Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2005:AV2288

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
21-12-2005
Datum publicatie
22-02-2006
Zaaknummer
73726 HAZA 04-4659
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

art. 7:18 lid 2 BW; paard dat eiseres had gekocht voor haar gehandicapte dochter en binnen zes maanden na aflevering rijtechnische problemen vertoont, wordt op grond van artikel 7:18 lid 2 BW vermoed reeds bij aflevering niet aan de overeenkomst te hebben beantwoord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

SECTOR CIVIEL RECHT

ENKELVOUDIGE KAMER

Reg.nr: 73726 HAZA 04-659

Datum uitspraak: 6 juli 2005

V O N N I S

in de zaak van

[eiseres], wonende te [woonplaats],

e i s e r e s bij exploot van dagvaarding d.d. 30 juli 2004,

procureur mr. P.E. Mazel,

en

[gedaagde], wonende en gevestigd te [woonplaats],

g e d a a g d e bij opgemeld exploot van dagvaarding,

procureur mr. H.J. de Groot.

PROCESVERLOOP

[eiseres] heeft op de bij dagvaarding geformuleerde gronden en onder overlegging van producties gevorderd [gedaagde] bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 7.779,56, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening en [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder de kosten van het beslag, vermeerderd met de wettelijke rente hierover indien [gedaagde] deze kosten niet binnen twee weken na betekening van het in deze te wijzen vonnis heeft voldaan.

[gedaagde] heeft bij conclusie van antwoord geconcludeerd tot afwijzing van de door [eiseres] ingestelde vordering, althans tot niet-ontvankelijk verklaring, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van het geding.

Bij conclusie van repliek, tevens akte wijziging van eis heeft [eiseres] haar vordering vermeerderd in die zin dat zij tevens vordert om, voor zover noodzakelijk, de tussen partijen ultimo augustus 2003 gesloten koopovereenkomst terzake van het paard Nobless te ontbinden, dan wel op grond van artikel 6:228 BW wegens dwaling te vernietigen.

Door [gedaagde] is daarop gereageerd bij conclusie van dupliek, tevens antwoordakte.

RECHTSOVERWEGINGEN

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de niet weersproken inhoud van de overgelegde producties, staat het volgende tussen partijen vast.

Eind augustus 2003 heeft [eiseres] een paard, genaamd Nobless, Nobleness of Noblesh - hierna te noemen Nobless - gekocht van [gedaagde] voor een bedrag van € 12.600,--, vermeerderd met € 3.250,-- terzake van transportkosten. Het paard was bestemd voor de gehandicapte dochter van [eiseres] en is gekocht vanwege de voor haar noodzakelijke eigenschappen van het paard, te weten rustig, betrouwbaar en gehoorzaam.

Alvorens de koop te sluiten heeft [eiseres] het paard ten minste driemaal getest. Tijdens het testen vertoonde het paard geen gebreken. Tevens heeft het paard een veterinaire keuring ondergaan, waarbij het gezond is verklaard.

Vervolgens is het paard naar Finland gebracht. [eiseres] heeft na enkele dagen telefonisch contact opgenomen met [gedaagde] en geklaagd over het onplezierig en nukkig gedrag van het paard, hetgeen zich tijdens het berijden uitte in steigeren en bokken van het paard. Op instigatie van [gedaagde] is in oktober 2003 een paardentrainer, te weten [naam paardentr[naam paardentrainer], naar [eiseres] in Finland gegaan om de problemen te beoordelen.

Eind 2003 is Nobless door [gedaagde] teruggehaald naar Nederland en bij hem op stal gekomen.

Bij schrijven van 19 februari 2004 heeft [eiseres] [gedaagde] verzocht de koopsom terzake van Nobless terug te betalen.

In maart 2004 heeft [gedaagde] een bedrag van € 5.000,-- aan [eiseres] overgemaakt.

Op 20 april 2004 heeft [eiseres] [gedaagde] om betaling van het resterende bedrag verzocht. Bij schrijven van 19 mei 2004 is [gedaagde] hiertoe opnieuw gesommeerd.

2. Stellende dat de koopovereenkomst met betrekking tot Nobless ontbonden is, vordert [eiseres] terugbetaling van de koopsom, verminderd met de kosten van keuring en transport die [eiseres] voor haar rekening wil nemen. Rekening houdend met de betaling van € 5.000,--, is [gedaagde] volgens [eiseres] in hoofdsom een bedrag van € 6.950,-- verschuldigd, tot betaling waarvan [eiseres] [gedaagde] meermaals tevergeefs heeft gemaand.

[eiseres] stelt voorts het volgende. In Finland is Nobless bereden en getraind door een professionele paardentrainster, Hanna Volanen genaamd. [naam paardenfysiotherapeut], een paardenfysiotherapeute, heeft Nobless eveneens bereden. Zij hebben geconstateerd dat het paard in het geheel niet geschikt is voor een gehandicapte ruiter, dat het bokt en steigert en overigens niet betrouwbaar is. Ook de door [gedaagde] gestuurde trainer, de heer [naam paardentrainer], heeft verklaard dat Nobless niet geschikt is voor een gehandicapte ruiter.

Het is niet zoals [gedaagde] stelt, dat zij hem verzocht heeft Nobless terug te halen uit Finland en hem in Nederland verder te trainen voor een bedrag ad. € 200,-- per maand. [eiseres] heeft in november 2003 gezegd de koop te willen ontbinden en het paard te willen teruggeven. [gedaagde] is hiermee akkoord gegaan. Nadat ze [gedaagde] bij schrijven van 19 februari 2004 verzocht had de koopsom terzake van Nobless terug te betalen, is [gedaagde] in maart 2004 overgegaan tot betaling van een gedeelte daarvan, te weten € 5.000,--.

Voor het geval de onderhavige koopovereenkomst niet rechtsgeldig ontbonden is, vordert [eiseres] alsnog de gerechtelijke ontbinding. Subsidiair stelt [eiseres] te hebben gedwaald ten aanzien van de geschiktheid van het paard en wenst ze de overeenkomst te vernietigen op grond van artikel 6:228 BW.

[gedaagde] verkeert vanaf 2 juni 2004 in verzuim en is vanaf die datum, althans vanaf de dag der dagvaarding wettelijke rente verschuldigd. Daarenboven vordert [eiseres] vergoeding van de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 662 te vermeerderen met € 125,78 aan BTW.

3. [gedaagde] voert tot zijn verweer het volgende aan. De koopovereenkomst is nimmer ontbonden. Een ontbinding is ook niet mogelijk, aangezien er geen sprake is van non-conformiteit. Ten tijde van de levering was het paard kerngezond en uitermate geschikt voor een niet-valide ruiter. Het paard is eerst na de levering problemen gaan vertonen door toedoen van een verkeerde verzorging, berijding of training in Finland. Het staat niet vast dat het paard volledig ongeschikt is. In Finland heeft [naam paardentrainer] geconstateerd dat het paard niet goed is getraind en dat de rijtechnische problemen te verhelpen zouden zijn door een goede training, hetgeen later ook is gebeurd.

[eiseres] heeft [gedaagde] eind 2003 verzocht het paard in Finland op te halen en het in Nederland te trainen. Daarbij is overeengekomen dat [eiseres] hem maandelijks een bedrag van [€] 200,-- zou voldoen terzake van stallings- en trainingskosten.

Nadat het paard eind 2003 bij hem op stal was gekomen, bleek het moeilijk te berijden, reden waarom hij het door een dierenarts heeft laten onderzoeken. Deze dierenarts heeft in januari 2004 geconstateerd dat het paard een ernstige blessure had opgelopen in de hals en in de rug. Deze blessure is het gevolg van verkeerd gebruik aan de zijde van [eiseres]. [gedaagde] heeft [eiseres] hiervan op de hoogte gesteld. [eiseres] heeft hem vervolgens verzocht het paard te verkopen.

Nu de verwachting was dat het paard minder zou opbrengen dan de aankoopsom die [eiseres] had betaald, gezien de bij [eiseres] ontstane (rijtechnische) problemen, hebben partijen gesproken over een geschatte verkoopopbrengst van circa € 5.000,--. In maart 2004 heeft [gedaagde] gehoor gegeven aan het klemmende verzoek van [eiseres] om wegens financiële problemen een voorschot op de verkoopopbrengst ten bedrage van € 5.000,-- te mogen ontvangen.

Na behandeling door een trainer bleek Nobless eind juni of begin juli 2004 weer geschikt voor de verkoop. Begin september 2004 heeft [gedaagde] het paard verkocht aan een familie te [woonplaats] voor een bedrag van € 6.250,--.

Hij is [eiseres] niets verschuldigd. Hij heeft Nobless vanaf december 2003 tot en met augustus 2004 verzorgd en getraind, waarvoor de overeengekomen prijs €1.800,-- bedraagt. Dit bedrag dient vermeerderd te worden met transport- en dierenartskosten en kosten van de hoefsmid, zodat de vordering van [gedaagde] € 2.350,-- beloopt. Nu [gedaagde] reeds een bedrag van € 5.000,-- aan [eiseres] heeft voldaan en de verkoopopbrengst van het paard € 6.250,-- bedraagt, resteert nog een bedrag ad € 1.100,-- dat [eiseres] aan hem verschuldigd is.

[gedaagde] acht zich niet gehouden de gevorderde rente aan [eiseres] te voldoen. De buitengerechtelijke kosten worden eveneens door hem betwist.

4. Ondanks de conclusies van partijen heeft de rechtbank geen voldoende helder beeld gekregen van de zaak. Voor een juiste beoordeling van het geschil acht de rechtbank het wenselijk om, alvorens verder in te gaan op de stellingen van partijen, nader door hen te worden geïnformeerd.

De rechtbank zal daarom een comparitie van partijen gelasten teneinde nadere inlichtingen in te winnen en de zaak zodanig te instrueren dat een spoedige afwikkeling zo veel mogelijk gewaarborgd is, waarbij tevens de mogelijkheid van een minnelijke schikking zal worden beproefd.

De rechtbank zal datum en tijdstip bepalen voor de comparitie; uitstel wordt niet toegestaan.

Partijen dienen alle in hun bezit zijnde bescheiden die op deze zaak betrekking (kunnen) hebben, mede te nemen.

Voor zover partijen producties ter comparitie in het geding willen brengen, dienen deze uiterlijk twee weken voor de zittingsdatum aan de rechtbank en aan de tegenpartij te worden toegezonden.

De rechtbank houdt voor het overige iedere beslissing aan.

etc..

Datum uitspraak: 21 december 2005

VONNIS

PROCESVERLOOP

Ter uitvoering van het tussenvonnis van deze rechtbank van 6 juli 2005 heeft op 19 september daaraanvolgend een comparitie van partijen plaatsgevonden, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt.

Vervolgens heeft [gedaagde] een akte houdende overlegging producties genomen.

Daarop heeft [eiseres] een antwoord-akte genomen onder overlegging van producties.

Ten slotte hebben partijen vonnis gevraagd.

RECHTSOVERWEGINGEN

1. De rechtbank verwijst naar gemeld tussenvonnis en neemt over hetgeen daar is overwogen en beslist.

2. Kern van het onderhavige geschil is de vraag of het geleverde paard Nobless aan de tussen partijen gesloten koopovereenkomst beantwoordt en mitsdien die eigenschappen bezit die [eiseres] in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht verwachten.

Op grond van de overeenkomst mocht [eiseres] verwachten dat het paard die eigenschappen bezit die nodig zijn voor het gebruik door een niet-valide ruiter.

Het staat vast dat het paard Nobless eind 2003 moeilijk te berijden bleek. Tevens is vast komen te staan dat [naam paardentrainer] in oktober 2003 in Finland rijtechnische problemen heeft geconstateerd. Overgebleven geschilpunt is evenwel wat hiervan de oorzaak is geweest en voor wiens risico die oorzaak komt.

Daar de voormelde afwijking van het overeengekomene zich binnen een termijn van zes maanden na aflevering heeft geopenbaard, wordt op grond van artikel 7:18 lid 2 BW vermoed dat Nobless reeds bij aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord.

[gedaagde] heeft ten verwere gesteld dat het paard Nobless ten tijde van levering wel aan de overeenkomst heeft beantwoord en daarna door toedoen van [eiseres] een blessure heeft opgelopen met nukkig gedrag als gevolg. Door [eiseres] wordt dit evenwel gemotiveerd betwist.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn in de stellingen en overgelegde producties van [gedaagde] onvoldoende concrete feiten en omstandigheden begrepen die -indien bewezen- voldoende aannemelijk kunnen maken dat Nobless ten tijde van de aflevering aan de overeenkomst heeft beantwoord. In het kader van deze beoordeling neemt de rechtbank mede in overweging dat het mogelijk is dat de gestelde blessure, zo de aanwezigheid daarvan al bewezen kan worden, niet het gevolg is van een onzorgvuldige verzorging of belasting van het dier, maar van een overgevoeligheid daarvoor, waardoor het reeds bij een normale verzorging en belasting daarvan last krijgt. Het paard is dan reeds ten tijde van de aflevering ongeschikt voor het voorziene gebruik, zodat het niet aan de overeenkomst beantwoordt. Evenmin is uitgesloten dat Nobless de gestelde blessure of spierpijnen eerst eind 2003 heeft opgelopen op een moment dat hij in Nederland onder de zorg van [gedaagde] was. Het aanbod van (getuigen)bewijs van de zijde van [gedaagde] kan dan ook worden gepasseerd.

Op grond van het vorenstaande moet het er voor worden gehouden dat [gedaagde] is tekort geschoten in de nakoming van zijn verbintenis door de levering van een non-conform paard. Deze tekortkoming rechtvaardigt een ontbinding van de tussen partijen gesloten koopovereenkomst. De ontbinding heeft plaats gevonden door de schriftelijke verklaring van [eiseres] van 19 februari 2004 dan wel van die welke in dit geding als productie 2 is overgelegd.

Dat [eiseres] de overeenkomst aanvankelijk niet heeft willen ontbinden, maar [gedaagde] een opdracht tot verzorging en training van Nobless heeft gegeven als ook een last tot verkoop voor haar rekening, zoals [gedaagde] stelt, acht de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt. Ook het feit dat [gedaagde] in maart 2004 -derhalve op een moment dat [gedaagde] het paard nog niet voor verkoop geschikt achtte- een bedrag van € 5.000,-- aan [eiseres] heeft overgemaakt wijst in een andere richting. De stelling van [gedaagde], die zelfs zo ver strekt dat hij het paard Nobless vanaf december 2003 tot en met augustus 2004 in opdracht van en voor rekening van [eiseres] verzorgd en getraind heeft, is niet te verenigen met de inhoud van de brieven van [eiseres] d.d. 19 februari, 20 april en 19 mei 2004, terwijl niet gebleken is van enige schriftelijke reactie daarop van de zijde van [gedaagde]. Evenmin gesteld of aannemelijk geworden is dat er enige vorm van overleg heeft plaatsgevonden terzake van de doorverkoop van Nobless begin september 2004. Indien de stellingname van [gedaagde] juist zou zijn, zou een dergelijk overleg voor de hand hebben gelegen, aangezien de eigendom van het paard in deze lezing niet bij [gedaagde], maar bij [eiseres] rustte.

Ten gevolge van de voormelde ontbinding is voor partijen een verbintenis ontstaan tot ongedaanmaking van de door hen ontvangen prestaties. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen moet worden aangenomen dat [eiseres] hieraan heeft voldaan en dat het paard Nobless eind 2003 weer in eigendom van [gedaagde] is gekomen.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat [gedaagde] gehouden is tot terugbetaling van de door [eiseres] betaalde koopsom. Dit betekent dat de vordering van [eiseres] voor toewijzing in aanmerking komt, met dien verstande dat de vordering met betrekking tot de buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen, omdat [eiseres] haar stelling dat daarvan sprake is onvoldoende heeft onderbouwd. [eiseres] heeft vergoeding van buitengerechtelijke kosten gevorderd tot een bedrag van € 787,78. Zij stelt dat de buitengerechtelijke werkzaamheden waaraan deze kosten zijn verbonden onder meer hebben bestaan uit het bestuderen van ontvangen stukken, het aanleggen van een dossier, het zenden van sommaties, het voeren van besprekingen en correspondentie en het inwinnen van inlichtingen.

Bij gebreke van een nadere onderbouwing of specificatie moeten deze kosten evenwel naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten. De gevorderde wettelijke rente zal als op de wet gegrond worden toegewezen.

3. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] in de kosten van deze procedure worden veroordeeld.

BESLISSING

De rechtbank:

RECHT DOENDE,

1. veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 6.991,78 (zegge: zesduizendnegenhonderdéénennegentig euro en achtenzeventig eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

2. veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 371,78 aan verschotten en op € 1.344,-- aan salaris van de procureur;

3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.L.M. Keirse en in het openbaar uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 21 december 2005 door mr. P. Molema in tegenwoordigheid van de griffier.