalk, overweegt de rechtbank als volgt.

De tjalk lag afgemeerd in een stuk dat de bestemming 'Water' heeft. De op de kaart voor 'Water' aangewezen gronden zijn blijkens artikel 19, onder A, sub 2, van de planvoorschriften bestemd voor dagrecreatief gebruik. Woonschepen zijn blijkens het derde sub van die bepaling toegestaan indien de gronden op de kaart zijn voorzien van de aanduiding 'woonschepen toegestaan'. Dat is in casu niet het geval.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de tjalk van eiseres een woonschip is. Dat is blijkens artikel 1, aanhef en onder 27 van de planvoorschriften het geval indien sprake is van een zich op het water bevindend, hoofdzakelijk niet voor het varen bedoeld object, dat nagenoeg voortdurend dient als woning.

Naar het oordeel van de rechtbank is de tjalk van eiseres geen woonschip als bedoeld in het bestemmingsplan. Niet alleen kan van een tjalk als die van eiseres volgens de rechtbank niet gezegd worden dat deze hoofdzakelijk niet voor het varen is bedoeld (de tjalk is daar nu juist wel voor bedoeld), evenmin kan staande gehouden worden dat de tjalk nagenoeg voortdurend als woning heeft gediend, nu eiseres daarop enkel heeft geslapen als zij hier de weekenden verbleef, hetgeen zo nu en dan het geval was.

Nu van een woonschip geen sprake is, moet het ervoor worden gehouden dat de tjalk (naar zijn aard) bedoeld is voor dagrecreatief medegebruik en dus toegestaan op grond van het bestemmingsplan Paterswoldsemeer. Omdat van een handelen in strijd met een wettelijk voorschrift geen sprake is, is verweerder derhalve ten aanzien van de tjalk niet bevoegd om middels een last onder dwangsom op te treden. Het beroep is ook in zoverre gegrond. Het bestreden besluit zal, voor zover dat ziet op de tjalk, worden vernietigd omdat dit in strijd met artikel 5:32, eerste lid, Awb tot stand is gekomen.

Ten aanzien van het schuurtje overweegt de rechtbank tot slot als volgt. Gelijk met de erfafscheidingen het geval is, is ook dit schuurtje zonder bouwvergunning gebouwd. Ook onder het oude plan was dit bouwwerk niet toegestaan en gelijk de rechtbank hiervoor reeds heeft overwogen, heeft verweerder deze illegale situatie tijdig gewraakt, zodat geen beroep kan worden gedaan op de legaliserende werking van het overgangsrecht.

Verweerder is derhalve bevoegd tegen het schuurtje op te treden en, gelijk hiervoor is overwogen, dient verweerder dat in beginsel ook te doen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Een van die omstandigheden is het geval waarin legalisering mogelijk is. Eiseres heeft daarop ten aanzien van dit schuurtje, waarin enkel gereedschap staat ten behoeve van het onderhoud van het perceel, expliciet een beroep gedaan. Legalisering zou mogelijk zijn indien alsnog een bouwvergunning wordt aangevraagd en verleend. Ook daarbij zal wederom moeten worden getoetst aan het bestemmingsplan Paterswoldsemeer.

In dit verband valt op dat de op de plankaart voor natuurgebied aangewezen gronden blijkens het bepaalde in artikel 16, onder A, sub 3 en onder b, van de planvoorschriften bestemd zijn voor gebouwen ten behoeve van onderhoud en beheer. Nu sprake is van een gebouw als bedoeld in de planvoorschriften is dit schuurtje, dat bedoeld is ten behoeve van onderhoud en beheer, toegestaan, mits het voldoet aan de bebouwingsbepalingen van artikel 16, onder C, sub 1 en de nadere eisen als bedoeld in artikel 16, onder D, van de planvoorschriften. In het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende advies is hieraan geheel voorbijgegaan. Het bestreden besluit is in zoverre niet deugdelijk gemotiveerd. Ook dit deel van het besluit zal daarom worden vernietigd. Het beroep is ook in zoverre gegrond. Het bestreden besluit zal, voor zover dat ziet op het schuurtje, worden vernietigd omdat dit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, Awb tot stand is gekomen.

Ten overvloede merkt de rechtbank in dit verband op dat hiermee nog niet gezegd is dat verweerder tegen de schuur niet handhavend zou kunnen optreden. Zo is de rechtbank niet bekend met eventuele nadere eisen als bedoeld in artikel 16, onder D, van de planvoorschriften, waaraan de schuur mogelijk zou moeten voldoen. Ook is de rechtbank nog niet gebleken van een aanvraag voor een bouwvergunning, die legalisering mogelijk zou moeten maken.

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van

artikel 8:72, vijfde lid, Awb een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank zal het besluit van 17 september 2004 schorsen, voor zover dat besluit de verplichting inhoudt om onder last van een dwangsom de genoemde tjalk, het schuurtje en de caravan te verwijderen. Deze voorziening vervalt 6 weken na de dag waarop de nieuw te nemen beslissing op het bezwaarschrift van eiseres op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ten aanzien van de door eiseres gevorderde schadevergoeding van € 5000,00 oordeelt de rechtbank als volgt. De rechtbank heeft ter zitting vastgesteld dat deze kosten zien op reiskosten, ingewonnen deskundigenadvies, gemaakte luchtfoto's en vergoeding van de tijd die door de gemachtigde van eiseres in de procedure is gestoken.

De rechtbank stelt voorop dat de reiskosten en de tijd en energie die de gemachtigde van eiseres in de procedure heeft gestoken, niet middels een schadevergoeding op grond van artikel 8:73, Awb voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Deze kosten vallen onder de proceskosten van artikel 8:75, Awb. Verweerder zal zich daarover in de nieuw te nemen beslissing op bezwaar kunnen uitlaten voor zover dat de bezwaarfase betreft.

Wat de procedure in beroep betreft stelt de rechtbank op grond van artikel 1, aanhef en onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast dat de reiskosten voor vergoeding in aanmerking komen. Eiseres is evenwel niet verschenen, terwijl de (niet professioneel) gemachtigde van eiseres blijkens het beroepschrift in Groningen woont. Nu niet gebleken is van een bijzonder vervoermiddel waarvan de gemachtigde gebruik heeft gemaakt, wordt geen vergoeding toegewezen.

Dat geldt evenmin voor de tijd en energie die de gemachtigde (broer) van eiseres in de zaak heeft gestoken. Blijkens artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht komen immers alleen de kosten die betrekking hebben op de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking. Het behoort niet tot de beroepsmatige taak van de gemachtigde van eiseres om rechtsbijstand te verlenen. De rechtbank is op basis van de stukken voorts niet gebleken dat eiseres een (derde) deskundige heeft geraadpleegd. Ook in verband daarmee kunnen derhalve geen kosten worden toegewezen. De schadevergoeding wordt tot slot afgewezen voor zover de schade ziet op de luchtfoto's. De rechtbank is van oordeel dat deze kosten onnodig zijn gemaakt. Verweerder heeft de plankaart toegezonden, op basis waarvan de situatie ter plaatse -in samenhang met de overige door verweerder ingezonden gedingstukken- voor de beoordeling van het geschil voldoende duidelijk is. Nu eiseres tevens gehouden is de schade ten gevolge van een onrechtmatig besluit te beperken, komen ook deze kosten niet voor toewijzing in aanmerking, nu deze schade niet als een rechtstreeks gevolg van het bestreden besluit kan worden gezien.

Omdat het beroep deels gegrond wordt verklaard, dient ingevolge artikel 8:74, eerste lid, Awb wel te worden bepaald dat het door eiseres betaalde griffierecht ad € 138,00 door de gemeente Haren aan eiseres wordt vergoed.

4. Beslissing

De rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

- verklaart het beroep gegrond, voor zover dat is gericht tegen het onder last van een dwangsom verwijderen van de tjalk, het schuurtje en de caravan en vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- schorst het besluit van 17 september 2004, voor zover dat besluit de verplichting inhoudt om onder last van een dwangsom de tjalk, het schuurtje en de caravan te verwijderen en bepaalt dat deze voorlopige voorziening vervalt 6 weken na de dag waarop de nieuw te nemen beslissing op het bezwaarschrift van eiseres op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt;

- bepaalt dat de gemeente Haren het betaalde griffierecht ad € 138,00 aan eiseres vergoedt;

- wijst de gevraagde schadevergoeding af.

Aldus gegeven door mr. P.W. van Straalen en in het openbaar door hem uitgesproken

op 3 maart 2006, in tegenwoordigheid van G. Rammeloo als griffier.

De griffier, De rechter,

De rechtbank wijst er op dat partijen en andere belanghebbenden binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA in Den Haag.