Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2005:AU1025

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
27-07-2005
Datum publicatie
16-08-2005
Zaaknummer
AWB 04/842 WAO HOB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de bezwaren van eiseres tegen het besluit van 28 april 2003, waarbij verweerder de loondoorbetalingsverplichting van eiseres voor haar werknemer heeft verlengd met vier maanden, omdat eiseres onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht, ongegrond verklaard

(Systeem van de) loonsanctie en uitwerking daarvan van UWV bergen elementen die afbreuk doen aan reparatoire karakter van de loonsanctie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

SECTOR BESTUURSRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

Reg.nr.: AWB 04/842 WAO HOB

U I T S P R A A K

in het geschil tussen

[eiseres] B.V., gevestigd te [plaats], eiseres,

gemachtigde mr. M.S.P. Orbán,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

1. ONDERWERP VAN GESCHIL

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 15 juli 2004.

In dit (bestreden) besluit heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen het besluit van 28 april 2003, waarbij verweerder de loondoorbetalingsverplichting van eiseres voor haar werknemer [werknemer] heeft verlengd met vier maanden, omdat eiseres onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht, ongegrond verklaard en zijn besluit van 28 april 2003 gehandhaafd.

2. ZITTING

Het geschil is behandeld op de zitting van 5 juli 2005.

Eiseres is aldaar met bericht van verhindering niet verschenen.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door W.R. Bos, beambte bezwaar & beroep bij de Groningse vestiging van het UWV.

3. BEOORDELING VAN HET GESCHIL

3.1. Het wettelijk kader

Ingevolge artikel 34a, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (verder: WAO) gaat de aanvraag voor de toekenning van de uitkering vergezeld van een reïntegratieverslag als bedoeld in artikel 71a. (...) Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen beoordeelt of de werkgever en de werknemer (...) in redelijkheid hebben kunnen komen tot de reïntegratie-inspanningen, die zijn verricht.

Ingevolge artikel 71a, negende lid, van de WAO stelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 34, derde lid, en de beoordeling als bedoeld in artikel 34a blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen op grond van het eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid dan wel de krachtens het zevende lid gestelde regels niet of niet volledig nakomt of onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht, een tijdvak vast, gedurende welke de werknemer jegens die werkgever recht op loon heeft op grond van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel aanspraak op bezoldiging op grond van artikel XV, tweede lid, van de Wet terugdringing ziekteverzuim.

Dit tijdvak is ten hoogste 52 weken en wordt afgestemd op de aard en ernst van het verzuim, alsmede op de periode die nodig wordt geacht om alsnog voldoende reïntegratie-inspanningen te leveren.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft, gelet op artikel 71a, tweede en zevende lid, van de WAO de Regeling procesgang eerste ziektejaar vastgesteld (besluit van 25 maart 2002, Stcrt. 2002, 60).

Het UWV heeft gelet op voornoemde regeling, alsmede (onder meer) de artikelen 34a, eerste lid en 71a van de WAO vastgesteld de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (besluit van 3 december 2002, Stcrt. 2002, 236) en de Beleidsregels verlenging loondoorbetaling poortwachter (besluit van 12 maart 2003, Stcrt. 2003, 54, verder: de beleidsregels).

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de beleidsregels beoordeelt het UWV, indien de werknemer geen arbeid verricht, (...), aan de hand van de Regeling procesgang eerste ziektejaar en de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter of de werkgever vanaf het ontstaan van de ongeschiktheid tot werken van de werknemer steeds zo tijdig mogelijk die maatregelen heeft getroffen en voorschriften heeft gegeven die redelijkerwijs nodig waren om de werknemer in staat te stellen de bedongen of andere passende arbeid te gaan verrichten.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de beleidsregels is de werkgever in verzuim voor zover hij heeft nagelaten zo tijdig mogelijk de in het tweede lid bedoelde maatregelen te treffen en voorschriften te geven, en hij daarvoor geen deugdelijke grond kan aanvoeren.

Ingevolge artikel 4, eerste lid van de beleidsregels wordt het verzuim van de werkgever, in volgorde van toenemende ernst, aangemerkt als beperkte, ernstige, grove of uiterste nalatigheid.

Ingevolge artikel 4, derde lid van de beleidsregels wordt het verzuim onder meer aangemerkt als ernstige nalatigheid indien de werkgever:

(...)

b. onvoldoende voorschriften heeft gegeven of maatregelen heeft getroffen om de werknemer in staat te stellen de bedongen arbeid te hervatten;

(...)

d. onvoldoende voorschriften heeft gegeven of maatregelen heeft getroffen om de werknemer voor wie binnen zijn bedrijf geen passende arbeid voorhanden was, in staat te stellen passende arbeid te gaan verrichten in het bedrijf van een andere werkgever;

(...)

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de beleidsregels, stelt het UWV, indien bij de behandeling van een aanvraag, bedoeld in artikel 34, derde lid, van de wet, blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond de op hem rustende reïntegratieverplichtingen niet of niet volledig is nagekomen of onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht, een loondoorbetalingsperiode vast.

Ingevolge het tweede lid wordt de loondoorbetalingsperiode vastgesteld op het tijdvak dat naar verwachting benodigd zal zijn om de werkgever in staat te stellen alsnog zijn reïntegratieverplichtingen volledig na te komen en voldoende reïntegratie-inspanningen te verrichten, doch ten minste op vier maanden.

Ingevolge het vierde lid wordt, indien het verzuim van de werkgever wordt aangemerkt als ernstige, grove of uiterste nalatigheid, de loondoorbetalingsperiode vastgesteld op ten hoogste zes, respectievelijk negen of twaalf maanden.

3.2. De feiten en de standpunten van partijen

[werknemer], wonende te […] (verder: werknemer), was werkzaam als logistiek medewerker gedurende 32 uren in de week in dienst van eiseres toen hij op 31 mei 2002 uitviel met RSI-klachten.

In verband hiermee heeft werknemer een aanvraagformulier WAO-uitkering aan verweerder gezonden. Bij dit formulier heeft hij een reïntegratieverslag (als bedoeld in artikel 71a, derde lid, WAO), gedateerd 24 februari 2003, meegezonden.

Uit dit reïntegratieverslag blijkt dat de door de werkgever ingeschakelde Arbo-dienst in zijn eerste probleemanalyse heeft aangegeven dat werknemer op termijn benutbare mogelijkheden heeft om weer te gaan werken. Tevens blijkt uit het verslag dat een plan van aanpak is opgesteld welke is gericht op werkhervatting in de eigen functie. Verder wordt in het verslag aangegeven dat werknemer inmiddels weer 12 uren per week in de eigen functie werkzaam is. In de actuele probleemanalyse, behorende bij het reïntegratieverslag, heeft de Arbo-dienst aangegeven dat de reïntegratie traag verloopt en dat werknemer, indien rekening wordt gehouden met zijn beperkingen, deels moet kunnen hervatten in zijn eigen werk.

Werknemer heeft zelf aangegeven dat de reïntegratie traag is verlopen vanwege de matige verhouding met eiseres en vanwege het moeizame contact met de Arbo-dienst (steeds wisselende contactpersonen).

Op verzoek van verweerder heeft eiseres nog enige nader stukken ingezonden. Uit die stukken blijkt van een nadere invulling van het plan van aanpak. Eiseres heeft met werknemer een inventarisatie gemaakt van de in het eigen werk van werknemer optredende belemmeringen en heeft vervolgens aanpassingen verricht in de werkomgeving van werknemer. Ook is werknemer gedurende drie weken ingewerkt in ander werk aan de informatiebalie/telefooncentrale, hetgeen niet heeft geleid tot een hervatting in die werkzaamheden, aangezien eiseres werknemer niet geschikt achtte voor deze functie.

In zijn rapport van 25 april 2003 heeft een aan verweerders uitvoeringsinstelling verbonden arbeidsdeskundige gesteld dat eiseres onvoldoende reïntegratiebevorderende activiteiten heeft ondernomen en daarvoor geen deugdelijke motivering heeft gegeven.

De arbeidsdeskundige heeft gesteld dat:

- werknemer 32 uren per week moet kunnen werken, indien rekening wordt gehouden met zijn beperkingen;

- de reïntegratie ten onrechte is gestopt bij drie uren werken op vier dagen, terwijl werknemer ook geacht moet worden gedurende drie uren per dag op vijf dagen te werken;

- deze stand van zaken zeker drie maanden eerder bereikt had kunnen worden, indien tijdig was begonnen met de diverse reïntegratieonderdelen ;

- van eiseres meer inspanningen verwacht hadden mogen worden waar het betreft het geschikt maken voor werknemer van de functie aan de informatiebalie / telefooncentrale, en

- eiseres, indien zij van mening is dat werknemer niet volledig kan terugkeren in het eigen werk/in aangepast werk in de eigen organisatie, had dienen te verzoeken tot het ingang zetten van het traject naar werk bij een andere werkgever (spoor-2 traject).

De arbeidsdeskundige heeft aangegeven dat het handelen van eiseres in deze is aan te merken als een ernstige nalatigheid. Daarom dient een sanctie te worden opgelegd van zes maanden. De arbeidsdeskundige heeft aangegeven dat eiseres een periode van vier maanden nodig heeft om haar verzuim te herstellen, reden waarom de sanctie kan worden beperkt tot vier maanden.

Bij besluit van 28 april 2003 heeft verweerder de loondoorbetalingsverplichting van eiseres betreffende werknemer met vier maanden verlengd van 30 mei 2003 tot

30 september 2003, omdat eiseres naar de mening van verweerder onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht en geen deugdelijke gronden voor dit verzuim heeft aangevoerd.

Eiseres heeft op 3 juni 2003 bezwaar gemaakt tegen voormeld besluit.

In zijn rapport van 7 juli 2003 heeft de bezwaararbeidsdeskundige de conclusies van de (primaire) arbeidsdeskundige onderschreven.

Het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 28 april 2003 is bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard.

Eiseres is van dit besluit in beroep gekomen en heeft daartoe in de eerste plaats aangevoerd dat verweerder bij zijn heroverweging van het primaire besluit

onvoldoende is ingegaan op haar bezwaren.

Eiseres is verder van mening dat de bezwaararbeidsdeskundige uitspraken heeft gedaan die op het medische vlak liggen, waarbij eiseres heeft opgemerkt dat in bezwaar geen verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft plaatsgevonden.

Eiseres heeft verder onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Breda van 19 juli 2004 (LJN: AQ5348) gesteld dat de vaststelling achteraf dat een werknemer meer arbeidsmogelijkheden heeft dan eerder was aangenomen niet uitsluit dat toch voldoende reïntegratie-inspanningen zijn verricht.

Eiseres heeft ten slotte opgemerkt dat, waar het betreft de stelling van verweerder dat eiseres een spoor-2 traject in gang had kunnen zetten, de verplichting om een dergelijk traject in te zetten pas op 1 januari 2004 is ingevoerd. Eiseres heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 mei 2004 (LJN: AP1576).

Eiseres heeft vervolgens in beroep wederom de gronden van haar bezwaar opgenomen.

Verweerder heeft in een reactie op het beroepschrift van eiseres kort samengevat en in hoofdzaak toegegeven dat hij in zijn besluit op bezwaar niet zeer uitgebreid is ingegaan op de bezwaren van eiseres en heeft deze daarom in zijn verweerschrift alsnog uitgebreid behandeld.

Verweerder heeft aangegeven dat - in tegenstelling tot in de uitspraak van de rechtbank Breda die eiseres heeft genoemd - in de onderhavige zaak in bezwaar geen medische bezwaren zijn aangevoerd.

In de onderhavige situatie is afgegaan op informatie van eiseres en van de werknemer. Op basis van die informatie heeft verweerder de conclusie getrokken dat werknemer niet werkt overeenkomstig zijn arbeidsmogelijkheden en eiseres niet voortvarend heeft gewerkt aan de reïntegratie.

Verweerder heeft verder aangegeven dat de keuze in zijn beleid voor een minimumsanctie van vier maanden is ingegeven door de gedachte dat een werkgever die tijd nodig zal hebben om de verdere reïntegratie in gang te zetten. Verweerder heeft daarbij tevens gewezen op het bepaalde in artikel 34a, vierde lid, sub b WAO, welk artikel de werknemer voorhoudt dat hij een aanvraag voor een uitkering 13 weken voor het einde van de sanctieperiode dient in te leveren. Dit betekent volgens verweerder dat de werkgever nog maar een maand heeft om zijn herstelactiviteiten in gang te zetten.

Verweerder heeft gesteld dat de bepalingen met betrekking tot de werkgeverssanctie meer in de sfeer van de civil obligation dan van een criminal charge liggen, aangezien het bepalingen betreffen die de werkgever in staat stellen aan zijn reïntegratie-verplichtingen te voldoen en die voorkomen dat een werknemer een beroep moet doen op de sociale zekerheidswetgeving.

Verweerder heeft voorts aangevoerd dat bij het opleggen van een sanctie rekening wordt gehouden met de tijd die nodig is om alsnog voldoende reïntegratie-inspanningen te verrichten, dat het einde van een dienstverband het einde van de sanctie betekent en dat geen sanctie wordt opgelegd indien er niets te repareren valt.

Verweerder is van mening dat de reïntegratie ten onrechte is gestopt bij 12 uren werken per week en dat de reïntegratie minimaal drie maanden eerder had kunnen worden vastgesteld als tijdig zou zijn begonnen.

3.3. De overwegingen van de rechtbank

Gesteld voor de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat het bestreden besluit, gelet op het door verweerder in beroep verwoorde standpunt, een voldoende motivering ontbeert.

De in het bestreden besluit opgenomen overweging ten aanzien van het karakter van de loonsanctie, waaruit kan worden afgeleid dat verweerder van mening is dat de loonsanctie een punitief karakter heeft, strookt niet met het door verweerder in het verweerschrift en ter zitting verwoorde standpunt, waarbij verweerder heeft aangegeven van mening te zijn dat de loonsanctie een (zuiver) reparatoir karakter heeft. Verweerders vertegenwoordiger heeft dit desgevraagd ter zitting ook bevestigd.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat in het bestreden besluit onvoldoende is ingegaan op hetgeen eiseres in bezwaar heeft aangevoerd. Verweerder is in het bestreden besluit in feite alleen ingegaan op de vraag of hij met het opleggen van de loonsanctie binnen het wettelijk kader van artikel 71a, lid 9, van de WAO is gebleven en op de vraag of de beslissing in strijd is met het bepaalde in artikel 6 van het EVRM.

Aan hetgeen eiseres overigens in bezwaar heeft aangevoerd heeft verweerder geen overwegingen gewijd. Verweerder heeft dit in het verweerschrift ook met zoveel woorden erkend. Reeds om die reden ziet de rechtbank aanleiding het bestreden besluit te vernietigen en een proceskostenveroordeling, zoals hierna nader verwoord, uit te spreken.

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of er aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Daartoe overweegt zij het volgende.

De in geding zijnde loonsanctie is opgelegd op voet van het bepaalde in het negende lid van artikel 71a van de WAO. Deze bepaling is ingevoerd bij de Wet verbetering poortwachter (wet van 29 november 2001, Stb. 2001, 628), met onder meer als achterliggende gedachte dat de WAO eerst toepassing vindt op het moment waarop blijkt dat een zieke werknemer niet (volledig) bij zijn eigen of een andere werkgever kan reïntegreren.

Zoals blijkend uit de wetsgeschiedenis van de Wet verbetering poortwachter ligt de verantwoordelijkheid voor de reïntegratie in beginsel bij de werkgever en de werknemer en is daarbij door de wetgever aan verweerder een toezichthoudende taak toegedacht, ter voorkoming van het onnodig in aanmerking brengen van mensen voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

Dit impliceert dat verweerder aan het einde van het eerste ziektejaar een oordeel zal moeten vellen over de reïntegratie-inspanningen van werkgever en werknemer. Eén en ander is vorm gegeven zoals hiervoor onder het wettelijk kader is weergegeven.

De rechtbank is van oordeel dat de wetgever met het bepaalde in het negende lid van artikel 71a van de WAO heeft beoogd een loonsanctie met een reparatoir karakter in het leven te roepen. Uit de tekst van deze bepaling, de wetsgeschiedenis, maar ook het met de Wet verbetering poortwachter gestelde doel, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de loonsanctie ertoe dient nagelaten reïntegratie-inspanningen van de werkgever, zo veel als mogelijk, alsnog te laten verrichten. Met het opleggen van een loonsanctie wordt beoogd de bestaande overtreding op te heffen. Niet wordt beoogd voor een dergelijk verzuim de werkgever leed toe te voegen met als doel een overtreding te vergelden.

Deze doelstelling kan naar het oordeel van de rechtbank tevens worden afgeleid uit de verdere wetsgeschiedenis, meer in het bijzonder het amendement Smit c.s. (TK 2000-2001, 27 678, nr. 16).

Met de aanvaarding van dit amendement is, zo blijkt uit de Memorie van Antwoord in de Eerste Kamer, in het negende lid van artikel 71a WAO de laatste zin als volgt komen te luiden: ‘Dit tijdvak is ten hoogste 52 weken en wordt afgestemd op de aard en ernst van het verzuim, alsmede op de periode die nodig wordt geacht om alsnog voldoende reïntegratie-inspanningen te leveren.’ Deze laatste toevoeging geeft aan dat er een relatie moet zijn tussen de lengte van de verlenging van de loondoorbetalingsverplichting en de periode die nodig is om alsnog voldoende reïntegratie-inspanningen te verrichten. Indien duidelijk is dat reïntegratie-inspanningen zinloos zijn, zal verlenging van de loondoorbetalingsverplichting dan ook niet in de rede liggen.

Het vorenstaande betekent naar het oordeel van de rechtbank dat het hanteren van een minimale termijn (van vier maanden) voor de loonsanctie, zoals neergelegd in het tweede lid van artikel 5 van de beleidsregels, zich niet verhoudt met de op voet van het bepaalde in het negende lid van artikel 71a van de WAO vereiste relatie tussen de lengte van de loonsanctie en de benodigde herstelperiode.

Het is, zo overweegt de rechtbank, immers denkbaar dat een overtreding binnen de termijn van vier maanden wordt hersteld.

Verweerder heeft in dit verband aangevoerd het redelijk te achten de voor een WAO-beoordeling geldende beslistermijn van 13 weken te betrekken in de periode die nodig wordt geacht om de rechtmatige toestand te herstellen. Om die reden is, zo stelt verweerder, een sanctieperiode van vier maanden niet onevenredig.

Dit betoog van verweerder treft naar het oordeel van de rechtbank geen doel, nu de lengte van de aanvraagtermijn waarmee rekening moet worden gehouden niet vast staat, deze kan op grond van het vierde lid van artikel 34a van de WAO zowel dertien weken als ‘zo spoedig mogelijk’ bedragen, terwijl het voorts denkbaar is dat een verzuim zodanig snel wordt hersteld, dat een loonsanctie van vier maanden, ook wanneer rekening wordt gehouden met een aanvraagtermijn van 13 weken, te lang is.

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval onvoldoende gemotiveerd waarom een loonsanctie van vier maanden diende te worden opgelegd.

Het bestreden besluit voldoet op dit punt niet aan het vereiste van een draagkrachtige motivering en komt ook om die reden voor vernietiging in aanmerking. Mitsdien bestaat er geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

Met de vaststelling dat de loonsanctie een reparatoir karakter heeft/behoort te hebben, wil de rechtbank niet voorbij gaan aan het gegeven dat, naar haar oordeel, (het systeem van) de loonsanctie, maar meer nog de door verweerder daaraan gegeven uitwerking, elementen in zich bergt die in zekere zin afbreuk doen aan dit reparatoire karakter.

In het licht hiervan wijst de rechtbank op de door verweerder in het tweede lid van artikel 5 van de beleidsregels neergelegde minimale sanctie van vier maanden.

Zoals hiervoor reeds is overwogen strijdt een dergelijke (standaard)sanctie met het bepaalde in, de laatste zin van, het negende lid van artikel 71a van de WAO, nu met het opleggen van een dergelijke sanctie de verwachte herstelperiode kan worden overschreden. Daarin ligt echter naar het oordeel van de rechtbank tevens een element besloten waarmee afbreuk wordt gedaan aan het reparatoire karakter van de loonsanctie.

Hetzelfde heeft naar het oordeel van de rechtbank te gelden voor het gegeven dat de loondoorbetalingsperiode in hele maanden wordt berekend. Ook daarmee kan in voorkomende gevallen de verwachte herstelperiode worden overschreden.

De afbreuk aan het reparatoire karakter van de loonsanctie wordt naar het oordeel van de rechtbank nog versterkt door het ontbreken van definities van essentiële begrippen in artikel 71a van de WAO.

Zo geeft de wetgever -onder meer- geen invulling aan de begrippen ‘reïntegratie-inspanning’ en ‘onvoldoende’. Daar waar met de loonsanctie het repareren van een overtreding wordt beoogd, acht de rechtbank het van belang dat een werkgever in het kader daarvan weet wat hij of zij behoort te doen, teneinde de geconstateerde overtreding ongedaan te maken.

Dat verweerder in de beleidsregels een nadere invulling heeft gegeven aan het begrip ‘reïntegratie-inspanning’ acht de rechtbank in dit opzicht onvoldoende. Het is naar het oordeel van de rechtbank aan de wetgever om in deze lacune te voorzien, waarbij dan tevens de mogelijkheid bestaat om, indachtig het beoogde karakter van de loonsanctie, de daaraan derogerende elementen uit te bannen.

Voor zover verweerder het bestreden besluit mede heeft doen stoelen op het verwijt dat eiseres ten onrechte zou hebben nagelaten de reïntegratie van werknemer bij een andere werkgever (tweede spoor) te bevorderen overweegt de rechtbank het volgende.

Gelet op het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank vast dat verweerder dit standpunt -samengevat weergegeven- baseert op het feit dat eiseres geen gebruik heeft gemaakt van de haar op grond van artikel 7.10, lid 2 juncto lid 3 van de Regeling SUWI (regeling van 21 december 2001, Stcrt. 2002, 2) geboden mogelijkheid om de verantwoordelijkheid voor de reïntegratie in het tweede spoor over te dragen aan het UWV.

In de optiek van verweerder is eiseres om die reden verantwoordelijk gebleven voor de reïntegratie van werknemer, ook in het tweede spoor.

De rechtbank volgt verweerder niet in dit betoog. Artikel 7.10 van de Regeling SUWI bevat een overgangsbepaling met betrekking tot de reïntegratieverantwoordelijkheid van de werkgever in het tweede spoor.

Ingevolge het tweede lid van deze bepaling is een werkgever, wanneer vaststaat dat in het bedrijf van de werkgever geen passende arbeid voorhanden is, niet verplicht tot het bevorderen van de inschakeling van een werknemer in de arbeid in het bedrijf van een andere werkgever, indien de eerste dag van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte van een werknemer is gelegen voor 1 januari 2003.

De verantwoordelijkheid voor reïntegratie in het bedrijf van een andere werkgever van werknemers die voor 1 januari 2003 ziek zijn geworden rust op grond van dit artikellid bij het UWV. Dat verweerder uit de tekst van het derde lid van artikel 7.10 van de Regeling SUWI en de toelichting daarop meent te mogen afleiden dat de werkgever bij een eventuele overdracht van de verantwoordelijkheid voor reïntegratie bij een andere werkgever actie moet hebben ondernomen in de zin van de verstrekking van een reïntegratieverslag aan hem doet daaraan naar het oordeel van de rechtbank niet af.

Het enkele feit dat eiseres geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid de verantwoordelijkheid voor de reïntegratie in het tweede spoor over te dragen aan verweerder, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat op basis daarvan geconcludeerd kan worden dat eiseres de verplichting had om de reïntegratie van werknemer bij een andere werkgever te bevorderen, nu werknemer op 31 mei 2002, derhalve (ruim) voor 1 januari 2003, is uitgevallen voor zijn werk als logistiek medewerker.

Voor zover eiseres protesteert tegen het feit dat in de bezwaarfase geen verzekeringsgeneeskundige beoordeling heeft plaatsgevonden, overweegt de rechtbank dat dit betoog voorbij gaat aan het gegeven dat de arbeidsdeskundige en de bezwaararbeidsdeskundige zich bij hun oordeel dat werknemer in staat moet worden geacht om meer uren te werken dan hij thans feitelijk doet hebben gebaseerd op verklaringen van eiseres en werknemer.

Dit standpunt is daarmee naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd en behoeft geen nadere onderbouwing door het laten verrichten van een verzekeringsgeneeskundige beoordeling.

De rechtbank is verder van oordeel dat het argument van eiseres, daar waar zij stelt dat het bestreden besluit als onrechtmatig is te beschouwen, als zijnde onvoldoende onderbouwd, geen doel treft. De algemene verwijzing in het beroepschrift naar een wetenschappelijk artikel van prof. F.M. Noordam in het oktobernummer 2003 van SMA acht de rechtbank daartoe onvoldoende. Het is aan eiseres om voldoende duidelijk te maken welke gronden zij aan dit artikel wenst te ontlenen en eventuele verwijzingen naar dit artikel dient zij voldoende specifiek te maken.

Hoewel de rechtbank met hetgeen hiervoor is overwogen zou kunnen volstaan, ziet de rechtbank, mede gelet op het door verweerder opnieuw te nemen besluit op de bezwaren van eiseres, aanleiding de stelling van verweerder, dat eiseres onvoldoende reïntegratie-inspanningen aan de dag heeft gelegd, op juistheid te onderzoeken.

In het licht daarvan stelt de rechtbank vast dat duidelijk is dat de eerste probleemanalyse te laat is opgesteld, terwijl daarvoor door eiseres geen, dan wel geen afdoende verklaring is gegeven. Het feit dat het te late indienen van de eerste probleemanalyse mogelijkerwijs moet worden toegeschreven aan de Arbo-dienst van eiseres acht de rechtbank onvoldoende, nu enig verzuim van de -door haar gecontracteerde- Arbo-dienst in de risicosfeer van eiseres ligt.

Voorts stelt de rechtbank vast dat de werkhervatting van werknemer is gestopt bij 12 uren per week. Het is de rechtbank niet duidelijk geworden waarom de werkhervatting op dat punt is gestopt en niet verder is uitgebreid naar 15 uren per week. Hierbij tekent de rechtbank aan dat werknemer in zijn gesprek met de arbeidsdeskundige ook heeft aangegeven dat zijn beperkingen niet zozeer liggen in het aantal dagen per week, maar in het aantal uren per dag.

Gelet op het vorenstaande en mede in aanmerking nemende het langdurige dienstverband van werknemer is de rechtbank van oordeel dat van eiseres in de gegeven omstandigheden meer had mogen worden verwacht. Zo had eiseres een verdere reïntegratie kunnen bewerkstelligen. Zij had deze daarnaast eerder ter hand kunnen nemen.

Alles overziende komt de rechtbank tot het oordeel dat het beroep gegrond dient te worden verklaard.

Het bestreden besluit zal worden vernietigd. Verweerder dient opnieuw op de bezwaren van eiseres te beslissen. Daarbij zal verweerder tevens dienen in te gaan op het namens eiseres gedane verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van haar beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

Onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten begroot op € 483,- waarbij één punt is toegekend voor het indienen van het beroepschrift en het gewicht van de zaak op ‘zwaar’ is gesteld.

Voorts ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat het door eiseres betaalde griffierecht aan haar dient te worden vergoed.

Beslist wordt als volgt.

4. BESLISSING

De rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op de bezwaren van eiseres dient te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de aan de zijde van eiseres gevallen proceskosten ten bedrage van € 483,- en bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen dit bedrag, alsmede het griffierecht ad € 273,- aan eiseres dient te voldoen.

Aldus gegeven door mr. W.P. Claus, voorzitter, mr. H.C.P. Venema en mr. M.P. den Hollander , in het openbaar door de voorzitter uitgesproken op 27 juli 2005 in tegenwoordigheid van H. Siebers als griffier.

De griffier De voorzitter

De rechtbank wijst er op dat partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.

Afschrift verzonden op:

typ: