Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2005:AU8411

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
22-12-2005
Datum publicatie
22-12-2005
Zaaknummer
18/630382-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

"Zelfmelder". 11 jaar nadat verdachte het slachtoffer van het leven heeft beroofd meldt verdachte zich bij de politie. Uitvoerige verhoren volgen ten einde daderwetenschap vast te stellen en het motief van verdachte te achterhalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

parketnummer: []

datum uitspraak: 22 december 2005

op tegenspraak

raadsman: mr. C. Eenhoorn

VONNIS

van de rechtbank te Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren [plaats] op [datum],

wonende te [plaats]

thans preventief gedetineerd in [plaats]

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 december 2005.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd: dat

hij in of omstreeks de periode van 13 september 1994 tot en met 16 september

1994, in elk geval in de maand september 1994, in de gemeente Groningen,

opzettelijk en met voorbedachten rade een vrouw, genaamd [slachtoffer], van het leven heeft beroofd,

immers heeft hij, verdachte, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg

die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (telkens) met een

mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in haar keel en/of haar hals

en/of haar rug en/of (elders) in haar lichaam gestoken en/of geprikt en/of

gesneden, althans getroffen, (waardoor die [slachtoffer] (onder

meer) beschadiging van een grote halsader en/of beschadiging van een grotere

longslagadertak heeft opgelopen),

tengevolge van welk één en/of ander voornoemde [slachtoffer] is

overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 13 september 1994 tot en met 16 september

1994, in elk geval in de maand september 1994, in de gemeente Groningen,

opzettelijk een vrouw, genaamd [slachtoffer], van het leven heeft

beroofd,

immers heeft hij, verdachte, met dat opzet die [slachtoffer]

meermalen, althans eenmaal, (telkens) met een mes, althans een scherp en/of

puntig voorwerp, in haar keel en/of haar hals en/of haar rug en/of (elders) in

haar lichaam gestoken en/of geprikt en/of gesneden, althans getroffen,

(waardoor die [slachtoffer] (onder) meer beschadiging van een

grote halsader en/of beschadiging van een grotere longslagadertak heeft

opgelopen),

tengevolge van welk één en/of ander voornoemde [slachtoffer] is

overleden;

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 13 september 1994 tot en met 16 september

1994 in de gemeente Groningen, opzettelijk een vrouw, genaamd [slachtoffer],

van het leven heeft beroofd,

immers heeft hij, verdachte, met dat opzet die [slachtoffer]

meermalen, (telkens) met een mes in haar keel en haar hals en haar rug en (elders) in

haar lichaam gestoken, althans getroffen,

(waardoor die [slachtoffer] (onder) meer beschadiging van een

grote halsader en beschadiging van een grotere longslagadertak heeft

opgelopen),

tengevolge van welk één en ander voornoemde [slachtoffer] is

overleden;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen subsidiair meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging

De rechtbank acht het subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen op grond van:

- de identificatie van het lichaam van het slachtoffer door familie;

- het rapport van het Laboratorium voor Gerechtelijke Pathologie d.d. 26 oktober 1994, waaruit volgt dat het slachtoffer tengevolge van messteken in ondermeer de hals is overleden;

- het proces-verbaal van verbalisant [naam] d.d. 16 september 1994, waarin ondermeer is beschreven op welke wijze het lichaam van het slachtoffer is aangetroffen;

- de diverse inhoudelijk consistente verklaringen van verdachte, meer in het bijzonder (doch niet uitsluitend) de verklaring van verdachte d.d. 26 augustus 2005, 27 augustus 2005, 28 augustus 2005 en 12 september 2005, waarin verdachte heeft bekend het slachtoffer door middel van messteken van het leven te hebben beroofd;

- het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) d.d. 6 december 2005, waaruit volgt dat de DNA-profielen van een deel van het op de plaats van het misdrijf aangetroffen sporenmateriaal van verdachte afkomstig kunnen zijn in combinatie met de toelichting ter terechtzitting door de officier van justitie gegeven omtrent de herkomst van het door het NFI onderzochte koord;

- het proces-verbaal van verbalisant [naam] d.d. 26 september 2005 ondermeer bevattend een overzicht van de perspublicaties die naar aanleiding van de dood van het slachtoffer zijn verschenen, een overzicht van daderwetenschappen van verdachte en fotomateriaal van de plaats van het misdrijf;

- de verklaring van getuige [naam] d.d. 3 september 2005 omtrent ondermeer de plaats van het misdrijf;

- de verklaring van getuige [naam] d.d. 28 augustus 2005 omtrent ondermeer het wapenbezit van verdachte.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de door de verdachte gegeven omschrijvingen en tekeningen van de plaats van het misdrijf (ondermeer in/bij zijn verklaring van 28 augustus 2005) in overeenstemming zijn met hetgeen is weergegeven op de foto's (gevoegd bij voormeld proces-verbaal van verbalisant [naam]) van de plaats van het misdrijf.

De rechtbank heeft voorts in aanmerking genomen, dat de verklaring van verdachte omtrent het steekwapen en de daarmee gemaakte verwondingen aan het lichaam van het slachtoffer (in grote lijnen) in overeenstemming is met de weergave van de verwondingen in voormeld rapport van het Laboratorium voor Gerechtelijke Pathologie, terwijl uit de verklaring van getuige [naam] volgt dat verdachte (regelmatig) een steekwapen voorhanden had. Daarnaast strookt de verklaring van verdachte van (ondermeer) 28 augustus 2005, dat hij de koelkast in de woning van het slachtoffer heeft geopend met de verklaring van getuige [naam] d.d. 3 september 2005, te weten dat haar destijds was opgevallen dat de koelkast nog open stond. Gelet op deze specifieke kennis moet worden aangenomen dat verdachte daadwerkelijk op de plaats van het misdrijf aanwezig is geweest ten tijde van het plegen van de tenlastegelegde doodslag. De rechtbank merkt hierbij nog op dat gelet op de uitkomst aan eerder vermeld NFI rapport slechts een geringe bewijswaarde kan worden toegekend, dat het verdachte niet uitsluit. De inhoud van de over verdachte verschenen psychiatrische en psychologische rapporten d.d. 26 november 2005 respectievelijk 29 november 2005 geven de rechtbank geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van verdachte te twijfelen. De rechtbank komt derhalve tot een bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde.

KWALIFICATIE

Hetgeen de rechtbank als bewezen heeft aangenomen levert het volgende strafbare feit op:

Doodslag.

STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Ten aanzien van de strafbaarheid van de verdachte heeft de rechtbank gelet op de psychiatrische en psychologische onderzoeksrapportages d.d. 26 november 2005 respectievelijk d.d. 29 november 2005, opgemaakt door B.T. Takkenkamp respectievelijk A. Warnaar. De conclusies van die rapporten luiden, zakelijk weergegeven, dat er ten tijde van het delict geen sprake is geweest van een ziekelijke stoornis der geestvermogens danwel een gebrekkige ontwikkeling der geestvermogens en dat het ten laste gelegde en bewezen verklaarde aan verdachte volledig kan worden toegerekend. De rechtbank kan zich met deze conclusies verenigen en neemt deze over.

De rechtbank acht verdachte strafbaar, nu ten opzichte van verdachte ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

MOTIVERING STRAF

Bij de bepaling van de straf, die aan de verdachte zal worden opgelegd, heeft de rechtbank rekening gehouden met:

a) - de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de vordering van de officier van justitie, strekkende tot veroordeling van verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenis van 8 jaren;

b) de persoon van de verdachte, zoals naar voren gekomen uit:

- het onderzoek op de terechtzitting d.d. 8 december 2005;

- de inhoud van een uittreksel uit het algemeen documentatieregister omtrent verdachte d.d.

29 augustus 2005. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder ter zake van een geweldsmisdrijf is

veroordeeld;

- het over de verdachte door de Forensisch Psychiatrische Dienst Groningen uitgebrachte

voorlichtingsrapport d.d. 6 september 2005;

- het over de verdachte door het Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering uitgebrachte

voorlichtingsrapport d.d. 3 november 2005;

- voormeld psychiatrisch onderzoeksrapport d.d. 26 november 2005;

- voormeld psychologisch onderzoeksrapport d.d. 29 november 2005.

Vrijheidsstraf

Op grond van het bovenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur moet worden opgelegd. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het navolgende in aanmerking.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag, welk strafbaar feit als één van de meest ernstige delicten van het Wetboek van Strafrecht moet worden beschouwd. Verdachte is naar eigen zeggen een volstrekt willekeurige woning binnen gegaan waarvan op dat moment de voordeur open stond. Het slachtoffer was voor hem een totaal onbekende persoon. Toen hij in de slaapkamer van de woning het slachtoffer aantrof ontstond er een worsteling. Verdachte heeft met zijn mes op het slachtoffer ingestoken om haar het zwijgen op te leggen. Verdachte heeft het slachtoffer in haar eigen huis van het meest fundamentele recht ontnomen waarover een mens beschikt: het recht op leven. Bovendien heeft verdachte door zijn handelen de nabestaanden van het slachtoffer onherstelbaar leed toegebracht.

Anders dan de raadsman van verdachte ter terechtzitting heeft betoogd is de rechtbank van oordeel dat ook na het tijdsverloop van 11 jaar de samenleving nog steeds door een dergelijk ernstig feit is geschokt. Tevens heeft verdachte de nabestaanden van het slachtoffer 11 jaar in onzekerheid gelaten. Het enkele tijdsverloop acht de rechtbank in het kader van de straftoemeting dan ook niet van doorslaggevend belang. De rechtbank houdt daarentegen wel rekening met het feit, dat verdachte gedurende die periode in gewetensnood heeft verkeerd, wat uiteindelijk heeft geleid tot het aangeven van zichzelf bij justitie. Daarnaast betrekt de rechtbank bij de beoordeling dat verdachte spijt heeft betuigd van zijn gruwelijke daad en dat hij niet eerder voor geweldsdelicten met justitie in aanraking is geweest.

De rechtbank acht alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur zoals door de officier van justitie is geëist passend en geboden.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 27 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart het primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hierboven is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.

Verklaart het subsidiair meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart de verdachte voor het bewezenverklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen en strafbaar verklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd, die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. R.P. van Eerde, voorzitter, A. van den Berg-Schoof en N.R. Boonstra, in tegenwoordigheid van mr. F.E.J. Goffin als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 december 2005.

Mr. A. van den Berg-Schoof was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.