Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2004:AS1974

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
28-05-2004
Datum publicatie
10-01-2005
Zaaknummer
AWB 04/274 BESLU V05
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Op 24 oktober 2003 hebbende de bevoegde autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk van Groot Brittannië (verder te noemen VK) een verzoek gedaan aan het Douane Informatiecentrum in haar hoedanigheid van bevoegde autoriteit, inhoudende tot verstrekking van gegevens met betrekking tot een zending Malibu-rum, welke omstreeks 11 augustus 2003 aan verzoekster zou zijn geleverd. Verzoekster heeft deze zending gekocht van [verkoper] Trading Corp.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

SECTOR BESTUURSRECHT

Reg.nr.: AWB 04/274 BESLU V05

U I T S P R A A K

van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van

[verzoekster] Shipstores, handelend onder de naam [handelsnaam] B.V.,

gevestigd te [plaats], verzoekster,

gemachtigde mr. J.H. Peek,

ten aanzien van het besluit van 5 maart 2004, van

de Staatssecretaris van Financiën, verweerder,

gemachtigde J.W.J. Swinkels.

1. PROCESVERLOOP

Verweerder heeft bij besluit van 5 maart 2004 verzoekster er van in kennis gesteld dat verweerder heeft besloten de door verzoekster verstrekte gegevens en de daarbij behorende bijlagen aan de bevoegde douaneautoriteiten van Engeland te verstrekken. De inlichtingenverstrekking vindt niet eerder plaats dan na tien dagen na dagtekening van dit besluit.

Tegen dit besluit, verder te noemen het bestreden besluit, heeft verzoekster op 15 maart 2004 op grond van artikel 7:1, eerste lid, Awb, een bezwaarschrift ingediend.

Bij verzoekschrift van gelijke datum heeft verzoekster de voorzieningenrechter gevraagd met betrekking tot het bestreden besluit een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat het bestreden besluit wordt geschorst dan wel dat aan het bestreden besluit geen rechtsgevolg wordt gegeven tot de (on)rechtmatigheid van de uitwisseling van informatie onherroepelijk is vastgesteld dan wel subsidiair tot op het bezwaarschrift is beslist, een en ander onder veroordeling van verweerder in de proceskosten en onder vergoeding van het griffierecht.

Verweerder heeft op 29 maart 2004 de op de zaak betrekking hebbende stukken toegestuurd en een verweerschrift ingediend.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, aan partijen verzonden.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de voorzieningenrechter van 13 mei 2004 en vervolgens opnieuw op 25 mei 2004.

Namens verzoekster zijn aldaar mr. J.H. Peek en mr. A. A. Feenstra verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de heer J.W.J. Swinkels en de heer G.H. Jensen.

2. RECHTSOVERWEGINGEN

Feiten en standpunten van partijen

Op 24 oktober 2003 hebbende de bevoegde autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk van Groot Brittannië (verder te noemen VK) een verzoek gedaan aan het Douane Informatiecentrum in haar hoedanigheid van bevoegde autoriteit, inhoudende tot verstrekking van gegevens met betrekking tot een zending Malibu-rum, welke omstreeks 11 augustus 2003 aan verzoekster zou zijn geleverd. Verzoekster heeft deze zending gekocht van Ezcony Trading Corp.

Uit onderzoek is gebleken dat op 8 september 2003 12.000 flessen Malibu-rum bij verzoekster zijn aangekomen en verzoekster deze lading heeft opgeslagen.

Op 28 oktober 2003 zijn door verzoekster 3.600 flessen verkocht aan een afnemer. Voorts zijn op 7 november 2003 3.600 flessen verkocht aan een andere afnemer. Op 27 november 2003 zijn 3.600 flessen verkocht aan een derde afnemer. De overige 1.800 flessen lagen ten tijde van het onderzoek nog opgeslagen bij verzoekster.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder verzoekster er van op de hoogte gesteld dat onder meer deze informatie zal worden verstrekt aan de bevoegde autoriteit van het VK.

Bij bezwaarschrift heeft verzoekster aangevoerd dat met het bezwaarschrift wordt beoogd te verifiëren of de inlichtingenuitwisseling met het Verenigd Koninkrijk rechtmatig zal geschieden, waarbij verweerder wordt verzocht verzoekster nader te informeren en documenteren omtrent een aantal onderwerpen.

Wettelijk kader.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Richtlijn 77/799/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de Lidstaten op het gebied van de directe belastingen (verder te noemen de Richtlijn) verstrekken de bevoegde autoriteiten van de Lidstaten elkaar alle inlichtingen die hen van nut kunnen zijn voor een juiste vaststelling van de belastingschuld op het gebied van de belastingen naar het inkomen en vermogen.

Ten behoeve van de nakoming van de Richtlijn strekken de bepalingen van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen (hierna te noemen WIB).

Ingevolge artikel 1, eerste lid, WIB strekken de bepalingen van deze wet ten behoeve van de nakoming van verplichtingen die voortvloeien uit richtlijnen van de Raad van de Europese Gemeenschappen en uit andere regelingen van internationaal en interregionaal recht tot het verlenen van wederzijdse bijstand bij de heffing van belastingen naar het inkomen, de winst en het vermogen, de heffing van belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht en schenkingen, alsmede de heffing van omzetbelasting en van accijns.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, WIB kan Onze Minister op verzoek van een bevoegde autoriteit haar de inlichtingen verstrekken waarom zij vraagt en die voor haar van belang kunnen zijn bij de heffing van een van de in artikel 1 bedoelde belastingen.

Het tweede lid van dit artikel bepaald dat Onze Minister degene van wie de inlichtingen afkomstig zijn en die in Nederland woont of is gevestigd in kennis stelt van zijn besluit tot inwilliging van het verzoek om inlichtingen.

Bij de kennisgeving geeft Onze Minister een omschrijving van de te verstrekken inlichtingen en vermeldt hij de bevoegde autoriteit van wie het verzoek afkomstig is.

Ingevolge het derde lid geldt bij een besluit als bedoeld in het tweede lid, in afwijking van artikel 8:1 Awb uitsluitend als belanghebbende degene tot wie de kennisgeving van het besluit is gericht.

Voorts bepaalt het vierde lid dat, tenzij dringende redenen daartoe aanleiding geven, aan de inwilliging van het verzoek om inlichtingen geen uitvoering wordt gegeven dan na tien dagen na de dagtekening van de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, WIB laat Onze Minister door een ambtenaar van de rijksbelastingdienst zo nodig een onderzoek instellen ten behoeve van de verstrekking van inlichtingen, bedoeld in de artikelen 5, 6 of 7.

Blijkens het tweede lid van dit artikel zijn bij het in het eerste lid bedoelde onderzoek de bepalingen van Hoofdstuk VIII, afdeling 2, met uitzondering van artikel 53, tweede en derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Algemene Wet) van overeenkomstige toepassing.

Artikel 13, derde lid, WIB bepaalt dat Onze Minister geen inlichtingen behoeft te verstrekken indien daarmede een commercieel, een industrieel of een beroepsgeheim zou worden onthuld.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, WIB is het bepaalde betreffende de verplichting tot geheimhouding in artikel 67 Algemene wet van overeenkomstige toepassing op de inlichtingen die door een bevoegde autoriteit zijn verstrekt, alsmede op inlichtingen die bij een onderzoek, als is bedoeld in artikel 8, zijn verkregen.

Artikel 67 Algemene Wet Rijksbelastingen bepaalt dat het een ieder is verboden hetgeen hem in enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet, of in verband daarmede, nopens de persoon of de zaken van een ander blijkt of medegedeeld wordt, verder bekend te maken dan nodig is voor de uitvoering van de belastingwet of voor de heffing of de invordering van enige rijksbelasting.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan Onze Minister ontheffing verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod.

Beoordeling van het verzoek

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb, kan, voor zover hier van belang, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

1. Spoedeisend belang.

De voorzieningenrechter acht in voldoende mate spoedeisend belang aanwezig nu de betreffende kennisgeving als rechtsgevolg heeft het, in beginsel, binnen 10 dagen verstrekken van informatie aan de douane van het VK.

2. Connexiteit.

De voorzieningenrechter stelt onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 5, derde lid, WIB vast dat verzoekster als belanghebbende bezwaar en beroep kan aantekenen tegen de aan haar gerichte kennisgeving. Nu verzoekster bezwaar heeft aangetekend kan zij in haar verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening worden ontvangen.

3. Omvang geschil.

Het onderhavige geschil beperkt zich, gezien de strekking van het besluit van 5 maart 2004, tot het besluit tot verstrekking van gegevens aan de douane van het VK en strekt zich niet zich niet uit tot de weigering bepaalde gegevens aan verzoekster te verstrekken.

4. Toepassing artikel 8:29 Awb.

Wel heeft verweerder ten aanzien van één stuk, het verzoek van de bevoegde autoriteiten van het VK van 24 oktober 2003, verzocht op basis van het bepaalde in artikel 8:29 Awb de kennisneming te beperken tot kennisneming door de rechtbank.

Bij tussenbeschikking van 18 mei 2004, welke als bijlage bij de onderhavige uitspraak is gevoegd, heeft de voorzieningenrechter deze beperkte kennisneming gerechtvaardigd geacht.

Verzoekster heeft vervolgens de voorzieningenrechter toestemming verleend mede op grond van dit betreffende stuk uitspraak te doen.

5. Procesbelang.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in het uitgangspunt van bescherming van de privacy, gecombineerd met het gegeven dat het bestreden besluit het verstrekken van van verzoekster afkomstige gegevens aan derden, in dit geval de bevoegde autoriteiten van het VK, betreft reeds een voldoende procesbelang gelegen.

Daarnaast is de voorzieningenrechter van oordeel dat in de niet op voorhand volledig uitgesloten mogelijkheid dat deze gegevens niet alleen bij deze bevoegde autoriteiten terecht komen, maar ook bij derden ten aanzien van wie op basis van onder andere deze gegevens belasting wordt geheven, ook een procesbelang gelegen is, met name nu deze gegevens de namen van afnemers van verzoekster bevatten.

Hetgeen verweerder dienaangaande heeft aangevoerd, namelijk dat het niet aannemelijk is dat deze gegevens, waaronder de identiteit van de afnemers, direct ten grondslag worden gelegd aan een belastingheffing ten aanzien van een ander dan verzoekster en dat dus verstrekking daarvan aan een ander wegens strijd met het bepaalde in artikel 67 van de Wet op de Rijksbelastingen niet aan de orde kan zijn, heeft de voorzieningenrechter niet kunnen overtuigen. Ingevolge het bepaalde in artikel 1 WIB gecombineerd met het bepaalde in artikel 5, eerste lid, WIB kunnen immers gegevens alleen verstrekt worden indien deze van belang zijn voor de heffing van een aantal belastingen. Als de betreffende gegevens niet mogelijk van belang zouden kunnen zijn voor de heffing van belasting van een ander dan van verzoekster had verweerder deze derhalve in het geheel niet mogen verstrekken. Nu verweerder daartoe wel heeft besloten kan de conclusie niet anders zijn dan dat deze gegevens, als ten grondslag liggend aan een heffing, mogelijk ook aan degene van wie geheven wordt kunnen worden verstrekt.

6. Rechtmatigheidstoets.

Met verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat het geheel aan toepasselijke artikelen uit de WIB en uit de Richtlijn, en dan met name ook de preambule behorend bij deze Richtlijn, wijzen in de richting van een plicht van verweerder om, indien aan de voorwaarden zoals omschreven in artikel 5, eerste lid, WIB is voldaan, over te gaan tot verstrekking van de door de bevoegde autoriteiten van het VK gevraagde gegevens. Er is derhalve geen sprake van een bevoegdheid tot het verstrekken van gegevens, maar van een plicht. Voor een algemene belangenafweging is bij het nemen van deze beslissing dus geen plaats. Verweerder heeft deze dan ook terecht achterwege gelaten.

Wel dient verweerder het verzoek tot het verstrekken van gegevens te toetsen aan de in artikel 5, eerste lid, WIB genoemde voorwaarden (het moet gaan om een verzoek van een bevoegde autoriteit, enkel de inlichtingen waarom wordt gevraagd mogen worden verstrekt en die inlichtingen moeten van belang kunnen zijn bij de heffing van één van de in artikel 1 WIB genoemde belastingen).

Namens verzoekster is gesteld dat verweerder in het bestreden besluit in het geheel heeft nagelaten de beslissing tot het verstrekken van gegevens te motiveren.

De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat het resultaat van voornoemde toets in het bestreden besluit niet terug te vinden is.

Verweerder heeft aangegeven dat het bepaalde in artikel 5, tweede lid, WIB daaraan in de weg staat. Volgens verweerder schrijft dit artikel limitatief voor wat in een kennisgeving vermeld kan worden en wordt daarmee in een specifieke wet een inbreuk gemaakt op het in de artikelen 3:46, 3:47 en 7:12 Awb, als algemene wet, neergelegde motiveringsbeginsel.

De voorzieningenrechter kan verweerder in deze redenering niet volgen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter regelt het bepaalde in artikel 5, tweede lid, WIB aan wie en op welke wijze een besluit tot het verstrekken van inlichtingen aan een andere lidstaat bekend moet worden gemaakt en beoogt deze bepaling geenszins een inbreuk te maken op het in de Awb verankerde motiveringsbeginsel. Indien het de bedoeling van de wetgever zou zijn geweest een dergelijke vergaande inbreuk op dit beginsel te maken had dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter expliciet uit de betreffende bepaling moeten blijken.

De voorzieningenrechter kan verzoekster dan ook volgen in het standpunt dat het bestreden besluit een voldoende motivering ontbeert. Nu deze motivering echter in heroverweging alsnog door verweerder gegeven kan worden ziet de voorzieningenrechter in enkel de schending van het motiveringsbeginsel geen aanleiding het bestreden besluit te schorsen.

Op basis van de voorhanden zijn gedingstukken stelt de voorzieningenrechter vast dat aan alle in artikel 5, eerste lid, WIB genoemde voorwaarden is voldaan: er is een verzoek van een bevoegde autoriteit, de te verstrekken inlichtingen betreffen inlichtingen waarom is verzocht, en om deze inlichtingen is verzocht omdat deze van belang kunnen zijn bij de heffing van één van de in artikel 1 WIB genoemde belastingen, namelijk de accijnzen.

Op basis hiervan is derhalve naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen aanleiding aan te nemen dat het bestreden besluit de rechtmatigheidstoets niet zou kunnen doorstaan.

Namens verzoekster is aangegeven dat het bepaalde in artikel 13, derde lid, WIB aan verstrekking van de betreffende inlichtingen in de weg staat.

Verzoekster heeft betoogd dat zij zich bezig houdt met (parallel) handel en dat dus de kring van zakenrelaties behoort tot de essentie van haar bedrijfsvoering. Indien de producent op de hoogte raakt van de afnemers en leveranciers c.q. de leveranciers van verzoekster van haar afnemers bestaat de mogelijkheid dat deze producent /leverancier in de toekomst zonder tussenkomst van verzoekster producten afzet, waardoor verzoekster schade lijdt. Daarom is verzoekster van oordeel dat in haar specifieke situatie de identiteit van de zakenpartners valt onder het begrip “commercieel geheim” als bedoeld in artikel 13, derde lid, WIB.

Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat artikel 13, derde lid, WIB ziet op bedrijfsprocessen, productiewijzen en dergelijke, en niet op de identiteit van zakenpartners.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hangt de invulling van de in het voornoemde artikel gebezigde begrippen mede af van de aard van de activiteiten van degene om wiens gegevens het gaat. Nu onthulling van de identiteit van de zakenrelaties verzoekster zou kunnen treffen in de essentie van haar bedrijfsvoering, zoals eerder is overwogen is immers niet uitgesloten dat deze gegevens ook in handen komen van anderen dan van de bevoegde autoriteiten, is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze informatie in de situatie van verzoekster valt onder de begrippen “commercieel belang”. Het bepaalde in artikel 13, derde lid WIB staat dan aan verstrekking van de gevraagde gegevens in de weg, voorzover deze betreffen de identiteit van de afnemers van verzoekster.

Dit brengt met zich dat naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter het bestreden besluit niet rechtmatig is.

Het verzoek van verzoekster wordt derhalve toegewezen in die zin dat het bestreden besluit wordt geschorst tot het einde van de beroepstermijn tegen het door verweerder te nemen besluit op het bezwaar van verzoekster.

Nu het bestreden besluit wordt geschorst ziet de voorzieningenrechter aanleiding op grond van artikel 8:82, vierde lid, Awb te bepalen dat het door verzoekster betaalde griffierecht ad € 273,- door verweerder aan haar wordt vergoed.

Voorts acht de voorzieningenrechter termen aanwezig verweerder op de voet van artikel 8:75, eerste lid, juncto artikel 8:84, vierde lid, Awb te veroordelen in de kosten die verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening redelijkerwijs heeft moeten maken en wijst verweerder aan als de rechtspersoon die deze kosten moet betalen. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt de voorzieningenrechter deze kosten op € 805,-, zoals nader aangegeven in een bij de uitspraak gevoegde bijlage.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

- wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht toe;

- schorst het bestreden besluit tot en met zes weken na de datum van bekendmaking van de door verweerder te nemen beslissing op het bezwaar van verzoekster;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 273,- aan verzoekster vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster, die zijn vastgesteld op € 805,-, en bepaalt dat de gemeente Haren verzoekster deze kosten dient te betalen.

Aldus gegeven door mr. D.J. Klijn als voorzieningenrechter en in het openbaar door hem uitgesproken op 25 mei 2004, in tegenwoordigheid van mr. A. van der Wal als griffier.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Afschrift verzonden op:

typ: cbr

Tegen de uitspraak staat geen rechtsmiddel open.