Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2005:AZ2340

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
01-06-2005
Datum publicatie
15-11-2006
Zaaknummer
73725
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wielrenner komt ten val door uitholling in wegdek. Provincie wordt aansprakelijk gesteld ex art. 6:174 BW. Rechtbank oordeelt dat het betreffende wegdek niet in gebrekkig staat van onderhoud verkeerde. Daarbij maakt de rechtbank de kanttekening dat een weggebruiker zoals eiser er niet van uit mag gaan dat het wegdek zich steeds en overal in perfecte staat bevindt, zeker niet als het gaat om wegen in een landelijk gebied als hier aan de orde. Volgt afwijzing van de vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

[eiser],

advocaat: mr. I.R.M. Goedings,

procureur mr. P.E. Mazel,

en

DE PROVINCIE GRONINGEN,

advocaat: mr. D.J. van de Kolk,

procureur mr. J.J. van der Molen.

PROCESVERLOOP

[eiser] heeft op de bij dagvaarding geformuleerde gronden gevorderd:

I. te verklaren voor recht dat de Provincie aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden en nog te lijden schade, die het gevolg is van het gebrek aan de weg;

II. de Provincie te veroordelen tot betaling aan [eiser] van de navolgende schadebedragen:

a. € 15.000 aan verlies van het arbeidsinkomen

b. € 30.000 aan immateriële schadevergoeding

c. € 218,17 aan materiële schade aan broek, shirt en zonnebril

d. € 500 aan materiële schade betreffende ziekenhuisdaggeld en reiskosten naar ziekenhuis van familieleden

e. € 2.800 aan materiële schade voor reiskosten van [eiser]

f. € 5.488,49 aan materiële schade voor niet vergoede medische kosten

g. € 1.000 aan materiële schade wegens gederfde inkomsten van de vrouw van [eiser]

h. € 5.852,82 aan buitengerechtelijke kosten

III. de Provincie te veroordelen tot vergoeding van de geleden en nog te lijden schade, - ter zake van de posten verlies zelfwerkzaamheid, verlies zelfredzaamheid en economische kwetsbaarheid en toekomstige materiële schade - welke schade nader dient te worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, ingaande op de datum van het ongeval;

IV. de Provincie te veroordelen tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding, als onder III gevorderd, ad € 42.500, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;

V. de Provincie te veroordelen in de kosten van deze procedure.

Bij conclusie van antwoord heeft de Provincie geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van [eiser], dan wel tot ontzegging van de vorderingen, met, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding.

Vervolgens hebben partijen gere- en dupliceerd, waarna zij vonnis hebben gevraagd.

RECHTSOVERWEGINGEN

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet betwist en op grond van de inhoud van

overlegde producties, staat in dit geding het volgende vast:

1.1 Op 9 augustus 2001 om ongeveer 19.40 uur is [eiser] rijdend op een racefiets ten val gekomen vlak voor de Wierumerschouwsterbrug over het Reitdiep in de gemeente Winsum. [eiser] was de brug genaderd, komende van de openbare weg, de Paddepoelsterweg, die kort voor de brug een bocht naar links maakt en aansluit op de Wierumerschouwsterweg. Vlak vóór de Wierumer- schouwsterbrug bevond zich een uitholling in het wegdek van de Wierumerschouwsterweg van circa 50 cm breed, 30 cm lang en 2 cm diep.

1.2 Ten gevolge van deze val heeft [eiser] ernstig aangezichtsletsel opgelopen, waarvoor hij in het ziekenhuis opgenomen is geweest en diverse operaties heeft ondergaan. [eiser] ondervindt tot op heden hinder van het opgelopen letsel.

1.3 De Provincie is beheerder van de Wierumerschouwsterweg.

2. [eiser] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag:

2.1 De Provincie is op grond van artikel 6:174 BW aansprakelijk voor de gevolgen van het hem overkomen ongeval.

2.2 De uitholling in de weg is te kwalificeren als een gebrek. De weg voldeed immers niet aan de eisen die men er onder de gegeven omstandigheden aan mag stellen. Het gaat om een reguliere doorgaande verharde weg, die niet tot aanpassing van het rijgedrag en tot grotere oplettendheid en voorzichtigheid aanleiding geeft. De uitholling in de weg is bovendien niet plotseling ontstaan. De Provincie heeft niet gewaarschuwd voor het gebrek. Uit het feit dat de Provincie het wegdek spoedig na het ongeval heeft gerepareerd, kan reeds worden afgeleid dat het hier ging om een gebrek.

Dat dit gebrek gevaar oplevert, blijkt reeds uit het feit dat het gevaar zich heeft verwezenlijkt. Nu er een gebrek is dat een gevaarlijke situatie heeft doen ontstaan, is daarmee het causaal verband tussen het gebrek en het ongeval gegeven.

2.3 [eiser] heeft geen schuld aan het ongeval. De bewuste plek bevindt zich na een bocht en was voor hem niet zichtbaar, zodat hij daarop niet kon anticiperen. De bocht alleen noopte niet tot aanpassing van het rijgedrag van [eiser].

2.4 Ten gevolge van de val heeft [eiser] grote schade geleden en hij zal ook in de toekomst naar alle waarschijnlijkheid nog schade lijden. De thans geleden schade blijkt uit de producties. De toekomstige schade is nog niet te overzien.

3 De Provincie voert het volgende verweer:

3.1 Er is geen sprake van een gebrek. De uitholling is slechts gering en aangezien de uitholling zich bevond bij een wegdekovergang, is een grotere oplettendheid van de weggebruikers vereist. Bovendien had [eiser] met het zicht op een beweegbare brug en een scherpe bocht zijn rijgedrag aan de situatie moeten aanpassen. De staat van onderhoud van de weg was niet beneden het niveau dat voor dit soort wegen van de Provincie kan worden geëist. Nu er geen sprake is van een gebrek, was er ook geen waarschuwing nodig. Voorts is niet uit te sluiten dat de uitholling zich in korte tijd heeft geopenbaard. Dat de Provincie na het ongeval de uitholling heeft opgeheven, houdt niet in dat de Provincie heeft erkend dat de uitholling gekwalificeerd kan worden als een gebrek.

3.2 Er is geen causaal verband tussen de uitholling en het ongeval. De stelling van [eiser] is onvoldoende onderbouwd.

3.3 Bovendien is er sprake van eigen schuld van [eiser]. De aanwezigheid van de bocht en de brug, die beiden goed zichtbaar waren voor [eiser], maakten het noodzakelijk zijn rijgedrag aan te passen. Indien hij dat had gedaan, was het mogelijk geweest de uitholling te ontwijken. Bovendien had [eiser] als racefietser een helm behoren te dragen.

3.4 [eiser] heeft zijn stellingen betreffende de schade onvoldoende onderbouwd, waardoor het voor de Provincie niet mogelijk is gemotiveerd verweer te voeren. De Provincie betwist echter alle schadeposten en is van mening dat voor de aard, de ernst en de gevolgen van het ongeval en het letsel alsmede over de vraag of er al dan niet een medische eindtoestand is bereikt, een deskundige geraadpleegd zou moeten worden. Bovendien is er wat betreft de schade in verband met een eventueel gederfde bonus en eventueel gederfde commissie geen causaal verband aangetoond tussen het ongeval en deze schade. Voorts is de materiële schade niet aannemelijk gemaakt. De Provincie betwist dat het aannemelijk is dat zich in de toekomst schadeposten zullen openbaren. Voor het voeren van eens schadestaatprocedure zijn bijzondere omstandigheden nodig, welke niet door [eiser] zijn aangevoerd. Ook voor de buitengerechtelijke kosten is onvoldoende overgelegd en bovendien is het aannemelijk dat de buitengerechtelijke kosten zijn voldaan door de rechtsbijstandverzekeraar van [eiser].

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Het [eiser] overkomen ongeval heeft plaatsgevonden op de openbare Wierumerschouwsterweg, waarvan het beheer berust bij de Provincie. Dit betekent dat als de oorzaak van het ongeval is gelegen in een gebrekkige toestand van de weg, zoals [eiser] stelt, de Provincie krachtens artikel 6:174 BW voor de gevolgen kan worden aangesproken.

De rechtbank zal dus moeten nagaan of de weg ter plaatse en ten tijde van het ongeval in een gebrekkige staat van onderhoud verkeerde. De rechtbank hanteert daarbij als uitgangspunt dat van een gebrekkige toestand sprake is wanneer de staat van onderhoud van de weg beneden het niveau ligt dat van een dergelijke weg mag worden verwacht en de weg daardoor gevaar oplevert voor de weggebruiker.

De rechtbank is op basis van de door partijen gegeven beschrijving van de plaats van het ongeval en de foto’s van de situatie ter plaatse en van de bewuste uitholling in het wegdek van oordeel dat de aanwezigheid van een uitholling van een toch beperkte omvang - van een gat, zoals [eiser] stelt, is geen sprake - niet de conclusie wettigt dat de staat van onderhoud van de weg beneden het niveau lag dat van de Provincie als beheerder van een dergelijke weg mag worden verlangd. Hierbij maakt de rechtbank de kanttekening dat een weggebruiker zoals [eiser] er niet van uit mag gaan dat het wegdek zich steeds en overal in perfecte staat bevindt, zeker niet als het gaat om wegen in een landelijk gebied als hier aan de orde.

Dat de Provincie de betreffende uitholling na het ongeval heeft opgevuld, maakt dit niet anders, omdat een redelijk handelend wegbeheerder maatregelen zal nemen om herhaling te voorkomen. Hieraan mag echter niet de gevolgtrekking worden verbonden dat de uitholling als een gebrek moet worden beschouwd, dat leidt tot aansprakelijkheid van de Provincie.

Reeds hierom is de Provincie niet aansprakelijk voor de schade die [eiser] ten gevolge van de val heeft geleden, zodat de overige stellingen en verweren van partijen buiten beschouwing kunnen blijven.

4.2 De vorderingen van [eiser] zullen gelet op het vorenstaande worden afgewezen en [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

BESLISSING

De rechtbank:

1. wijst de vordering af;

2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de zijde van de Provincie begroot op € 935,-- aan verschotten, vermeerderd met de eventueel niet voor verrekening vatbare omzetbelasting en € 1.788,-- aan salaris van de procureur.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J.H. Praktiek, voorzitter, J. Smit en A. Keirse en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 1 juni 2005 door mr. P. Molema in tegenwoordigheid van de griffier.