Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2004:AT6827

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
24-05-2004
Datum publicatie
07-06-2005
Zaaknummer
AWB 04/820 WW HOB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft eiser medegedeeld dat hij met ingang van 29 december 2003 recht heeft op voortzetting van de loongerelateerde en vervolguitkering ingevolge de WW die eerder aan eiser was toegekend. Voorts is eiser medegedeeld dat hij geen recht heeft op een nieuwe kortdurende of een zogenoemde loongerelateerde en vervolguitkering omdat hij werkloos is geworden vanuit een cyclisch arbeidspatroon, waardoor eiser in perioden waarin hij niet of minder werkt geen recht heeft op een nieuwe WW-uitkering. [...]

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de laatstelijk door eiser verrichtte arbeid bij [inlener] moet worden aangemerkt als seizoenmatige arbeid. Daarbij is niet in geschil dat die werkzaamheden tijdens het campagneseizoen zijn verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

SECTOR BESTUURSRECHT

ENKELVOUDIGE KAMER

Reg.nr.: AWB 04/820 WW HOB

U I T S P R A A K

inzake het geschil tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. H.J. de Wit,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekering (UWV), verweerder.

1. ONDERWERP VAN GESCHIL

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 23 juni 2004.

Bij dat besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser van 22 maart 2004 tegen de beslissing van 17 februari 2004, waarbij aan eiser een (voortzetting van een nieuwe kortdurende of een zogenoemde loongerelateerde) uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) is geweigerd, ongegrond verklaard en het besluit van 17 februari 2004 gehandhaafd.

2. ZITTING

Het geschil is behandeld op de zitting van 11 april 2005. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. S.T. Dieters.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en het onderzoek, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht op 10 mei 2005 gesloten.

3. BEOORDELING VAN HET GESCHIL

3.1 Feiten

Eiser, geboren op […] 1963, is laatstelijk voor de periode van 15 september 2003 tot 15 maart 2004 een uitzendovereenkomst aangegaan met [uitzendburo], uitzendorganisatie te Groningen (hierna: [uitzendburo]). In dat kader heeft eiser in de periode van 16 september 2003 tot en met 12 december 2003 werkzaamheden verricht als “opzakker” bij [inlener] te [plaats]. In verband met de beëindiging van die werkzaamheden én het beëindigen van een uitkering ingevolge de Ziektewet op 29 december 2003 heeft eiser zich tot verweerder gewend met het verzoek hem in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de WW.

Verweerder heeft eiser bij besluit van 17 februari 2004 medegedeeld dat hij met ingang van 29 december 2003 recht heeft op voortzetting van de loongerelateerde en vervolguitkering ingevolge de WW die eerder aan eiser was toegekend. Voorts is eiser medegedeeld dat hij geen recht heeft op een nieuwe kortdurende of een zogenoemde loongerelateerde en vervolguitkering omdat hij werkloos is geworden vanuit een cyclisch arbeidspatroon, waardoor eiser in perioden waarin hij niet of minder werkt geen recht heeft op een nieuwe WW-uitkering.

Tegen vorengenoemd besluit heeft eiser tijdig bezwaar gemaakt, waarna hij op 22 juni 2004 gebruikt heeft gemaakt van de gelegenheid om op een (telefonische) hoorzitting zijn bezwaren toe te lichten.

Bij het thans bestreden besluit van 23 juni 2004 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers werkzaamheden bij [inlener] niet als seizoenmatige arbeid kunnen worden aangemerkt en sprake is van een cyclisch patroon, welk patroon niet wordt doorbroken.

Tegen dat besluit heeft eiser tijdig beroep ingesteld omdat hij van mening is dat sprake is van seizoensmatige arbeid. Ter zitting heeft hij aangevoerd dat zijn werkzaamheden gedurende het campagneseizoen zien op het zogenaamde opzakken van suiker in hoeveelheden van 50 kilogram. Buiten het campagneseizoen zien de werkzaamheden op het opzakken van suiker in hoeveelheden van 25 kilogram.

Verweerder heeft ook na nader onderzoek na schorsing van de zitting zijn standpunt dat sprake is van seizoenmatige arbeid gehandhaafd. Zijn standpunt heeft verweerder doen gronden op informatie van eisers laatste werkgever, mevrouw J. Westers van [uitzendburo] en de heer Braams, personeelsmanager bij [inlener].

3.2 Rechtsoverwegingen

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de laatstelijk door eiser verrichtte arbeid bij [inlener] moet worden aangemerkt als seizoenmatige arbeid. Daarbij is niet in geschil dat die werkzaamheden tijdens het campagneseizoen zijn verricht.

De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

In artikel 4b, zesde lid van de Regeling gelijkstelling niet gewerkte uren met gewerkte uren van 18 december 1986, nr. 8025, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 16 april 2002, Stcrt. 2002, 84 (hierna: de Regeling) is bepaald dat onder seizoenmatige arbeid wordt verstaan arbeid die naar zijn aard op klimatologische gronden seizoensgebonden is of hieraan direct is gerelateerd en daardoor slechts gedurende één of meer bepaalde jaarlijks terugkerende periodes beschikbaar is of wordt verricht. Voorts is bepaald dat er geen sprake is van seizoenmatige arbeid als de werkzaamheden slechts uit bedrijfseconomische motieven of om organisatorische redenen geconcentreerd zijn in één of meer jaarlijks terugkerende periodes.

Met het oog op de uitvoering van artikel 4b van de Regeling heeft verweerder vastgesteld het Besluit interpretatie seizoenmatige arbeid, gepubliceerd in de Stcrt. 2002, nr. 100; hierna: het Besluit).

In dat besluit is het beleid weergegeven dat verweerder ter zake van seizoensmatige arbeid hanteert.

Aangegeven is dat het bij seizoensmatige arbeid gaat om specifieke werkzaamheden die uitsluitend kunnen plaatsvinden vanwege (gunstige) klimatologische omstandigheden. Daarbij is benadrukt dat als om bedrijfseconomische of organisatorische motieven het werk geconcentreerd is in bepaalde jaarlijkse perioden er géén sprake is van seizoenmatige arbeid. Voorts is aangegeven dat onder arbeid die naar zijn aard vanwege klimatologische omstandigheden slechts gedurende één of meer jaarlijks terugkerende periodes beschikbaar is of verricht kan worden, ook wordt verstaan arbeid in bedrijven die één of meer perioden van het jaar volledig worden gesloten of afgebroken en deze sluiting of afbraak plaatsvindt op klimatologische gronden. Het gaat daarbij uitsluitend om bedrijven die gesloten of afgebroken worden omdat de bedrijfsactiviteiten rechtstreeks door klimatologische omstandigheden worden belemmerd. Hieronder worden niet begrepen bedrijven wier activiteiten indirect het gevolg zijn van de klimatologische omstandigheden.

Niet is gebleken dat het beleid van verweerder ter zake onredelijk is te achten.

Naar het oordeel van de rechtbank is genoegzaam bewezen en overigens ook niet door eiser weersproken dat de fabriek na de suikercampagne niet wordt gesloten maar dat de verwerking van de tijdens de campagne geproduceerde suiker het gehele jaar door plaatsvindt. Voorts is genoegzaam bewezen en ook niet door eiser weersproken dat het zogeheten opzakken van suiker het gehele jaar door plaatsvindt. Weliswaar geschiedt het opzakken van suiker in 50 kilogramzakken voornamelijk in de campagne maar dat gebeurt om bedrijfseconomische redenen.

Nu derhalve de werkzaamheden van eiser bestaande uit het opzakken van suiker het gehele jaar door plaatsvinden en het opzakken van suiker in 50 kilogramzakken slechts uit bedrijfseconomische motieven geconcentreerd is in een jaarlijks terugkerende periode is gelet op het bepaalde in artikel 4b, zesde lid van de Regeling geen sprake van seizoenmatige arbeid.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het beroep van eiser ongegrond moet worden verklaard.

4. BESLISSING

De rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. M.P. den Hollander, rechter, en door haar in het openbaar uitgesproken op24 mei 2005

in tegenwoordigheid van M. Lammerts-Rannenburg griffier.

De griffier, De rechter,

De rechtbank wijst er op, dat partijen en andere belanghebbenden binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.

Afschrift verzonden op:

typ: ML