Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2005:AS5085

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
27-01-2005
Datum publicatie
10-03-2005
Zaaknummer
AWB 03/739 REA STRA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Premiekorting. Overgangsbepaling niet in strijd met (ongeschreven) recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

SECTOR BESTUURSRECHT

ENKELVOUDIGE KAMER

Reg.nr.: AWB 03/739 REA STRA

U I T S P R A A K

inzake het geschil tussen

A, (thans) wonende te B, eiser,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV Amsterdam), verweerder.

1. ONDERWERP VAN HET GESCHIL.

Het beroep is gericht tegen het besluit van verweerder van 16 juli 2003.

Bij dat besluit is het bezwaar van eiser tegen de beslissing van 5 juni 2003 ongegrond verklaard. Verweerder heeft bij die beslissing afwijzend beslist op de aanvraag van eiser hem in zijn hoedanigheid van werkgever in aanmerking te brengen voor een korting op de premie voor de Wet op de arbeidsongeschiktheidverzekering (WAO) en het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWF), ten behoeve van zijn werknemers X, Y en Z.

2. ZITTING.

Het geschil is behandeld ter zitting van 26 januari 2005.

Eiser is aldaar niet verschenen.

Verweerder heeft zich na telefonische kennisgeving niet doen vertegenwoordigen.

3. BEOORDELING VAN HET GESCHIL.

De feiten

Eiser heeft verweerder bij brief van 15 mei 2003 verzocht hem over het jaar 2002 een korting op de WAO premie te verlenen ten behoeve van de hierboven genoemde REA-medewerkers.

Blijkens de beslissing van 5 juni 2003 heeft verweerder dat verzoek opgevat als een verzoek ex artikel 79b WAO en de dienovereenkomstige bepalingen (de artikelen 82 en 82a) van de WW. Verweerder heeft het verzoek afgewezen. Hij heeft daarbij overwogen dat op grond van de door eiser verstrekte informatie is gebleken dat er geen sprake is van een werknemer die -op of na 1 januari 2002- in dienst is getreden, noch van een werknemer die op of na die datum in de eigen dan wel in een andere functie is herplaatst of van wie de arbeidsplaats is aangepast aan zijn handicap. Verweerder heeft daarbij verwezen naar de artikelen 79b, 87a en 91a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de dienovereenkomstige artikelen 82, 82a en 130g van de Werkloosheidswet (WW).

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder die beslissing gehandhaafd.

In beroep heeft eiser er op gewezen dat de betreffende (REA-) werknemers vóór 1 januari 2002 bij hem in dienst zijn getreden, alsmede dat hij over het premiejaar 2001 een korting op de premie heeft ontvangen. Eiser stelt zich op het standpunt dat de nieuwe regelgeving waarop verweerder zich beroept, geldt voor nieuw personeel dat vanuit de REA komt, althans wordt aangenomen of hervat. Daarnaast is eiser blijkens het beroepschrift van oordeel dat het niet zo kan zijn dat de nieuwe regeling inzake de herintreders de oude overeenkomsten, waaraan eiser kennelijk vóór 2002 kortingsaanspraken ontleende, opblaast.

De rechtbank overweegt het volgende.

Tussen partijen is niet in geschil, en de rechtbank neemt dan ook als vaststaand aan, dat de werknemers voor wie eiser premiekorting heeft aangevraagd, dienen te worden aangemerkt als arbeidsgehandicapte in de zin van artikel 2 van de Wet Reïntegratie arbeidsgehandicapten (Wet REA). Deze werknemers waren voor 1 januari 2002 reeds bij eiser in dienst. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat het verzoek van eiser betrekking heeft op het premiejaar 2002, als ook dat de WAO en de Wet REA met ingang van 1 januari 2002 zijn gewijzigd, waardoor per die datum de oude kortings- en vrijstellingsregeling evenals de oude regeling met betrekking tot de (her)plaatsingsbudgetten zijn vervallen.

Het vanaf 1 januari 2002 inwerking getreden artikel 79b, eerste lid, WAO biedt de werkgever de mogelijkheid van premiekorting voor een arbeidsgehandicapte in de zin van artikel 2 van de Wet REA, die reeds bij aanvang van het dienstverband arbeidsgehandicapt was.

Het tweede lid van dat artikel biedt de werkgever diezelfde mogelijkheid voor een eigen werknemer (een bestaand dienstverband) die arbeidsgehandicapt in de hiervoor vermelde zin is verklaard en die nadien geheel of gedeeltelijk bij die werkgever heeft hervat.

Blijkens de bij de invoering van voormelde wijzigingen tot stand gekomen overgangsregeling (artikel 91a WAO) is artikel 79b, eerste lid, WAO niet van toepassing, indien de dienstbetrekking is aangegaan vóór 1 januari 2002.

Het tweede lid van artikel 91a bepaalt dat artikel 79b, tweede lid, WAO niet van toepassing is indien de werknemer vóór 1 januari 2002 zijn arbeid of een andere functie bij dezelfde werkgever geheel of gedeeltelijk heeft hervat, dan wel indien diens arbeidsplaats voor die datum is aangepast.

De werknemers voor wie door eiser premiekorting is gevraagd, zijn vóór 1 januari 2002 bij eiser in dienst getreden. Dit betekent dat eiser op grond van artikel 91a, eerste lid, WAO geen aanspraak op een premiekorting kan ontlenen aan het bepaalde in artikel 79b, eerste lid, WAO.

Nu bovendien niet is gebleken, noch is gesteld dat moet worden getwijfeld aan de juistheid van het door verweerder ingenomen standpunt dat die werknemers niet na maar vóór 1 januari 2002 in eigen of andere arbeid geheel of gedeeltelijk bij eiser hebben hervat, terwijl bovendien van een aanpassing van hun arbeidsplaatsen na 1 januari 2002 niet is gebleken, kan eiser ook op grond van artikel 91a, tweede lid, WAO niet in aanmerking komen voor een premiekorting op grond van artikel 79b, tweede lid, WAO.

Hetgeen hiervoor is overwogen geldt, gelet op de overeenkomstige artikelen 82, 82a en 130g, WW, eveneens voor een premiekorting voor het AWF.

Eiser heeft evenwel gesteld dat hij op basis van de oude regeling aanspraak moet kunnen maken op de korting. Het rechtszekerheidsbeginsel zou zich er tegen verzetten dat hij daarop geen aanspraak meer kan maken.

De rechtbank stelt in dit verband vast dat uit de Memorie van Toelichting bij artikel 91a, WAO blijkt dat het kabinet er voor heeft gekozen de gemaakte afspraken te eerbiedigen. Daarin (TK, vergaderjaar 2001-2002, 28 016, nr. 3, p. 19) wordt overwogen: “Dat betekent dat beoogd wordt de wetswijziging per 1 januari 2002 van kracht te laten zijn op alle nieuwe aanvragen. Reeds toegekende aanspraken op een plaatsingsbudget, herplaatsingsbudget, pakket op maat of subsidie voor voorzieningen voor behoud van het eigen werk blijven onverkort gehandhaafd. Dat betekent dat de geplaatste budgetverschuiving voor een deel pas later is te realiseren. Het kabinet is evenwel van mening dat deze optie de voorkeur verdient, gezien de waarde die zij hecht aan het naleven van de gangbare rechtsbeginselen, en het feit dat het gaat om een relatief kleine groep begunstigden en voor een beperkte periode.”

Uit deze toelichting blijkt dat de wetgever gedacht heeft aan aanspraken op een plaatsingsbudget, een herplaatsingsbudget, een pakket op maat of subsidie voor voorzieningen voor behoud van het eigen werk. De wetgever noemt niet de premiekorting. In strikte zin kan de premiekorting ook niet worden gezien als een bestaande aanspraak, nu die korting onder de oude regeling ieder jaar opnieuw moest worden aangevraagd. Op p. 21 van de Memorie van Toelichting wordt duidelijk dat de wetgever de premiekorting bewust niet noemt. Daar wordt immers overwogen: “Op grond van het voorgestelde artikel 87b van de Wet REA blijven toegezegde voorzieningen gehandhaafd. Daar staat tegenover dat de werkgever zolang hij deze voorzieningen geniet voor die periode geen vrijstelling kan aanvragen voor de WAO-premies met betrekking tot deze werknemers. Het nieuwe artikel 91a voorziet daarin.”

Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet op het feit dat de plaatsingsbudgetten gehandhaafd blijven en de premiekorting ieder jaar opnieuw moest worden aangevraagd, niet gezegd worden dat de strikte toepassing van de overgangsbepaling in die mate in strijd met het ongeschreven recht (het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel) komt, dat zij op grond daarvan geen rechtsplicht meer zou zijn.

Het beroep dient gelet op het voorgaande ongegrond te worden verklaard.

3. BESLISSING

De rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. P.W. van Straalen en in het openbaar door hem uitgesproken op 27 januari 2005, in tegenwoordigheid van G. Rammeloo als griffier.

De griffier, De rechter,

De rechtbank wijst er op, dat partijen en andere belanghebbenden binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.

Afschrift verzonden op:

typ: