Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2005:AT9382

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
27-06-2005
Datum publicatie
14-07-2005
Zaaknummer
AWB 03/1034 WW HOB
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2006:AY7702, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Sinds 1 april 2001 was eiser gedurende 40 uur per week als topsporter in dienst van de stichting Fonds voor de Topsporter (hierna: stichting). Op basis van het Statusreglement Topsporters geniet eiser een A-status en werd aan hem een stipendium uitgekeerd.

In verband met het verlies van de A-status is zijn dienstverband met de Stichting met ingang van 1 maart 2003 beëindigd.

Verweerder heeftr geweigerd om eiser vanaf 3 maart 2003 een uitkering ingevolge de WW toe te kennen, onder de overweging dat er geen sprake is van verloren arbeidsuren.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2006/95
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

SECTOR BESTUURSRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

Reg.nr.: AWB 03/1034 WW HOB

UITSPRAAK

in het geschil tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. A. Brons,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder.

1. ONDERWERP VAN GESCHIL

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 3 september 2003.

In dit (bestreden) besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de beslissing van 17 april 2003 tot weigering van een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW), ongegrond verklaard en zijn beslissing van 17 april 2003 gehandhaafd.

Verweerder heeft in zijn verweerschrift van 16 januari 2004 gesteld dat de beslissing van 3 september 2003 niet juist is en dat nader onderzoek zal worden verricht.

Dit heeft geresulteerd in een (nieuw) besluit van 22 maart 2004, waarbij verweerder de bezwaren van eiser wederom ongegrond heeft verklaard en zijn beslissing van 17 april 2003 heeft gehandhaafd, zij het op andere gronden.

2. ZITTING

Het geschil is behandeld op de zitting van 17 mei 2005.

Eiser is daar in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, verschenen.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. D. Krijgsman.

3. BEOORDELING VAN HET GESCHIL

3.1 Feiten en standpunten van partijen

Sinds 1 april 2001 was eiser gedurende 40 uur per week als topsporter in dienst van de stichting Fonds voor de Topsporter (hierna: stichting). Op basis van het Statusreglement Topsporters geniet eiser een A-status en werd aan hem een stipendium uitgekeerd.

In verband met het verlies van de A-status is zijn dienstverband met de Stichting met ingang van 1 maart 2003 beëindigd.

Bij beslissing van 17 april 2003 heeft verweerder geweigerd om eiser vanaf 3 maart 2003 een uitkering ingevolge de WW toe te kennen, onder de overweging dat er geen sprake is van verloren arbeidsuren.

Tegen deze beslissing heeft eiser -tijdig- bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 3 september 2003 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en zijn beslissing van 17 april 2003 gehandhaafd.

Eiser kan zich met dit besluit niet verenigen. Hij heeft zich, onder verwijzing naar de bijzondere situatie van A-sporters, op het standpunt gesteld dat hij wel recht heeft op een WW-uitkering.

Verweerder heeft in zijn verweerschrift van 16 januari 2004 gesteld dat het besluit van 3 september 2003 niet juist is en dat nader onderzoek zal worden verricht.

Dit heeft geresulteerd in een (nieuw) besluit van 22 maart 2004, waarbij verweerder de bezwaren van eiser wederom ongegrond heeft verklaard en zijn beslissing van 17 april 2003 heeft gehandhaafd, zij het op andere gronden. Verweerder heeft (thans) overwogen dat eiser geen recht heeft op WW, omdat hij niet reëel voor arbeid beschikbaar is.

Eiser kan met zich dit nieuwe standpunt van verweerder evenmin verenigen, zo blijkt uit het beroepschrift van 6 april 2004.

Als formele grief heeft eiser daarin aangevoerd dat de tweede beslissing van 22 maart 2004 dient te worden vernietigd, omdat er op 3 september 2003 al een beslissing is genomen. Ter ondersteuning van zijn standpunt verwijst hij naar het arrest van het Hof Den Haag van 28 september 2001, nr. 00/1768.

Inhoudelijk is eiser van mening dat (ook) deze (tweede) beslissing is genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Ter motivering van dit standpunt heeft eiser wederom gewezen op de bijzondere positie van A-sporters. Daarnaast stelt eiser zich op het standpunt dat hij (wel) beschikbaar is voor de arbeidsmarkt.

In zijn reactie van 29 juli 2004 heeft verweerder ten aanzien van de formele grief van eiser verwezen naar artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Naar aanleiding van de inhoudelijke grief is uiteengezet dat de beschikbaarstelling van eiser onvoldoende realiteitswaarde in de zin van artikel 16 WW heeft. In de ogen van verweerder is het gedrag van eiser er op gericht om door training wederom de A-status als topsporter te bemachtigen.

Daarnaast heeft verweerder betoogd dat hij, in het geval wel sprake zou zijn van beschikbaarheid, subsidiair van mening is dat de uitkering van eiser zal moeten worden beëindigd onder toepassing van artikel 20, eerste lid, sub a, WW, omdat het werk dat eiser verricht werk is uit hoofde waarvan hij niet als werknemer is aan te merken.

3.2 Wettelijk kader

Ingevolge artikel 16, eerste lid, WW is werkloos de werknemer die:

a. ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren, alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren; en

b. beschikbaar is om arbeid te aanvaarden.

3.3 Overwegingen

Allereerst moet worden vastgesteld dat het besluit van 22 maart 2004 strekt tot vervanging van het besluit van 3 september 2003.

Vast staat dat met het eerstgenoemde besluit van 22 maart 2004 niet geheel tegemoet is gekomen aan de bezwaren van eiser, zodat het beroep van eiser op de voet van artikel 6:19, eerste lid, Awb geacht wordt mede te zijn gericht tegen laatstgenoemd besluit.

De grief van eiser dat de beslissing van 22 maart 2004 reeds dient te worden vernietigd, omdat maar eenmaal op een bezwaar kan worden beslist, moet, gelet op het doel en de strekking van de artikelen 6:18 en 6:19 Awb in onderlinge samenhang bezien, worden verworpen.

De rechtbank concludeert voorts dat partijen niet (meer) van mening verschillen over het antwoord op de vraag of eiser in casu arbeidsuren heeft verloren. De rechtbank zal in dit geval, mede gelet op de kennelijke bedoeling van verweerder het besluit van 3 september 2003 te vervangen door het besluit van 22 maart 2004, dan ook enkel een oordeel geven over het besluit van 22 maart 2004.

Voor zover het beroep geacht wordt te zijn gericht tegen voornoemd besluit van 3 september 2003 is de rechtbank, onder verwijzing naar artikel 6:19, derde lid, Awb, niet gebleken dat eiser een belang heeft bij een vernietiging van dit besluit.

Het beroep van eiser dient, voor zover dit zich richt tegen het vervangen besluit, dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.

In geding is derhalve het antwoord op de vraag of verweerder eiser terecht een uitkering ingevolge de WW heeft geweigerd op de grond dat eiser niet reëel beschikbaar is om arbeid te aanvaarden in de zin van artikel 16 WW. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

De arbeidsverhouding tussen eiser en de stichting is als gevolg van het Besluit van 3 april 2001, Stb. 2001/193, een fictieve dienstbetrekking als bedoeld in artikel 5 van de sociale verzekeringswetten. Dit brengt met zich dat eiser, zolang deze arbeidsverhouding aanwezig is, verzekerd is voor de WW, ZW en WAO.

Daarnaast heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ter uitvoering van onder meer artikel 12, aanhef en onder c, WW, de stichting aangewezen als werkgever van de topsporter. Voor de Stichting betekent dit dat zij gehouden is de premies in het kader van de werknemersverzekeringen te voldoen voor de topsporters die van haar een stipendium ontvangen.

Een en ander is geschied in het kader van het Topsportbeleid dat in 2001 verder is geformaliseerd, met als doel dat topsporters zich volledig kunnen wijden aan het beoefenen van hun sport.

Het is vaste jurisprudentie dat de vraag of een werknemer al dan niet beschikbaar is om arbeid te aanvaarden beantwoord moet worden aan de hand van de feiten en omstandigheden van het concrete geval, waaronder houding en gedrag van de betrokkene een rol speelt. Zie onder meer de uitspraak van 24 april 1990, RSV 1990/224.

In het geval verweerder op grond van houding en gedrag tot een niet beschikbaar zijn om arbeid te aanvaarden wenst te concluderen zal ondubbelzinnig moeten vaststaan dat de betrokkene duidelijk en eenduidig te kennen heeft gegeven, althans heeft doen blijken, dat hij zich niet voor arbeid op de arbeidsmarkt beschikbaar stelt noch wil stellen.

De rechtbank is, gelet op voormelde jurisprudentie, anders dan verweerder van oordeel dat in dit geval niet gezegd kan worden dat eiser niet reëel beschikbaar is voor arbeid, anders dan voor het verkrijgen van de A-status. Hetgeen verweerder aan die opvatting ten grondslag legt is onvoldoende, en, wat daar overigens van zij, meer gericht op de beoordeling omtrent een weigeringsgrond dan op het ontbreken van de objectieve beschikbaarheid van artikel 16 WW.

Het subsidiaire standpunt van verweerder, te weten dat de uitkering zal moeten worden beëindigd op grond van artikel 20, eerste lid, sub a, WW, kan evenmin worden gehonoreerd. Dit standpunt is reeds niet houdbaar omdat het onverenigbaar is met het kennelijke doel van het aanmerken van de A-status als fictieve dienstbetrekking. Immers, de topsporter met A-status die deze status verliest zou zijn recht op werkloosheidsuitkering in die visie van verweerder verliezen door te trachten door training de A-status te herkrijgen. Daarmee verkeert het aanmerken van de A-status als fictieve dienstbetrekking van maatregel ter ondersteuning en stimulering van topsport in zijn tegendeel.

Het beroep dient derhalve gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit van 22 maart 2004 dient te worden vernietigd. Verweerder zal met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar van eiser dienen te beslissen.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient ingevolge artikel 8:74, eerste lid, Awb, tevens te worden bepaald, dat het door eiser betaalde griffierecht ad € 31,-- door het UWV aan hem wordt vergoed.

De rechtbank acht verder termen aanwezig verweerder op de voet van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken en wijst het UWV aan als de rechtspersoon die deze kosten moet betalen.

Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt de rechtbank deze kosten op € 805 ,--, zoals nader aangegeven op een bij de uitspraak gevoegde bijlage.

4. BESLISSING

De rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

- verklaart het beroep tegen het besluit van 3 september 2003 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 22 maart 2004 gegrond;

- vernietigt het besluit van 22 maart 2004 en bepaalt dat verweerder met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar van eiser dient te beslissen;

- bepaalt dat het UWV eiser het betaalde griffierecht ad € 31,-- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiser in verband met de behandeling van zijn beroep heeft gemaakt, welke zijn vastgesteld op € 805,--, en bepaalt dat het UWV eiser deze kosten vergoedt.

Aldus gegeven door mrs. E. Gottschal, voorzitter, H.C.P. Venema en M.P. den Hollander, in het openbaar door de voorzitter uitgesproken op juni 2005, in tegenwoordigheid van A.M. van der List-van Winden als griffier.

De griffier De voorzitter

De rechtbank wijst er op dat partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.

Afschrift verzonden op:

typ: DL/