Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2006:AV2523

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
19-01-2006
Datum publicatie
27-02-2006
Zaaknummer
264879/05-7125
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wanneer sprake is van een ongeval op de werkvloer met schade voor de werknemer, moet in beginsel de werkgever van goede huize komen wil hij niet aansprakelijk zijn ten opzichte van de werknemer. Wanneer echter een werknemer keer op keer bij ongelukken en bijna-ongelukken betrokken is en onveilig handelt –ook al is ook de werkgever niet steeds geheel vrij te pleiten- kan dat een reden opleveren om tot ontslag te komen, bijvoorbeeld via de CWI. Een dergelijk ontslag is dan niet kennelijk onredelijk enkel omdat bij sommige (bijna-)ongelukken de werkgever de zorgplicht ten aanzien van een veilige werkomgeving niet volledig is nagekomen. In de onderhavige zaak is er wel een kennelijke onredelijkheid op grond van het gevolgen criterium. De kantonrechter bepaalt een ontslagvergoeding waarbij hij te rade gaat bij de kantonrechtersformule zoals hij die zou hebben toegepast wanneer de werkgever in plaats van de CWI-procedure de ontslagprocedure bij de kantonrechter zou hebben gekozen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector kanton

Locatie Groningen

Zaak/rolnummer: 264879/05-7125

Vonnis d.d 19 januari 2006

inzake

[eiser],

wonende te [adres],

eiser,

gemachtigde: mr. B. Van Dijk, jurist bij FNV Bondgenoten te Groningen,

tegen

de besloten vennootschap DE EENDRACHT KARTON B.V.,

gevestigd te Appingedam,

gedaagde,

gemachtigde: mr. P.H.F. Yspeert, advocaat te Groningen.

PROCESGANG

1. Op de bij dagvaarding met producties vermelde gronden heeft eisende partij, hierna te noemen [eiser], gevorderd om gedaagde partij, hierna te noemen De Eendracht, te veroordelen tot herstel van de dienstbetrekking en wedertewerkstelling, tot betaling van een vergoeding over de periode dat de arbeidsovereenkomst onderbroken is geweest, alsmede subsidiair tot betaling van € 107.500,00, met rente en kosten.

De Eendracht heeft bij antwoord, onder overlegging van producties, de vordering betwist.

Na repliek (met producties) en dupliek is vonnis bepaald op de stukken, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.

OVERWEGINGEN

De feiten

2. Als gesteld en erkend, dan wel als niet of onvoldoende weersproken, alsmede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud der overgelegde producties staat het volgende vast.

2.1. [eiser] is geboren [geboortedatum] en is bij De Eendracht in dienst geweest van [....], laatstelijk in de functie van Operator B met een maandsalaris van [....] bruto, inclusief ploegentoeslag en exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten.

2.2. Op 7 augustus 1996 heeft het Openbaar Ministerie te Groningen een transactievoorstel gedaan aan De Eendracht in verband met een [eiser] op 3 mei 1996 overkomen ongeval op de werkvloer. [eiser] heeft een wals schoongemaakt terwijl deze nog in werking was. In het transactievoorstel staat onder meer:

Met de Arbeidsinspectie ben ik van mening dat het ongeval voorkomen had kunnen worden door de knelplaats beter te beveiligen.

In een rapport van 9 mei 1996 inzake het ongeval staat vermeld dat [eiser] voor het reinigen van de walsen zijn arm door of onder het hekwerk heeft gestoken, terwijl de walsen tegen elkaar draaiend geplaatst waren. Andere werknemers zouden het soms ook op die manier doen.

2.3. De rapportage betreffende een ongeval op 20 april 2000 vertelt over de rechter middelvinger van [eiser] die klem is geraakt tussen de doorn en een deel van de omroller met als gevolg een schaafwond.

2.4. Blijkens een gespreksverslag van 23 mei 2000 is [eiser] door De Eendracht aangesproken op onder meer zijn werkhouding, die verbeterd dient te worden.

2.5. Uit de “rapportage ongeval” van een gebeurtenis op 29 december 2000 blijkt dat [eiser] zijn rechterbeen en knie heeft gekneusd door niet volgens werkvoorschrift te werken. Volgens werkvoorschrift mag men zich tijdens het draaien niet in de kooi bevinden. Geconstateerd is dat meerdere ploegen dat echter wel doen. Over dit ongeval heeft de Arbeidsinspectie op 11 april 2002 onder meer geschreven:

Door de eenvoudige en toegestane toegang tot de risicozone was het mogelijk te worden getroffen door de ongewild in beweging komende kartonrol.

De Eendracht is een bestuurlijke boete opgelegd op grond van de Arbeidsomstandighedenwet.

2.6. Op 4 mei 2001 is [eiser] blijkens een door hem ondertekend gespreksverslag aangesproken op onder meer veiligheidsbewustzijn.

2.7. Uit de “rapportage ongeval” van een gebeurtenis op 24 juni 2001 blijkt dat [eiser] een snijwond heeft opgelopen aan de wijsvinger van zijn linkerhand door een door hem gepleegde onveilige handeling, het sluiten van een deur terwijl de aandrukwals al bijna onderin was.

2.8. Op 11 maart 2003 heeft [eiser] van De eendracht een schriftelijke waarschuwing ontvangen omdat hij vanwege houding en gedrag de veiligheid van zichzelf en anderen in gevaar brengt.

2.9. Tijdens zijn werkzaamheden op 12 november 2004 heeft [eiser] niet de aanwezige loopbrug gebruikt en heeft hij tussen de tamboer (een papierrol van 9,5 ton) en die loopbrug gelopen. Op dat moment is er niet getakeld. In de “rapportage onveilige situatie” van De Eendracht staat dat [eiser] tussen de rol en het loopbordes is door gelopen. De loopbrug is aangelegd nadat op 3 augustus 2002 een andere werknemer beklemd is geraakt tussen de tamboer en een hekwerk.

2.10. Op 22 december 2004 heeft de CWI aan De Eendracht toestemming verleend tot het opzeggen van de arbeidsverhouding met [eiser]. Daarbij heeft de CWI onder meer overwogen:

(...) is door werkgever voldoende aangetoond dat betrokken werknemer herhaaldelijk onveilig gedrag heeft vertoond.

(...) Werkgever heeft, gelet op bovenstaande, voldoende aannemelijk gemaakt dat er ondanks zijn inspanningen geen verbetering is opgetreden in het gedrag van betrokkene.

2.11. Op 23 december 2004 heeft De Eendracht het dienstverband opgezegd tegen 1 april 2005 en [eiser] meegedeeld dat zijn laatste werkdag 18 januari 2005 zal zijn en dat hij de rest van de opzeggingstermijn op non-actief zal worden gesteld.

De standpunten van partijen

3. [eiser] heeft zich gebaseerd op de vaststaande feiten en aangevoerd dat hij op 12 november 2004 zich niet onveilig heeft gedragen omdat op het moment dat hij tussen de tamboer en de loopbrug liep er niet getakeld werd. Door De Eendracht is ten onrechte niet aan de CWI meegedeeld dat er geen verplichte looproute was en dat ook andere werknemers liepen zoals [eiser] op 12 november 2004 heeft gelopen.

Bij de eerdere door De Eendracht aangevoerde ongelukken is [eiser] daar niet de oorzaak van geweest. Die ongelukken zijn een gevolg geweest van ontbrekende of onduidelijke veiligheidsregels en voorzieningen.

[eiser] is bijna 25 jaren bij De Eendracht in dienst geweest en heeft daardoor een eenzijdige werkervaring. Daarbij heeft hij bij een eerder bedrijfsongeval bij De Eendracht twee vingers verloren.

4. Het verweer van De Eendracht is dat zij er alles aan doet om ongelukken te voorkomen. Dat brengt mee dat na een ongeval maatregelen worden geëvalueerd en aangescherpt. Takelwerkzaamheden of niet, [eiser] had op 12 november 2004 de aanwezige loopbrug moeten gebruiken. Daarmee is geen sprake van een voorgewende of valse reden voor het ontslag van [eiser]. Omdat [eiser] voor wat betreft de reden van het ontslag een verwijt gemaakt kan worden is er ook geen reden voor het in het kader van een belangenafweging toekennen van een vergoeding.

De beoordeling van het geschil

5. Voorop stelt de kantonrechter dat de beoordelingsmaatstaf in deze zaak niet is die van artikel 7:658 lid 1 BW, de aard en omvang van de daar bedoelde zorgplicht ten aanzien van de veiligheid op de werkvloer. De onderhavige procedure is immers gebaseerd op artikel 7:681 lid 1 BW, waartoe door [eiser] een kennelijk onredelijk ontslag wordt gesteld. Aan de orde is dan ook niet (vooral) of De Eendracht steeds haar zorgplicht als bedoeld in artikel 7:658 lid 1 BW is nagekomen, maar of De Eendracht aan [eiser] al of niet kennelijk onredelijk –hoewel regelmatig- ontslag heeft aangezegd op de gronden die aan de orde zijn geweest in de CWI-procedure. Naar het oordeel van de kantonrechter moet voor wat betreft de onredelijkheid van het ontslag van een zekere evidentie sprake zijn.

6. De kantonrechter begrijpt dat De Eendracht [eiser] heeft ontslagen vooral, omdat deze zich min of meer bij voortduring op de werkvloer onveilig heeft gedragen. Het kan zijn dat De Eendracht op grond van haar zorgplicht bedoeld in artikel 7:658 lid 1 BW de verplichting heeft gehad en verzuimd om die onveilige gedragingen van [eiser], althans voor wat betreft de schadelijke gevolgen ervan, te voorkomen. Dat echter is een beoordeling die in deze procedure niet, althans niet in de eerste plaats, aan de orde is. In het kader van het ontslagrecht is de kantonrechter van oordeel dat het niet kennelijk onredelijk is dat De Eendracht met [eiser], gelet op zijn staat van dienst voor wat betreft veilig werken, tot een einde van de arbeidsovereenkomst heeft willen komen. Anders dan [eiser] heeft beweerd blijkt uit de rapportages aangaande de verschillende ongelukken niet dat hem van die ongelukken geen verwijt treft. Daaraan doet niet af dat De Eendracht in voorkomende gevallen een betere invulling van haar zorgplicht had kunnen geven en naderhand heeft moeten geven, en in sommige gevallen tot aanscherping van de veiligheidsregels is overgegaan.

7. Anders gezegd is het niet zo dat, om reden dat De Eendracht een verwijt gemaakt kan worden waar het de veiligheid betreft en dus haar zorgplicht, [eiser] als werknemer maar zijn gang heeft mogen gaan en niet een eigen verantwoordelijkheid waar het betreft de veiligheid heeft moeten nemen. Hij heeft ondanks tekortkomingen van De Eendracht zo veilig als mogelijk moeten werken. Uit de vaststaande feiten maakt de kantonrechter op dat [eiser] dat meerdere keren niet heeft gedaan. Ook de handelwijze van [eiser] op 12 november 2004 bestempelt de kantonrechter als onveilig handelen. De reden waarom de loopbrug is aangelegd en de loopbrug zoals de kantonrechter die op de overgelegde foto heeft gezien, laten geen andere conclusie toe dan dat die gebruikt moet worden wanneer men van de ene naar de andere zijde wil lopen. Het past dan niet dat [eiser] zelf gaat beslissen wanneer hij wel en wanneer hij niet de loopbrug gebruikt. Gesteld noch anderszins gebleken is dat er voor [eiser] op 12 november 2004 een reden is geweest die hem noodzaakte de loopbrug niet te gebruiken.

8. De conclusie is dat het [eiser] gegeven ontslag niet kennelijk onredelijk is op grond van een voorgewende of valse reden, waardoor de kantonrechter geen ruimte ziet voor een herstel van de dienstbetrekking.

9. Voor wat betreft de gevolgen van het ontslag overweegt de kantonrechter het navolgende.

Gelet op het langdurige dienstverband, de daardoor eenzijdige arbeidservaring en de tijdens het werk opgelopen verminking van zijn rechterhand, acht de kantonrechter een ontslag van [eiser] zonder vergoeding kennelijk onredelijk. De kantonrechter oordeelt een vergoeding van afgerond € 36.000,00 bruto passend. Wanneer het ontslag van [eiser] zou zijn bewerkstelligd door middel van een ontbindingsprocedure zou de kantonrechter gezien het feiten complex de factor c=0,5 hebben toegepast. Het zou niet terecht zijn [eiser] die vergoeding niet te laten genieten doordat De Eendracht heeft gekozen voor de CWI-procedure in plaats van de ontbindingsprocedure.

10. Gelet op deze uitkomst van de procedure oordeelt de kantonrechter dat partijen de aan eigen zijde gevallen kosten dienen te dragen.

B E S L I S S I N G

De kantonrechter:

veroordeelt De Eendracht tot betaling aan [eiser] van een bedrag groot € 36.000,00 bruto (zegge: zesendertigduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 5 juli 2005, zijnde de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;

wijst af het meer of anders gevorderde;

compenseert de kosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.Tj. Terpstra, kantonrechter, en op 19 januari 2006 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.