Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2006:AV3361

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
02-03-2006
Datum publicatie
03-03-2006
Zaaknummer
272582/05-10406
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

transactie bij winkelbedrijf met gestolen creditcard; houder/gerechtigde van de kaart stelt winkelier op grond van onrechtmatig handelen met succes aansprakelijk voor de schade.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2006, 85
JA 2006/50
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector kanton

Locatie Groningen

Zaak\rolnummer: 272582/05-10406

Vonnis d.d. 2 maart 2006

inzake

(eiser), wonende te Groningen,

eiser, gemachtigde mr. A.R. Mes, jurist bij de SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer (postbus 3020, 2700 LA),

t e g e n

gedaagde, gevestigd en kantoorhoudende te Groningen,

gedaagde, gemachtigde mr. H.D.L.M. Schruer, advocaat te Rotterdam ('s Lands Werf 120, 3063 GD).

P R O C E S G A N G

Bij dagvaarding heeft eiser gevorderd gedaagde te veroordelen, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, om aan hem te betalen een bedrag van € 574,00 vermeerderd met rente en kosten. Partijen hebben vervolgens geconcludeerd voor antwoord, re- en dupliek. Hierna is vonnis bepaald.

R E C H T S O V E R W E G I N G E N

1. Tussen partijen staat als gesteld en erkend, dan wel niet (gemotiveerd) betwist het volgende vast.

Op vrijdag 14 februari 2005 tussen 12.00 en 13.00 uur is de portemonnee van eiser gestolen. In die portemonnee bevond zich onder meer een creditcard en een rijbewijs.

Met de creditcard is door de vermoedelijke dief op dezelfde dag om 12.32 uur een aankoop ten bedrage van € 499,00 gedaan bij gedaagde. Eiser heeft van beide feiten aangifte gedaan bij de politie. De creditcardmaatschappij heeft de schade van eiser niet voor haar rekening genomen, aangezien eiser de creditcard op een voor derden toegankelijke plaats heeft achtergelaten. Tegen de verdachte van de diefstel heeft een strafzaak gediend. Eiser heeft geprobeerd om zich als benadeelde partij in die strafzaak te stellen. Dit was niet mogelijk aangezien voormelde feiten ad informandum waren gevoegd. Eiser heeft van een verhaalsactie tegen de verdachte afgezien.

2. Eiser legt het volgende aan zijn vordering ten grondslag.

Hij heeft als gevolg van de handelwijze van gedaagde schade geleden. Op het moment van de betreffende transactie met de creditcard heeft gedaagde onzorgvuldig en nalatig gehandeld. Hij verwijst terzake naar de artikel 4.4 sub e en 4.5 van de Algemene Voorwaarden Kaartacceptatie van Interpay. Gedaagde heeft, toen haar de creditcard als betaalmiddel werd aangeboden, onvoldoende controle uitgevoerd met betrekking tot de identiteit van de persoon in kwestie. De handtekening op de “sales slip” lijkt in geen enkel opzicht op die van hem. Het feit dat gedaagde naast de handtekeningvergelijking ook nog eens om een legitimatiebewijs vroeg, duidt er op dat er twijfels bestonden over de rechtsgeldigheid van de kaart. Gedaagde had alleen daarom al de creditcard niet mogen accepteren.

Eiser is van mening dat gedaagde onrechtmatig heeft gehandeld in de zin van artikel 6:162 BW en hij vordert op grond hiervan de door hem geleden schade ad € 499,00. Gelet op de omstandigheid dat hij de vordering ter incasso uit handen heeft moeten geven, maakt hij tevens aanspraak op buitengerechtelijke kosten.

3. Gedaagde voert - zakelijk weergegeven - het volgende aan.

De door eiser geleden schade dient voor zijn rekening te blijven. Er is sprake van grove nalatigheid aan de zijde van eiser, omdat hij zijn creditcard onbeheerd heeft achter- gelaten. Ten tijde van de transactie heeft zij de creditcard geaccepteerd, aangezien er voldoende optische gelijkenis was tussen de handtekening op de kaart en de handtekening op de “sales slip”. Daarnaast heeft zij, geheel onverplicht, maar echter wel te doen gebruikelijk bij haar, gevraagd naar een identiteitsbewijs. De aanbieder van de kaart heeft vervolgens het rijbewijs van eiser getoond. De naam op de creditcard en op het rijbewijs waren van dezelfde persoon. Voor haar was er daarom geen enkele reden om te twijfelen aan de rechtsgeldigheid van de kaart.

Voorts maakt gedaagde bezwaar tegen de buitengerechtelijke kosten. Deze zijn, zo stelt zij, slechts gemaakt ter voorbereiding van de procedure en zijn bovendien buitensporig hoog. Gedaagde voert tenslotte nog aan dat de wettelijke rente hooguit vanaf de dag van dagvaarding in aanmerking kan worden genomen.

4. Naar het oordeel van de kantonrechter is gedaagde onvoldoende zorgvuldig geweest bij het controleren van de creditcard. De handtekening op de “sales slip” vertoont nauwelijks enige gelijkenis met die, die op de bij dagvaarding overgelegde processen-verbaal staan en waarvan door gedaagde niet is weersproken dat deze door eiser zijn geplaatst. Reeds toen had bij gedaagde twijfel kunnen ontstaan omtrent de identiteit van de aanbieder en de rechtsgeldigheid van de kaart. Toen de aanbieder van de kaart zich daarna ook nog eens heeft geïdentificeerd met een rijbewijs, dat van eiser, had het voor gedaagde duidelijk moeten en kunnen zijn dat zij te maken had met een op zijn minst twijfelachtige situatie. Weliswaar hadden de creditcard en het rijbewijs dezelfde naam, maar het komt de kantonrechter onwaarschijnlijk voor dat de foto op het rijbewijs een zodanige gelijkenis vertoonde met de aanbieder van de creditcard, van wie onweer- sproken is gesteld dat het een persoon betrof met een Marokaanse nationaliteit, dat daaruit een gerechtvaardigd vertrouwen mocht zijn ontstaan dat gedaagde een rechtsgeldige creditcard werd aangeboden.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat gedaagde door de creditcard niet nauwkeurig te controleren onrechtmatig jegens eiser heeft gehandeld en dat dit haar kan worden toegerekend. Dat eiser beter om zijn zaken had moeten denken, zoals door gedaagde betoogt, doet aan de verplichting om de creditcard nauwkeurig te controleren niet af.

Nu gedaagde de hoogte van de door eiser gestelde schade niet heeft betwist, zal de vordering in hoofdsom worden toegewezen. Dit geldt evenzeer voor de neven- vorderingen. Terzake van de buitengerechtelijke kosten is niet gebleken dat deze slechts ter voorbereiding en instructie van de procedure zijn gemaakt. Voor wat betreft de hoogte van de kosten heeft eiser op juiste wijze aansluiting gezocht bij het staffeltarief van rapport VoorWerk II. Met betrekking tot de wettelijke rente wordt overwogen dat het verzuim als gevolg van het onrechtmatig handelen door gedaagde is ontstaan op

4 februari 2005.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal gedaagde tevens worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

B E S L I S S I N G

De kantonrechter:

veroordeelt gedaagde om tegen bewijs van betaling aan eiser te voldoen een bedrag van

€ 574,00 vermeerderd met de wettelijke rente over € 499,00 vanaf 4 februari 2005 tot de dag van algehele voldoening;

verwijst gedaagde in de kosten van deze procedure, die aan de zijde van eiser tot aan deze uitspraak worden vastgesteld op € 85,60 aan dagvaardingskosten, € 146,00 aan griffierecht en € 200,00 aan salaris van de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.Tj. Terpstra, kantonrechter, en op 2 maart 2006 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.