Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2006:AV3363

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
03-03-2006
Datum publicatie
03-03-2006
Zaaknummer
85001 KGZA 06-58
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Verzoek invrijheidstelling van in justitiële jeugdinrichting geplaatste (PIJ-maatregel) afgewezen.

Bevoegdheid voorzieningenrechter in strafzaken; gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken; strijd EVRM. Eiser stelt dat de (wijze van) uitvoering van het -na zijn onterechte detentie- resterende deel van de PIJ-maatregel onrechtmatig is, omdat de Staat geen uitvoering heeft gegeven aan bevel onmiddellijke invrijheidstelling van het Hof en omdat eiser in strijd met doel en strekking van de PIJ-maatregel in een gesloten inrichting is geplaatst zonder behandeling, waardoor de maatregel een strafkarakter krijgt, terwijl eiser voor zijn detentie in een open setting zat.

Verzoek invrijheidstelling en verzoek opschorting tenuitvoerlegging in afwachting van beslissing ex artikel 77s lid 8 Sr. afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 77s
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2006/226
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

zaaknr.: 85001 KGZA 06-58

vonnis d.d. 3 maart 2006

in de zaak van:

[eiser],

eiser thans verblijvende te Groningen in Het Poortje aan de Hoogeweg 9,

eiser,

procureur mr. J.B. Rijpkema,

advocaat mr. T. van der Goot,

en

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Dienst Justitiële Inrichtingen, Ministerie van Justitie),

zetelende te ’s-Gravenhage op het Parket van de Procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden aan de Kazernestraat 52,

g e d a a g d e,

procureur mr. H.J. de Groot,

advocaat mr. F.W. Bleichrodt.

PROCESVERLOOP

Eiser heeft gedaagde doen dagvaarden in kort geding.

De vordering strekt ertoe gedaagde bij vonnis -uitvoerbaar bij voorraad- te veroordelen:

Primair

1. om eiser binnen 24 uur in vrijheid te stellen, althans binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn na de betekening van het te dezen te wijzen vonnis één en ander onder verbeurte van een dwangsom ad € 5.000,- per dag indien gedaagde in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen.

Subsidiair

2. om binnen 24 uur, althans binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn, na de betekening van het te dezen te wijzen vonnis de tenuitvoerlegging van de PIJ-maatregel op te schorten totdat het Ministerie van Justitie ex artikel 77s lid 8 Sr een beslissing heeft genomen op dit verzoek, één en ander onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000,-- per dag indien gedaagde in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen;

3. in de kosten van deze procedure.

Op de voor de behandeling bepaalde dag, 28 februari 2006, is eiser verschenen, vergezeld van de advocaat mr. T. van der Goot.

Namens gedaagde is verschenen diens advocaat mr. F.W. Bleichrodt.

Eiser heeft conform de dagvaarding voor eis geconcludeerd, waarbij een productie in het geding is gebracht.

Gedaagde heeft verweer gevoerd tegen de vordering en geconcludeerd deze af te wijzen, met veroordeling van eiser in de kosten van de procedure.

Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en pleitnotities overgelegd.

Partijen hebben ten slotte vonnis gevraagd.

De uitspraak is bepaald op 3 maart 2006.

RECHTSOVERWEGINGEN

1. Vaststaande feiten:

a. Aan eiser, geboren [geboortedatum] 1984, is bij arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden (hierna: het Gerechtshof) d.d. 1 oktober 2002 de maatregel van een plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel) opgelegd voor een periode van twee jaren. De termijn is ingegaan op 22 oktober 2002.

b. Eiser is bij vonnis van 1 juli 2004 van rechtbank Leeuwarden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden wegens betrokkenheid bij een autodiefstal tijdens zijn verlof.

c. Op 19 oktober 2004 heeft de rechtbank Leeuwarden beslist de PIJ-maatregel met zes maanden te verlengen.

d. In de eindfase van de behandeling (eind 2004/begin 2005) verbleef eiser in een ‘open setting’ in het Sophiahuis te Apeldoorn.

e. Tijdens het verlof van eiser van 4 tot en met 10 februari 2005 heeft nabij Leeuwarden een diefstal met geweld plaatsgevonden. Eiser werd verdacht van het medeplegen hiervan en is daarvoor op 21 maart 2005 aangehouden, waarna hij in voorlopige hechtenis is genomen.

f. De rechtbank Leeuwarden heeft eiser bij vonnis d.d. 11 augustus 2005 wegens het medeplegen van diefstal met geweld veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden. Daarbij is tevens de tenuitvoerlegging gelast van de eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.

g. Bij arrest van het Gerechtshof d.d. 2 februari 2006 is eiser van al het hem tenlastegelegde vrijgesproken en is de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden afgewezen, met bevel tot onmiddellijke invrijheidstelling.

h. Eiser is direct na het arrest van het Gerechtshof overgebracht van de Penitentiaire

Inrichting De Marwei te Leeuwarden naar Jeugdinrichting Het Poortje te Groningen, voor het ‘uitzitten’ van het restant van de verlengde PIJ-maatregel. Het Poortje is een justitiële jeugdinrichting voor gesloten opvang en behandeling en onder meer bestemd voor de ten uitvoerlegging van een PIJ-maatregel.

i. De PIJ-maatregel van eiser expireert op 15 maart 2006.

2. Standpunt van eiser:

2.1 De PIJ-maatregel dient met onmiddellijke ingang te worden beëindigd. Gelet op het doel en strekking van de PIJ-maatregel enerzijds en de concrete invulling daarvan anderzijds handelt gedaagde thans onrechtmatig jegens eiser om navolgende redenen.

2.2 Allereerst is geen uitvoering gegeven aan het bevel van het Gerechtshof om eiser met onmiddellijke ingang in vrijheid te stellen. Het niet gevolg geven aan dit bevel is in strijd met artikel 5 EVRM en mitsdien onrechtmatig.

2.3 Daarnaast is voortduring van de maatregel onrechtmatig jegens eiser omdat niet meer wordt voldaan aan de eisen van artikel 77s, lid 1, Sr. voor het opleggen van een PIJ-maatregel. Immers, het Openbaar Ministerie vordert geen verlenging van de maatregel, maar is evenmin bereid of in staat de maatregel op te heffen. De PIJ-maatregel beoogt een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte. Nu eiser niet wordt behandeld maar ook niet in vrijheid wordt gesteld wordt het doel van de maatregel niet bereikt: invrijheidstelling komt beter tegemoet aan dit doel dan eiser zinloos en doelloos vast te houden.

2.4 In de derde plaats dient de PIJ-maatregel te worden opgeheven, omdat gedaagde daaraan geen invulling geeft, waardoor de maatregel het karakter van een straf heeft gekregen en eiser zijn straf al heeft ondergaan.

2.5 Eiser heeft een spoedeisend belang bij zijn vordering en er is geen andere met voldoende waarborgen omklede rechtsgang om opheffing en opschorting van de tenuitvoerlegging van de maatregel te verzoeken of te vorderen. Het Ministerie van Justitie (afdeling Individuele Jeugdzaken) heeft naar aanleiding van het verzoek van eiser ex artikel 77s lid 8 Sr. laten weten dat het voornemens is de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te laten doen, welk onderzoek langer zal duren dan de resterende duur van de PIJ-maatregel. De executie-Officier in Leeuwarden heeft via informele weg meegedeeld dat hij geen bevoegdheid heeft om de tenuitvoerlegging van een maatregel op te heffen.

3. Standpunt van gedaagde:

3.1 De vordering van eiser moet worden afgewezen. Eiser miskent dat op de Staat

ingevolge artikelen 124 Ro en 553 Sv de plicht rust tot tenuitvoerlegging van door de strafrechter opgelegde straffen en maatregelen. Volgens vaste rechtspraak van de HR kan tenuitvoerlegging slechts geheel of gedeeltelijk achterwege blijven indien de wet in die mogelijkheid voorziet.

3.2 De beslissing tot verlenging van de PIJ-maatregel is onherroepelijk geworden. Het Openbaar Ministerie is niet bevoegd de tenuitvoerlegging van de PIJ-maatregel te beëindigen. Om die reden kan het Openbaar Ministerie hiertoe evenmin door de voorzieningenrechter worden gedwongen.

3.3 De vraag is of de Minister van Justitie van zijn bevoegdheid gebruik moet maken om de PIJ-maatregel overeenkomstig artikel 77s, lid 8, Sr te beëindigen. De gronden daarvoor staan in artikel 5 Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht 1994. Ingevolge het eerste lid van die bepaling kan de PIJ-maatregel te allen tijde door de Minister voorwaardelijk of onvoorwaardelijk worden beëindigd indien het doel van de maatregel bereikt is of beter op andere wijze kan worden bereikt. Eiser maakt dit niet aannemelijk en op het advies van de Raad voor de Kinderbescherming kan niet worden geanticipeerd.

3.4 Een bevel tot onmiddellijke invrijheidstelling houdt niet in dat eiser meteen vrij komt. Zowel naar nationaal als naar Europees recht heeft het Openbaar Ministerie de bevoegdheid, nadat een bevel tot onmiddellijke invrijheidsstelling is afgegeven, na te gaan of er titels zijn waarop onmiddellijke (hernieuwde) vrijheidsbeneming van de verdachte is aangewezen. Bedoeld bevel geeft dan ook slechts aan dat de titel waarop betrokkene van zijn vrijheid was beroofd niet langer geldig is.

3.5 De plaatsing van eiser in Het Poortje is niet in geding, nu eiser niet heeft gesteld dat hij elders geplaatst had moeten worden. Eiser wil uitsluitend in vrijheid gesteld worden, hetgeen niet strookt met rechterlijke uitspraken waarbij de PIJ-maatregel is opgelegd en verlengd. Overigens houdt het verblijf in Het Poortje geen kale opsluiting in. Het Poortje is een opvang- en behandelinrichting. In de groep waar eiser thans verblijft, vindt weliswaar geen behandeling in de enge zin van het woord plaats, maar is wel sprake van een basisbehandeling in opvoedkundige zin en gaat eiser naar school waar hij een combinatie van theorie- en praktijklessen volgt. Het is daarmee geenszins aannemelijk dat het verblijf in Het Poortje ongunstig zou zijn voor de ontwikkeling van eiser. De stelling van eiser dat de maatregel het karakter van een straf heeft gekregen gaat derhalve niet op.

3.6 Nu de PIJ-maatregel ook een beveiligingskarakter heeft vervult de tenuitvoerlegging van de maatregel ook die functie. De huidige tenuitvoerlegging van de PIJ-maatregel is dan ook niet onrechtmatig jegens eiser.

4. Beoordeling van het geschil:

4.1 In geschil is de vraag of de Staat onrechtmatig handelt door het resterend deel van de bij vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 19 oktober 2004 verlengde PIJ-maatregel tenuitvoer te leggen, danwel de wijze waarop de Staat dat doet en of eiser om die reden in vrijheid gesteld moet worden.

4.2 Allereerst wordt geoordeeld dat de voorzieningenrechter zich bevoegd acht om in deze zaak tot een oordeel te komen. De voorzieningenrechter fungeert namelijk in zaken met betrekking tot de tenuitvoerlegging in strafzaken als restrechter wanneer een strafrechtelijke procedure niet voorhanden is dan wel niet met voldoende waarborgen is omgeven, of wanneer deze bij spoedeisende gevallen niet voorziet in een op korte termijn te geven beslissing. Eiser heeft met het oog op dit laatste er terecht voor gekozen zijn vordering in kort geding aanhangig te maken. De PIJ-maatregel expireert immers op 15 maart 2006 zodat in de door eiser opgestarte procedure ex artikel 77s lid 8 Sr. niet tijdig een beslissing kan worden verkregen aangezien de Minister van Justitie in die procedure gehouden is, alvorens tot (on)voorwaardelijke beëindiging van de maatregel over te gaan, het advies van de Raad voor de Kinderbescherming in te winnen.

4.3 Met de Staat is de voorzieningenrechter van oordeel dat op de Staat de plicht rust tot tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen. Vast staat dat het vonnis van de rechtbank van 19 oktober 2004 -waarbij de PIJ-maatregel is verlengd met

6 maanden- nu daartegen geen rechtsmiddel is aangewend, onherroepelijk is geworden. Evenzeer staat vast dat de aldus verlengde PIJ-maatregel -rekening houdend met het bepaalde in artikel 77s lid 7 Sr.- thans op 15 maart 2006 expireert. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken brengt mee dat deze beslissing van de rechtbank Leeuwarden in rechte vast staat. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan uitsluitend in uiterste noodzaak een inbreuk worden gemaakt op dit gesloten stelsel van strafrechtelijke rechtsmiddelen. Daarbij valt te denken aan situaties die evident in strijd zijn met het EVRM. Van een dergelijke uiterste noodzaak is de voorzieningenrechter in het onderhavige geval echter niet gebleken. De door eiser aangevoerde gronden zijn daarvoor niet toereikend.

4.4 Dat geldt in elk geval voor het beroep dat eiser heeft gedaan op het bevel onmiddellijke invrijheidstelling van het Gerechtshof. Dit bevel had enkel betrekking op de titel op basis waarvan eiser op dat moment van zijn vrijheid beroofd was. Dat deze titel door de vrijspraak niet langer geldig was laat de geldigheid van andere titels, zoals i.c. de verlengde PIJ-maatregel, onverlet. In dit kader wordt ook verwezen naar het bepaalde in artikel 77s lid 7 Sr., welke bepaling niet valt te rijmen met de stelling van eiser.

4.5 De omstandigheid dat eiser thans zonder specifieke behandeling in een gesloten inrichting is geplaatst, maakt nog niet dat eiser zonder titel of op willekeurige wijze van zijn vrijheid wordt beroofd. Hooguit zou dit aanleiding kunnen zijn om eiser te (doen over)plaatsen naar een inrichting met een milder regiem -zoals gebruikelijk in de slotfase van een PIJ-maatregel- maar dat heeft eiser niet gevorderd.

4.6 Hoezeer de voorzieningenrechter ook kan invoelen dat de PIJ-maatregel bij eiser

-door zijn in hoger beroep gebleken onterechte detentie- op een ongelukkige wijze is onderbroken en thans op uiterst onbevredigende wijze wordt voltooid -in een gesloten setting zonder behandeling, zoals bij het opleggen van de maatregel beoogd- levert het gestelde nog niet op een zodanige exceptionele situatie dat, in weerwil van de onherroepelijk geworden maatregel, (verdere) tenuitvoerlegging daarvan onrechtmatig is. Van strijd met artikel 5 EVRM is de voorzieningenrechter daarbij -mede nu eiser niet geheel zonder behandeling in Het Poortje verblijft en ook overigens de PIJ-maatregel mede een beveiligingskarakter heeft- niet gebleken.

4.7 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zullen de gevraagde voorzieningen worden geweigerd.

5. Eiser zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

BESLISSING

De voorzieningenrechter:

1. weigert de gevraagde voorzieningen;

2. veroordeelt eiser tot betaling aan gedaagde in de kosten van de procedure, tot op deze uitspraak aan de zijde van of begroot op € 244,-- aan verschotten en op

€ 816,-- aan salaris van de procureur;

3. verklaart het vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij

voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J. Oostdijk, voorzieningenrechter en door deze uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 maart 2006, in tegenwoordigheid van de griffier.

[emv]