Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2004:AV5180

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
28-04-2004
Datum publicatie
15-03-2006
Zaaknummer
65887 / HA ZA 03-435
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De bestuurder van "de holding" heeft een zorgvuldigheidsnorm geschonden die de bestuurder jegens eiseres, als aandeelhoudster, in acht had moeten nemen, door in strijd met de statuten van "de holding" niet voorafgaand aan de aanvraag van surseance van betaling van "de holding" (waarna het faillissement van "de holding" is gevolgd), goedkeuring te vragen aan eiseres.

Het niet nakomen van de goedkeuringsbepaling is niet zodanig verwijtbaar dat sprake is van aansprakelijkheid van de bestuurder. De bestuurder is ook niet aansprakelijk op grond van het niet naleven van de participatie- en aandeelhoudersovereenkomst.

De stelling dat de adviseur van "de holding" aansprakelijk is, omdat niet is gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht, is onvoldoende onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2006, 43
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

de naamloze vennootschap N.V. NOM INVESTERINGS- EN ONTWIKKELINGSMAATSCHAPPIJ,

gevestigd te (9728 NX) Groningen aan de Van Swietenlaan 25-2,

eiseres bij exploot van dagvaarding d.d. 19 juni 2003,

hierna te noemen NOM,

procureur mr. L. Groefsema,

en

1. de besloten vennootschap [gedaagde sub 1],

gevestigd te [adres],

procureur mr. H.J. de Groot,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [adres],

procureur mr. H.J. de Groot,

3. de besloten vennootschap FORRESTER GRENFILL & PARTNERS B.V.

gevestigd te [adres],

procureur mr. M.H. Heeg,

4. [gedaagde sub 4],

kantoorhoudende te [adres],

gedaagden bij opgemeld exploot van dagvaarding,

procureur mr. M.H. Heeg.

PROCESVERLOOP

NOM heeft gedaagden gedagvaard voor de rechtbank te Assen. Bij vonnis van deze rechtbank d.d.

11 juni 2003 heeft deze zich onbevoegd verklaard om van de zaak kennis te nemen onder verwijzing van de zaak naar de rechtbank te Groningen in de stand waarin deze zich bevond.

Bij dagvaarding voor de rechtbank te Groningen heeft NOM onder overlegging van producties op de daarin gemelde gronden gevorderd om gedaagden bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, ieder voor het geheel, des dat de een betalende, de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen:

primair:

- tot betaling van € 1.815.120,86 (fl. 4.000.000,-), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 mei 2002 tot aan de dag der algehele voldoening en vermeerderd met de kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte ad € 5.536,-;

- tot betaling van de kosten van dit geding;

subsidiair:

- tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 mei 2002 tot aan de dag der algehele voldoening en vermeerderd met de kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte.

- tot betaling van de kosten van dit geding.

Gedaagden sub 1 en sub 2 hebben bij antwoord geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van NOM in haar vorderingen, althans deze aan NOM te ontzeggen, met veroordeling van NOM in de kosten van deze procedure. Gedaagden sub 3 en sub 4 hebben voor antwoord geconcludeerd tot afwijzing van de vordering, kosten rechtens.

Vervolgens heeft NOM gerepliceerd en hebben gedaagden gedupliceerd, waarna partijen vonnis hebben gevraagd.

RECHTSOVERWEGINGEN

1. Vaststaande feiten

a. Na een bespreking tussen NOM en de besloten vennoot[naam Holding], verder te noemen [Holding], omstreeks 23 juli 2001, is NOM gaan participeren in [Holding] in de vorm van een aandelendeelname groot ƒ 1000.000,00. Na deze participatie is NOM 49,9% en [gedaagde sub 1] 50,1% van de aandelen gaan houden in het kapitaal van [Holding].

NOM heeft op 31 oktober 2001 een overeenkomst van geldlening gesloten met gedaagde sub 1, verder te noemen [gedaagde sub 1] en met [Holding], waarbij NOM aan [Holding] een geldlening heeft verstrekt van fl. 3.000.000,00. Dit betreft een achtergestelde geldlening die op grond van het bepaalde in artikel 18 van de algemene voorwaarden die van toepassing zijn op de geldleningovereenkomst, opeisbaar is ingeval van surséance van betaling, dan wel faillissement.

In totaal heeft NOM ƒ 4.000.000,00 ter beschikking gesteld aan [Holding].

b. De statuten van [Holding] zijn op dezelfde dag, op 31 oktober 2001 gewijzigd, waardoor in artikel 19 van de statuten thans onder meer vermeld staat dat de besluiten van de algemene vergaderingen worden genomen met een meerderheid van tachtig procent van de uitgebrachte stemmen in een vergadering waarin tachtig procent van het geplaatste kapitaal is vertegenwoordigd.

Artikel 11 van deze statuten bepaalt in Lid 3: goedkeuring van de raad van commissarissen is nodig voor bestuursbesluiten betreffende :...

h. aangifte van faillissement en aanvraag van surséance van betaling;

en lid 4 van hetzelfde artikel bepaalt: voor de in lid 3 sub ...h... omschreven bestuursbesluiten is tevens goedkeuring van de algemene vergadering nodig.

c. Daarnaast heeft NOM, eveneens op 31 oktober 2001, met [gedaagde sub 1] en [Holding] een participatie- en aandeelhoudersovereenkomst gesloten, waarbij -voor zover hier van belang- het volgende overeen is gekomen:

Artikel 7.5: Zolang er geen Raad van Commissarissen is opgesteld, komen de bevoegdheden betreffende het al dan niet verlenen van goedkeuring aan bestuursleden toe aan de Algemene Vergadering van Aandeelhouders.

Artikel 10.3: In aanvulling c.q. afwijking op het bepaalde in de statuten van de Vennootschap heeft NOM in de Algemene Vergadering van Aandeelhouders een vetorecht ten aanzien van:

a. alle besluiten betreffende het al dan niet verlenen van goedkeuring voor bestuursbesluiten als bedoeld in de statuten van de Vennootschap;

d. Op 31 januari 2002 heeft, buiten aanwezigheid van [gedaagde sub 2], een bespreking plaats gevonden tussen NOM en het managementteam van [gedaagde sub 1] over de financiële problemen en het dreigend financieel tekort van [gedaagde sub 1].

e. Op 14 maart 2002 is een overeenkomst tot stand gekomen tussen NOM, [gedaagde sub 1] en de besloten vennootschap Volharding Holding BV, verder te noemen Volharding Holding, waarbij is afgesproken dat de aandelen die [gedaagde sub 1] houdt in het kapitaal van [Holding], voor een bedrag van [€] 1,00 worden verkocht aan Volharding Holding, in het geval [Holding] en haar dochter maatschappijen een succesvolle doorstart maken na een surséance van betaling van [Holding].

f. In verband met de op 21 maart 2002 door [gedaagde sub 1] aan NOM gedane mededeling dat zij een (derde) financier heeft gevonden, is door NOM op 25 april 2002 schriftelijk aan [gedaagde sub 1] kenbaar gemaakt dat NOM bereid is mee te werken aan een "volledige exit", door de aandelen die NOM houdt in het kapitaal van [gedaagde sub 1] te verkopen voor een bedrag van

ƒ 2,0 miljoen, met dien verstande dat dan de geldlening als afgelost zal worden beschouwd.

g. Met de (derde) financier is geen overeenstemming bereikt en op 16 mei 2002 heeft de ING Bank (de huisbankier van [Holding]) definitief het krediet opgezegd. Vervolgens heeft [gedaagde sub 1] op 21 mei 2002 zonder voorafgaand aan het besluit tot het doen van een aanvraag tot surséance van betaling, expliciet toestemming te vragen van de algemene vergadering van aandeelhouders, de surséance van betaling voor [Holding] aangevraagd, alsmede het faillissement van zes werkmaatschappijen, waarvan [Holding] 100% houdster was van het geplaatste en gestorte aandelenkapitaal. De surséance van betaling is door de rechtbank op verzoek van de curatoren op 22 mei 2002 ingetrokken en gelijktijdig is het faillissement van [Holding] uitgesproken.

h. Gedaagde sub 4 (verder te noemen: [gedaagde sub 4]) heeft op 20 mei 2002 een conceptnotitie inzake de doorstart van [Holding] opgesteld. Hierin is onder 2.5 sub 9 opgenomen: Participatie (kapitaalsinjectie NOM NV [€] 1,8 miljoen i.p.v. [€] 3,6 miljoen ) heeft niet geleid tot uitstel maar tot afstel van liquiditeitsprobleem. [gedaagde sub 4] is bestuurder van gedaagde sub 3, hierna te noemen: Forrester.

i. NOM heeft op 23 mei 2002 haar vordering op [Holding] ten bedrage van ƒ 3.000.000,- uit hoofde van de overeenkomst van geldlening bij de curatoren ter verificatie ingediend en op dezelfde dag heeft NOM [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aansprakelijk gesteld.

2. Standpunt NOM

2.1 [gedaagde sub 2], bestuurder van [gedaagde sub 1], die op haar beurt bestuurder was van [Holding], heeft geen overleg gepleegd met NOM over de besluiten om de surséance van betaling van [Holding] en de faillissementen van de werkmaatschappijen aan te vragen. Hiermee heeft [gedaagde sub 1] in strijd met de participatie- en aandeelhoudersovereenkomst en met de statuten van [Holding] gehandeld. Door dit handelen heeft NOM schade geleden. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] hebben met hun handelingen welbewust en opzettelijk jegens NOM wanprestatie gepleegd en zij hebben rechtstreeks jegens NOM onrechtmatig gehandeld. Er is bij [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] sprake van opzet tot, althans wetenschap van benadeling van NOM. Zowel [gedaagde sub 2] als [gedaagde sub 1] wisten, danwel behoorden te weten, dat door de (gevolgen van de) surséanceaanvraag inzake [Holding] en de faillissementsaanvraag van haar dochtermaatschappijen NOM naar haar centen en (de waarde van haar) aandelen 'kan fluiten', terwijl zij bekend waren met de bereidheid van NOM om -onder voorwaarden- een nieuwe financiële bijdrage van ƒ 1,0 miljoen te leveren voor het oplossen van de liquiditeitsproblemen van [Holding].

2.2 [gedaagde sub 2] is persoonlijk aansprakelijk voor het handelen van [gedaagde sub 1] op grond van het bepaalde in artikel 2:11 BW en artikel 6:162 BW, daar [gedaagde sub 2] er persoonlijk voor heeft gezorgd dat [gedaagde sub 1] haar verplichtingen jegens NOM niet is nagekomen.

2.3 [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] hebben gehandeld naar aanleiding van het advies van gedaagde sub 4 (hierna: [gedaagde sub 4]), managing partner van gedaagde sub 3 (hierna te noemen: Forrester) om tot een 'doorstart' over te gaan via de surséance van betaling van [Holding] en het faillissement van de dochtermaatschappijen. In deze voorgenomen 'doorstart' is met de positie van NOM -anders dan met die van de financiers die zekerheden hadden bedongen- geen rekening gehouden. Het door [gedaagde sub 4] gegeven advies heeft in het maatschappelijk verkeer als gedraging van Forrester te gelden. Hiermee hebben [gedaagde sub 4] en Forrester zich schuldig gemaakt aan uitlokking van wanprestatie en onrechtmatig handelen. [gedaagde sub 4] kende het belang van NOM en hij heeft niet gehandeld als van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht, hiermee heeft hij onzorgvuldig jegens NOM gehandeld en is [gedaagde sub 4] ook persoonlijk aansprakelijk jegens NOM op grond van onrechtmatige daad.

2.4 NOM heeft door vorenbeschreven handelen schade geleden ad [€] 453.780,22 (fl. 1.000.000,-) bestaande uit waardevermindering van haar aandelen, welke waarde thans nihil is, nu verhaal op [Holding] definitief onmogelijk geworden is. Voorts vordert NOM als schade de geleende som ad

[€] 1.361.340,65 (fl. 3.000.000,-). Subsidiair vordert NOM schade in de vorm van verlies van een kans, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

3. Standpunt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]

3.1 De participatie- en aandeelhoudersovereenkomst van 31 oktober 2001 is gesloten tussen NOM en [gedaagde sub 1]. [gedaagde sub 2] heeft deze overeenkomst niet in privé getekend.

3.2 NOM was bereid om ƒ 4000.000,00 beschikbaar te stellen aan [Holding], welk bedrag te laag was, aangezien [gedaagde sub 1] een bedrag van circa ƒ 8000.000,00 nodig had om een serieuze overlevingskans te maken. De ING bank heeft nog een aanvullende financiering verstrekt van

ƒ 1.500.000,00; waardoor er uiteindelijk nog een tekort was van ƒ 2.500.000,00. De ING bank was niet bereid om het krediet te verhogen, waarna NOM tezamen met Volharding Holding getracht heeft [gedaagde sub 2] ervan te overtuigen dat het aanvragen van een surséance van betaling het beste scenario was voor [Holding]; hetgeen schriftelijk is vastgelegd bij overeenkomst van 14 maart 2002.

3.3 De ING bank heeft hierna, op 17 maart 2002, het krediet in rekening courant opgezegd. Eerst nadat [gedaagde sub 2] [gedaagde sub 4] had ingeschakeld voor advies was de ING bank bereid om extra financiering te verstrekken. Hierna toonde een derde financier, de heer Kroeze, zich bereid om [Holding] financieel te steunen, mits NOM zou worden uitgekocht. NOM heeft desgevraagd schriftelijk kenbaar gemaakt dat zij genoegen zou nemen met een bedrag van ƒ 2,0 miljoen, terwijl zij wist, althans kon weten dat dit voorstel irreëel was voor een bedrijf dat er financieel slecht voorstond. NOM heeft daarmee haar eigen belang boven het belang van de ondernemingen van [gedaagde sub 2] gesteld en NOM heeft hierdoor het scenario van een faillissement zelf in gang gezet.

3.4 Nadat hierna door de ING Bank het krediet van [Holding] definitief was opgezegd en deze zich als enige financier van [Holding] had teruggetrokken, terwijl belangrijke debiteuren niet meer wilden betalen, ontstond er een situatie waarin [Holding] niet meer in staat was om de (circa) 160 werknemers loon en vakantiegeld te betalen. In deze periode was NOM voor [gedaagde sub 2] niet bereikbaar. Op grond van deze omstandigheden was een aanvraag van surséance van betaling en waren de faillissementen onontkoombaar.

3.5 Onder voormelde omstandigheden bestond er voor [gedaagde sub 1] geen verplichting om toestemming te vragen voor de aanvragen als hiervoor genoemd. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] hebben het vennootschappelijk belang voorop gesteld. Hierdoor konden andere (wettelijke) bepalingen opzij worden gezet, terwijl NOM in de situatie waarin [Holding] en de werkmaatschappijen verkeerden niets anders had kunnen doen dan toestemming geven voor de aanvraag van surséance en faillissementen. Hierbij zij opgemerkt dat NOM kort voor deze aanvragen zelf een de aanvraag van een surséance van betaling trachtte te initiëren en de huidige situatie was niet anders dan de situatie op het moment waarop NOM zelf de surséance van [Holding] had willen vragen. Impliciet is toestemming verleend voor de surséance. Op grond van artikel 2:9 BW mocht [gedaagde sub 1] in het kader van een behoorlijke taakvervulling handelen als zij heeft gedaan.

3.6 [gedaagde sub 2] betwist dat hij aansprakelijk is voor het handelen van Willemsem Beheer. Daar komt bij dat aan NOM als aandeelhoudster geen zelfstandige actie toekomt tot schadevergoeding wegens waardevermindering van aandelen op grond van onbehoorlijke taakvervulling van [gedaagde sub 2]. Er is geen sprake van dat [gedaagde sub 2] persoonlijk onrechtmatig heeft gehandeld jegens NOM als aandeelhoudster. Bovendien is geen schade geleden. NOM weet als geen ander dat beleggen risico's met zich meebrengt en de door NOM gehouden aandelen in het kapitaal van [gedaagde sub 1] vertegenwoordigen niet het door NOM genoemde bedrag. De aandelen waren vrijwel niets meer waard.

4. Standpunt Forrester en [gedaagde sub 4]

4.1Forrester is niet ingeschakeld door [gedaagde sub 1], maar door de directie van [Holding]. Forrester heeft advieswerkzaamheden verricht. [gedaagde sub 4] heeft deze werkzaamheden voor Forrester uitgevoerd. Deze adviezen zijn nimmer gericht op het toebrengen van schade aan derden. Forrester neemt voorts niet een zodanig bijzondere positie in dat zij aansprakelijk kan zijn jegens derden zonder dat er sprake is van een beroepsfout jegens hun opdrachtgever, hetgeen door NOM niet is gesteld. Bovendien waren de wijze waarop surséance van betaling en een faillissement diende te worden aangevraagd en de daarvoor geldende formaliteiten geen onderwerp van de rapportage.

4.2 Forrester heeft het gewraakte handelen van [gedaagde sub 1] niet uitgelokt. Forrester noch [gedaagde sub 4] is bevoordeeld ten koste van NOM. [gedaagde sub 4] stelt zich op het standpunt dat hij niet heeft gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die hij jegens de NOM in acht had behoren te nemen.

4.3 Tot slot betwisten Forrester en [gedaagde sub 4] dat NOM aanspraak kan maken op vergoeding van de buitengerechtelijke kosten. Van inspanningen van NOM om buitengerechtelijk haar schade vergoed te krijgen van Forrester en [gedaagde sub 4] is beiden niets bekend.

5. Beoordeling van het geschil tussen NOM en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]:

5.1 NOM heeft zowel [gedaagde sub 1] als [gedaagde sub 2] aansprakelijk gesteld op grond van een tekortkoming in de nakoming van de participatie- en aandeelhoudersovereenkomst, alsmede op grond van onrechtmatige daad, omdat -zakelijk weergegeven- door [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] in strijd is gehandeld met de statuten van [Holding] door niet expliciet, voorafgaand aan het nemen van het besluit tot het doen van een aanvraag van surséance van betaling van [Holding], goedkeuring te vragen van aandeelhoudster NOM.

5.2 Naar het oordeel van de rechtbank komt aan NOM, als aandeelhoudster, die 49,9% van de aandelen houdt in het kapitaal van [Holding], een vordering toe op grond van onrechtmatige daad indien komt vast te staan dat de bestuurder van [Holding], [gedaagde sub 1], niet alleen jegens de vennootschap, maar daarenboven jegens NOM, een specifieke zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden, welke norm de bestuurder van [Holding], [gedaagde sub 1], jegens NOM in acht moest nemen. De rechtbank acht in dit verband van belang dat de statuten van [Holding] zijn gewijzigd ten tijde van de participatie van NOM in [Holding], namelijk op 31 oktober 2001 en dat in de gewijzigde statuten de bepaling is opgenomen dat goedkeuring nodig is van de algemene vergadering van aandeelhouders voor een aantal bestuursbesluiten, waaronder het bestuursbesluit tot het doen van een aanvraag van surséance van betaling. Volgens de rechtbank dient deze bepaling gezien het moment van tot stand komen, namelijk 31 oktober 2001, alsmede gezien haar inhoud, geacht te worden mede te strekken tot bescherming van aandeelhoudster NOM, die door de op dezelfde dag getekende participatie- en aandeelhoudersovereenkomst, een doorslaggevende stem had als aandeelhoudster bij het al dan niet verlenen van goedkeuring aan voornoemd bestuursbesluit.

Naar het oordeel van de rechtbank kan de hiervoor genoemde statutaire bepaling bezwaarlijk anders worden verstaan, dan dat de bestuurder van [Holding] voorafgaand aan het bestuursbesluit tot het doen van een aanvraag van surséance van betaling, expliciet toestemming had moeten vragen aan de algemene vergadering van aandeelhouders. Door het niet nakomen door de bestuurder van [Holding], [gedaagde sub 2] beheer, van de betreffende statutaire bepaling, heeft laatstgenoemde een zorgvuldigheidsnorm geschonden, welke zorgvuldigheidsnorm [gedaagde sub 1] niet alleen jegens de vennootschap, maar ook jegens NOM in acht had behoren te nemen.

5.3 De rechtbank overweegt vervolgens dat bij de beantwoording van de vraag of de bestuurder van [Holding], [gedaagde sub 1], op grond hiervan aansprakelijk kan worden gehouden op grond van onrechtmatige daad, eerst de vraag beantwoord dient te worden of [gedaagde sub 1] aansprakelijk is jegens de vennootschap, zodat aansluiting dient te worden gezocht bij het bepaalde in artikel 2:9 BW. Volgens vaste jurisprudentie dient dit artikel aldus te worden uitgelegd dat een bestuurder pas jegens de vennootschap aansprakelijk is wegens onbehoorlijke taakvervulling, indien komt vast te staan dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen. In het onderhavige geval, waarbij zowel de bestuurder van [Holding], [gedaagde sub 1], als de bestuurder van [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2], aansprakelijk is gesteld, niet door de vennootschap, maar door een aandeelhoudster, NOM, dient naar het oordeel van de rechtbank dezelfde norm te worden gehanteerd. Op grond hiervan concludeert de rechtbank dat eerst dan sprake is van aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad, indien als vaststaand kan worden aangenomen dat aan de bestuurder [gedaagde sub 1] (en/of aan [gedaagde sub 2]) een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank dient bij de beantwoording van de vraag of daarvan sprake is, rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval.

[gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] hebben in dit verband gesteld dat er een ernstig financieringstekort was bij [Holding]. NOM heeft gesteld dat begin februari 2002 gebleken is dat de liquiditeitsprognose onjuist is geweest. Volgens [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] heeft het financieringstekort ertoe geleid dat hierna in een kort tijdsbestek diverse scenario's aan de orde zijn geweest. Zo is het scenario van het doen van een aanvraag van surséance van betaling aan de orde geweest (waaraan NOM haar medewerking wenste te verlenen) en nadat de ING bank voor het eerst op 17 maart 2002 het krediet in rekening courant had opgezegd, het scenario van het toetreden van een nieuwe financier, onder de voorwaarde dat NOM zich zou laten uitkopen. Nu het vorenstaande niet door NOM is betwist, kan als vaststaand worden aangenomen dat deze scenario's de revue zijn gepasseerd. Volgens [gedaagde sub 2] heeft deze nieuwe financier zich terug getrokken, omdat NOM voor dit uitkopen een te hoog bedrag van ƒ 2,0 miljoen wilde bedingen. Vaststaat dat de ING bank hierna op 16 mei 2002 het krediet definitief heeft opgezegd, waarna belangrijke debiteuren niet meer wilden betalen en waardoor [Holding] niet meer in staat was om de (circa) 160 werknemers loon en vakantiegeld te betalen. Volgens [gedaagde sub 2] heeft hij het vennootschappelijk belang vooropgesteld door op dat moment de surséance van betaling aan te vragen, welke aanvraag in de gegeven omstandigheden volgens hem onafwendbaar was.

Gezien de hiervoor weergegeven omstandigheden is de rechtbank met [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] van oordeel dat de bestuurder van [Holding] ten tijde van het nemen van het besluit tot het doen van een aanvraag van surséance van betaling, rekening diende te houden met diverse vennootschappelijke belangen, waaronder de belangen van crediteuren en werknemers en aan de bestuurder van [Holding], [gedaagde sub 1], kwam in het kader van zijn taakvervulling als bestuurder tegenover de rechtspersoon -met in achtneming van door de wet en statuten aangegeven grenzen- een beoordelingsvrijheid toe.

Alhoewel de bestuurder van [Holding], [gedaagde sub 1], naar het oordeel van de rechtbank formeel toestemming had moeten vragen aan de algemene vergadering van aandeelhouders voor de aanvraag van de surséance van betaling, is in het licht van de hiervoor weergegeven omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, het niet nakomen van de goedkeuringsbepaling niet zodanig verwijtbaar dat sprake is van aansprakelijkheid op grond van onrechtmatig handelen van de bestuurder van [Holding].

Naar het oordeel van de rechtbank mocht de bestuurder van [Holding], [gedaagde sub 1], bij haar belangenafweging rekening houden met het feit dat een surséanceaanvraag in een eerder stadium, namelijk op 14 maart 2002, wel door NOM werd ondersteund. Dat NOM op 14 maart 2002 de bedoeling had om na de surséance van betaling een akkoord aan te bieden aan de schuldeisers, terwijl dat op 21 mei 2002 niet het geval was, doet hieraan niet af.

De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van NOM dat de bestuurder van [Holding] wist dat aandeelhoudster NOM zou worden benadeeld door de surséance van betaling, nu de bestuurder van [Holding], [gedaagde sub 1] in het kader van een behoorlijke vervulling van zijn taak niet alleen rekening diende te houden met de belangen van de aandeelhouders, maar ook met andere, vennootschappelijke belangen.

De door NOM aangevoerde -door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] betwiste- stelling dat NOM -onder voorwaarden- bereid was om alsnog een aanvullende financiering te verstrekken brengt de rechtbank, gezien de hiervoor beschreven situatie waarin [Holding] na terugtrekking van de (derde) financier kwam te verkeren, niet tot een ander oordeel.

5.4 Hiernaast komt aan NOM, als aandeelhoudster, een vordering toe op grond van onrechtmatige daad, indien komt vast te staan dat bij de bestuurder van [Holding], [gedaagde sub 1], sprake is geweest van een vooropgezet doel om NOM schade toe te brengen. NOM heeft in dit verband gesteld dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] opzettelijk en doelbewust de belangen van NOM hebben geschonden, dat met de voorgenomen doorstart bewust geen rekening is gehouden met de positie van NOM en dat [gedaagde sub 2] zich bewust van NOM heeft afgewend.

Nu geen van deze stellingen feitelijk is onderbouwd en uit de vaststaande feiten en omstandigheden op geen enkele wijze valt af te leiden dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de belangen van NOM opzettelijk of doelbewust hebben geschaad; zal de rechtbank aan deze stelling van NOM voorbijgaan.

5.5 Naar het oordeel van de rechtbank komt aan NOM, als crediteur van [Holding], slechts een vordering toe op grond van onrechtmatige daad, indien de bestuurder van [Holding], [gedaagde sub 1], bij het sluiten van de overeenkomst van geldlening, of daarna, heeft gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die de bestuurder jegens NOM als crediteur in acht had moeten nemen. Dit is gesteld noch gebleken.

Daar komt nog bij dat de in het geding zijnde statutaire goedkeuringsbepaling van [Holding], die door [gedaagde sub 1] niet is nageleefd, naar het oordeel van de rechtbank niet strekt tot bescherming van de crediteuren van [Holding]. De enkele omstandigheid dat de in het geding zijnde statutaire bepaling is overtreden, doet dan ook geen aansprakelijkheid jegens crediteuren van de vennootschap ontstaan. De vordering van NOM in haar hoedanigheid van crediteur van [Holding], dient dan ook te worden afgewezen.

5.6 Volgens NOM is niet alleen sprake van aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad, maar ook op grond van een tekortkoming in de nakoming van de participatie- en aandeelhoudersovereenkomst door [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1]. NOM heeft deze stelling dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de hiervoor genoemde overeenkomst niet nader onderbouwd, terwijl niet valt vast te stellen welke specifieke bepaling door de aandeelhoudster, [gedaagde sub 1], zou zijn geschonden. Deze stelling van NOM dient dan ook te worden gepasseerd.

Daar komt nog bij dat de in rechtsoverweging 1c beschreven bepaling in de participatie- en aandeelhoudersovereenkomst bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan dat een nadere invulling wordt gegeven aan de bevoegdheden van de aandeelhouders in het kader van de besluitvorming in de algemene vergadering van aandeelhouders. Deze bevoegdheden kunnen pas worden uitgeoefend nadat goedkeuring is gevraagd aan de algemene vergadering. Nu de statutaire goedkeuringsbepaling niet is nageleefd, kan van schending van de in rechtsoverweging 1c beschreven bepaling in de participatie- en aandeelhoudersovereenkomst geen sprake zijn. Tot slot overweegt de rechtbank in dit verband nog dat de rechtbank met [gedaagde sub 2] van oordeel is dat [gedaagde sub 2] zelf niet aansprakelijk kan worden gehouden voor niet nakoming van de participatie- en aandeelhoudersovereenkomst, aangezien deze slechts tot stand is gekomen tussen NOM, [Holding] en [gedaagde sub 1].

5.7 De rechtbank merkt tot slot op dat nu de bestuurder van [Holding], [gedaagde sub 1], naar het oordeel van de rechtbank niet aansprakelijk is op grond van onrechtmatig handelen, ook [gedaagde sub 2], die bestuurder is van [gedaagde sub 1], niet aansprakelijk is.

5.8 De rechtbank komt tot de conclusie dat de vorderingen van NOM dienen te worden afgewezen. De overige stellingen die NOM nog heeft aangevoerd leiden niet tot een ander oordeel, zodat deze onbesproken kunnen blijven. NOM zal als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van de procedure worden veroordeeld.

6. Beoordeling van het geschil tussen NOM en Forrester en [gedaagde sub 4]:

6.1 Volgens NOM hebben [gedaagde sub 4] en Forrester zich schuldig gemaakt aan uitlokking van wanprestatie en onrechtmatig handelen en hebben zij met de voorgenomen 'doorstart' van [Holding] geen rekening gehouden met het belang van NOM. [gedaagde sub 4] kende het belang van NOM en hij heeft niet gehandeld als van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Forrester en [gedaagde sub 4] hebben zich hiertegen verweerd.

Nu de rechtbank in het geschil tussen NOM en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] heeft geoordeeld dat geen sprake is van wanprestatie, noch van onrechtmatig handelen van [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2], terwijl evenmin wanprestatie gepleegd is door [Holding], dient de stelling van NOM dat de wanprestatie en/of het onrechtmatig handelen door [gedaagde sub 4] en/of Forrester is uitgelokt, te worden verworpen.

6.2 De rechtbank is met Forrester en [gedaagde sub 4] van oordeel dat de stelling van NOM dat Forrester niet heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht, onvoldoende feitelijk is onderbouwd en deze stelling dient dan ook te worden gepasseerd.

Daar komt nog bij dat de rechtbank met Forrester en [gedaagde sub 4] van oordeel is dat NOM nader had moeten aangeven welke zorgvuldigheidsnorm Forrester, adviseur van [Holding] (niet van NOM) jegens NOM in acht had moeten nemen. Nu NOM dit heeft nagelaten en zonder nadere redengeving niet valt in te zien welke zorgvuldigheidsnorm door Forrester zou zijn geschonden, verwerpt de rechtbank de stelling van NOM dat sprake is van onrechtmatig handelen jegens NOM. Het enkele feit dat Forrester bij zijn advisering aan [Holding], die kampte met ernstige financiële tekorten, in de gegeven omstandigheden -bewust- geen rekening heeft gehouden met het belang van aandeelhoudster en crediteur NOM, wat er ook zij van deze onvoldoende onderbouwde en door Forrester en [gedaagde sub 4] betwiste stelling, brengt niet met zich mee dat door hen onrechtmatig is gehandeld. De rechtbank overweegt in dit verband ook nog dat Forrester, als adviseur van [Holding], niet de uiterst denkbare zorgvuldigheid jegens NOM in acht behoefde te nemen, terwijl voorts niet is gebleken dat bij Forrester het oogmerk van benadeling aanwezig is geweest.

6.3 Nu aan de stelling van NOM dat ook [gedaagde sub 4], als bestuurder van Forrester, jegens NOM onrechtmatig heeft gehandeld, omdat hij in strijd heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die hij jegens NOM in acht had behoren te nemen; geen nadere feiten ten grondslag zijn gelegd, zal de rechtbank ook deze stelling passeren.

6.4 Op grond van het vorenstaande zal de rechtbank de vorderingen van NOM afwijzen. De overige stellingen die NOM nog aan haar vorderingen ten grondslag heeft gelegd kunnen onbesproken blijven, nu deze niet leiden tot een ander oordeel. NOM zal als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van de procedure worden veroordeeld.

BESLISSING

De rechtbank:

RECHT DOENDE,

in het geschil tussen NOM en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]

1. wijst de vorderingen af;

2. veroordeelt NOM in de kosten van de procedure, welke kosten worden begroot op

€ 3.632,00 aan verschotten en een bedrag van € 5.536,00 aan salaris procureur;

in het geschil tussen NOM en Forrester en [gedaagde sub 4]

3. wijst de vorderingen af;

4. veroordeelt NOM in de kosten van de procedure, welke kosten worden begroot op

€ 3.632,00 aan verschotten en een bedrag van € 5.536,00 aan salaris procureur;