Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2005:AX9530

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
27-07-2005
Datum publicatie
28-06-2006
Zaaknummer
74789 / HA ZA 04-831
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Misbruik van bevoegdheid door nalatenschap beneficiair te aanvaarden?

Erflater (vader van partijen) heeft circa 15 jaar voor zijn dood de boerderij en landerijen aan eiser verkocht, met de bepaling dat de onroerende zaken eerst na zijn dood aan eiser worden geleverd. De boerderij en landerijen behoorden echter slechts voor de helft in eigendom toe aan vader. De overige helft behoorde in blote eigendom toe aan de drie kinderen van erflater (waaronder eiser). Vader had daarvan het vruchtgebruik. Gedaagde heeft de nalatenschap van erflater beneficiair aanvaard. Dit heeft tot gevolg dat eiser in beginsel geen nakoming van de koopovereenkomst kan vorderen omdat hij als koper zijn rechten alleen geldend kan maken jegens de beneficiair aanvaarde nalatenschap, waartoe slechts de helft van het verkochte behoort. Eiser stelt dat gedaagde misbruik maakt van de bevoegdheid om beneficiair te aanvaarden aangezien duidelijk is dat de nalatenschap een batig saldo kent. Hij vordert te verklaren voor recht dat de beneficiaire aanvaarding voor nietig moet worden gehouden. Deze vordering wijst de rechtbank af, gedaagde heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard ter bescherming van zijn eigen vermogenspositie. Dit is niet strijdig met bedoeling van deze rechtsfiguur. Geen misbruik van bevoegdheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

[eiser]

wonende te Nieuw Beerta,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

hierna te noemen: [eiser],

procureur mr. J.P. van Stempvoort,

en

1. [gedaagde sub 1],

wonende te Groningen,

gedaagde in conventie,

in rechte niet verschenen,

hierna te noemen: [gedaagde 1],

2. [gedaagde sub 2],

wonende te Zuidlaren,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

hierna te noemen: [gedaagde 2],

procureur mr. B.H. Weerink,

advocaat mr. A.S.M. Kunst.

PROCESVERLOOP

Ingevolge het tussenvonnis van 8 december 2004 heeft op 21 januari 2005 een comparitie van partijen plaatsgevonden, waarbij [eiser] een conclusie van antwoord in reconventie heeft genomen en heeft geconcludeerd tot afwijzing van de reconventionele vordering, kosten rechtens. Van de comparitie is proces-verbaal opgemaakt.

Partijen hebben daarna een akte na comparitie genomen.

Vervolgens heeft op 13 mei 2005 een pleidooi plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

Ten slotte hebben partijen vonnis gevraagd.

RECHTSOVERWEGINGEN

In conventie en reconventie

Vaststaande feiten

1.a [eiser], [gedaagde 2] en [gedaagde 1] zijn geboren uit het huwelijk van [vader] (hierna: Vader) en [moeder]s (hierna: Moeder). Vader en Moeder waren gehuwd in gemeenschap van winst en verlies. Moeder is overleden op [datum] 1977. Moeder heeft bij testament Vader uitgesloten als erfgenaam en als haar enige erfgenamen benoemd [eiser], [gedaagde 2] en [gedaagde 1], onder bezwaar van levenslang vruchtgebruik van de nalatenschap ten behoeve van Vader. Voorts heeft Moeder bij bedoeld testament aan de vruchtgebruiker (Vader) en haar erfgenamen ([eiser], [gedaagde 2] en [gedaagde 1]) de last opgelegd om binnen zes maanden na haar overlijden met [eiser] een pachtovereenkomst aan te gaan betreffende haar aandeel in de boerderij en de daarbij in gebruik zijnde schuren en verdere getimmerten, erven, tuinen en landerijen, onder de bedingen en bepalingen welke gebruikelijk zijn in pachtcontracten, voor de door de Grondkamer voor Groningen vast te stellen pachtprijs.

b. Vader heeft bij pachtcontract van 1 mei 1986 aan [eiser] verpacht de boerenbehuizing met schuren, erf, tuin en landerijen, staande en gelegen te Nieuw Beerta, de behuizing plaatselijk bekend Verlengde Hoofdweg nummer 61, kadastraal bekend gemeente Beerta sectie L, nummer 119, 138, 147, 164 en 137, samen groot 86.19.50 ha, alsmede de onverdeelde helft in een laan aldaar gelegen, kadastraal bekend gemeente Beerta sectie L nummer 127, groot 0.4.55 ha.

c. Vader heeft op 1 mei 1986 aan [eiser] verkocht de boerderij met woonhuis, schuren en erf aan de Verlengde Hoofdweg 61 te Nieuw Beerta, een gedeelte groot ongeveer 1.50.00 ha van het perceel kadastraal bekend gemeente Beerta sectie L nummer 138. Op 22 juni 1994 heeft Vader aan [eiser] verkocht een gedeelte erf groot ongeveer 0.50.00 ha van gemeld kadasternummer 138. Deze koopovereenkomsten zijn bevestigd bij onderhandse akte van 14 maart 1996. In deze onderhandse akte zijn voorts de overige bij de boerderij behorende landerijen verkocht aan [eiser]. Als koopsom voor het geheel, bestaande uit de boerderij met woonhuis, schuren en erf aan de Verlengde Hoofdweg 61 te Nieuw Beerta, met daarbij behorende landerijen onder de gemeente Reiderland, kadastraal bekend gemeente Beerta sectie L nummer 137, 138, 119, 147 en 164, samen groot 86.19.50 ha., is in bedoelde onderhandse akte een koopsom vermeld van ƒ 1.340.277,50. In deze koopovereenkomst is voor zover hier van belang voorts het volgende bepaald:

Artikel 1

De voor de overdracht vereiste akte van levering zal worden verleden (...) binnen drie maanden nadat de koper bij aangetekend schrijven de wens daartoe te kennen heeft gegeven, met dien verstande dat een dergelijke kennisgeving niet bij leven van de verkoper zal kunnen plaats vinden.

Artikel 10

1. ...

2. Wanneer een partij in verzuim is, is deze verplicht de schade die de wederpartij dientengevolge lijdt te vergoeden.

3. Wanneer het verzuim betrekking heeft op het meewerken aan de feitelijke en/of juridische levering, zal de nalatige partij voorts ten behoeve van de wederpartij een zonder rechterlijke tussenkomst opeisbare boete verbeuren. De hoogte van deze boete is gelijk aan veertig procent van de totale koopprijs. Voor zover de wederpartij meer schade lijdt heeft hij, naast de boete, recht op aanvullende schadevergoeding.

d. Ten tijde van zowel de verpachting als de verkoop van voornoemde onroerende zaken behoorden deze voor de helft in volle eigendom toe aan Vader. [eiser], [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hadden ieder 1/6 gedeelte in blote eigendom, waarvan Vader het vruchtgebruik had.

e. Vader is overleden op [datum] 2002. Hij heeft bij testament tot zijn erfgenamen benoemd, gezamenlijk en voor gelijke delen, zijn kinderen [eiser], [gedaagde 2] en [gedaagde 1]. [eiser] is bij testament benoemd tot executeur-testamentair. Vader heeft aldus stilzwijgend zijn tweede echtgenote, Trijntje Faber, onterfd waarmee hij op 15 oktober 2001 op huwelijkse voorwaarden was gehuwd.

f. [eiser] heeft [gedaagde 2] en [gedaagde 1] op 2 januari 2003 -onder verwijzing naar artikel 10 van de koopovereenkomst van 14 maart 1996- in gebreke gesteld wegens het uitblijven van de levering van de boerderij c.a.

g. [gedaagde 1] heeft op 10 april 2003 de nalatenschap van Vader zuiver aanvaard, voornoemde koopovereenkomst bekrachtigd en aan [eiser] volmacht gegeven om (mede) namens haar het verkochte te leveren. Zij heeft als aandeel in de koopsom/overbedelingssom ontvangen een bedrag van € 202.730,46.

h. [gedaagde 2] heeft de nalatenschap van Vader op 26 maart 2003 aanvaard onder voorrecht van boedelbeschrijving. Hij heeft terzake een verzoek ingediend bij deze rechtbank (Reg.nr. 68289 HARK 03-413) tot benoeming van een vereffenaar en een rechter-commissaris.

Beoordeling

2. De rechtbank neemt hier over en beschouwt als ingelast hetgeen zij bij tussenvonnis van 8 december 2004 heeft overwogen en beslist.

In conventie

3. Op uitdrukkelijk verzoek van partijen zal thans uitsluitend worden beslist op de vordering van [eiser] voorzover deze strekt tot het voor recht verklaren dat de beneficiaire aanvaarding door [gedaagde 2] voor nietig moet worden gehouden (petitum sub 2).

4. [eiser] heeft aan deze vordering -kort gezegd- het volgende ten grondslag gelegd.

[gedaagde 2] heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard uitsluitend om de uitvoering van de koopovereenkomst te frustreren. Daarmee heeft hij de figuur van de beneficiaire aanvaarding aangewend voor een ander doel dan waarvoor zij dient, te weten om te onderzoeken of de nalatenschap een positief saldo te zien geeft en/of om te voorkomen dat het eigen vermogen kan worden aangesproken ten dienste van nalatenschapscrediteuren. Van onzekerheid of van beschermingsbehoefte is in casu echter geen sprake. [gedaagde 2] heeft kortom misbruik gemaakt van zijn bevoegdheid.

5. [gedaagde 2] heeft -zakelijk weergegeven- het volgende verweer gevoerd.

Gelet op de inhoud van de pacht- en koopovereenkomsten heeft Vader het kennelijke oogmerk gehad [eiser] te bevoordelen boven [gedaagde 2] en [gedaagde 1]. Indien de koopovereenkomst van 14 maart 1996 onverkort zou worden uitgevoerd resulteert dit in onevenredige schade voor [gedaagde 2]. Met de beneficiaire aanvaarding wordt beoogd de vermogenspositie van [gedaagde 2] te beschermen. Door de nalatenschap beneficiair te aanvaarden is bewerkstelligd dat [gedaagde 2] niet gebonden is aan de door Vader gesloten pacht- en koopovereenkomsten. De belangen van [eiser] worden door de beneficiaire aanvaarding niet op onevenredige wijze geschaad; [gedaagde 2] is bereid mee te werken aan toedeling van de boerderij c.a. aan [eiser]. Hij wenst echter uit te gaan van andere waarderingsmaatstaven dan [eiser], namelijk van de vrije onderhandse verkoopwaarde per 2002. Gelet op een en ander is er geen sprake van misbruik van bevoegdheid.

6.1 De rechtbank oordeelt als volgt.

Vader heeft de boerderij c.a. verpacht en verkocht aan [eiser] zonder dat hij daartoe over de vereiste medewerking van [gedaagde 2] en [gedaagde 1] beschikte, die naast Vader -en evenals [eiser]- deelgerechtigd waren in de boerderij c.a. Naar vaste jurisprudentie (HR 28 november 1980, NJ 1981, 440 Erven Westenberg, bevestigd in HR 23 juni 1989, NJ 1989, 732 Erven Gaasbeek) zijn erfgenamen als uitgangspunt gebonden aan door een erflater gesloten overeenkomsten en derhalve gehouden deze na te komen. Dit geldt ook ten aanzien van een reeds langere tijd voor het openvallen van de nalatenschap gesloten koopovereenkomst als de onderhavige, die onroerende zaken betreft welke ten tijde van de totstandkoming van de koopovereenkomst -ten dele- niet aan de erflater toebehoorden.

[gedaagde 2] heeft de nalatenschap van Vader echter beneficiair aanvaard, hetgeen tot gevolg heeft dat [eiser] in beginsel geen nakoming van de koopovereenkomst kan vorderen omdat hij als koper zijn rechten alleen geldend kan maken jegens de beneficiair aanvaarde nalatenschap, waartoe slechts de helft van het verkochte behoort.

[gedaagde 2] heeft de nalatenschap naar eigen zeggen beneficiair aanvaard ter bescherming van zijn vermogenspositie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde 2] daarmee de figuur van beneficiaire aanvaarding niet voor een doel gebruikt waarvoor zij niet mede kan worden aangewend, terwijl evenmin kan worden gezegd dat [gedaagde 2] daarvan gebruik maakt met de enkele bedoeling om een ander te schaden. Voorts kan niet worden geconcludeerd dat er een in zich onaanvaardbare onevenredigheid bestaat tussen het belang van [gedaagde 2] en het belang van [eiser] bij nakoming van de koopovereenkomst, mede gelet op het feit dat bij [gedaagde 2] de beginselbereidheid bestaat mee te werken aan toedeling van de boerderij c.a. aan [eiser], zij het op basis van een andere waarderingsgrondslag. Naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien dat de beneficiaire aanvaarding door [gedaagde 2] in de gegeven omstandigheden misbruik van bevoegdheid oplevert. De enkele waarschijnlijkheid of zelfs zekerheid dat de vereffening een batig saldo zal genereren maakt dit niet anders.

6.2 Naar aanleiding van het door [eiser] ter gelegenheid van het pleidooi gedane beroep op artikel 3:45 BW merkt de rechtbank op dat een erfgenaam keuzevrijheid geniet ten aanzien van het aanvaarden of verwerpen van een nalatenschap. Ingevolge het vierde lid van artikel 4:190 BW kan hij hierin niet worden beperkt op grond van benadeling van een of meer schuldeisers. De aantastbaarheid van de aanvaarding of verwerping zou de door het uitbrengen van de keuze ingetreden rechtstoestand te zeer op losse schroeven zetten. Een (beneficiaire) aanvaarding kan derhalve niet op grond van artikel 3:45 BW worden vernietigd.

6.3 Het gevorderde sub 2 zal [eiser], gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, worden ontzegd.

In conventie en reconventie

6.4 Partijen zullen overeenkomstig hun verzoek en mede gelet op het belang van dit tussenvonnis voor het verdere verloop van de procedure in de gelegenheid worden gesteld tegen dit vonnis in hoger beroep te komen.

6.5 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

BESLISSING

De rechtbank:

In conventie

1. ontzegt [eiser] de gevorderde verklaring voor recht dat de beneficiaire aanvaarding door [gedaagde 2] voor nietig moet worden gehouden;

In conventie en reconventie

2. houdt iedere verdere beslissing aan;

3. bepaalt dat van dit vonnis hoger beroep kan worden ingesteld.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Hidma en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 juli 2005, door mr. P. Molema, in tegenwoordigheid van de griffier.