Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2004:AR1050

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
10-09-2004
Datum publicatie
10-09-2004
Zaaknummer
73978 KGZA 04-278
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter gebiedt de gemeente Groningen om de theaterrode vloerbedekking weer aan te brengen in de stadsschouwburg, in verband met de aantasting van het kunstwerk (plafondschildering).

Wetsverwijzingen
Ambtenarenwet 2017
Ambtenarenwet 2017 25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2004, 545
JIN 2004/37
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

DE VOORZIENINGENRECHTER IN KORT GEDING

Reg.nr.: 73978 KGZA 04-278

Datum uitspraak: 10 september 2004

V O N N I S

in de zaak van:

[kunstenares],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

procureur mr. J.P. van Stempvoort,

en

DE GEMEENTE GRONINGEN,

gevestigd te Groningen,

gedaagde,

procureur mr. J.H. Leerink.

PROCESVERLOOP

Eiseres heeft gedaagde doen dagvaarden in kort geding.

De vordering strekt ertoe bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

A. gedaagde te veroordelen om binnen 15 dagen na betekening van dit vonnis over te gaan (1) tot het (wederom) aanbrengen en aangebracht houden van in de Stadsschouwburg Groningen ook elders in het gebouw gehanteerde theaterrode vloerbedekking/lopers in die ruimten die in verbinding staan met het kunstwerk (hal, trappen naar de foyer en foyerruimte), voorts (2) tot het ongedaan maken van de donkerblauwe beschildering van de wanden langs trappen en toegang en in de nis en de foyer vlakbij de schildering van het herstel en hersteld houden van de witte wanden in de witte kleur van vóór de ingreep als bedoeld in productie 1a sub 2, voorts (3) het wederom aanbrengen van de kroonluchter, voorts tot (4) het wederom aanbrengen van de balustrade, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van ? 25.000,-- per dag(deel) dat gedaagde na betekening van dit vonnis enige veroordeling uit dit vonnis overtreedt;

B. de redelijke termijn als bedoeld in artikel 260 Rv te bepalen op zes maanden na betekening van dit vonnis;

C. gedaagde te veroordelen in de kosten van dit geding.

Op de voor de behandeling bepaalde dag, 31 augustus 2004, heeft de voorzieningenrechter de situatie ter plaatse opgenomen alvorens de zaak ter zitting te behandelen. Daarbij is eiseres verschenen, vergezeld van mr. Van Stempvoort.

Gedaagde is verschenen in de persoon van [naam 1] en [naam 2], vergezeld van mr. Leerink.

Na de plaatsopneming is de behandeling in het gerechtsgebouw voortgezet.

Eiseres heeft conform de dagvaarding voor eis geconcludeerd, waarbij zij producties in het geding heeft gebracht.

Gedaagde heeft verweer gevoerd tegen de vordering en geconcludeerd eiseres hierin niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel deze af te wijzen, met veroordeling van eiseres in de kosten van de procedure.

Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en pleitnotities overgelegd.

Teneinde partijen in de gelegenheid te stellen een minnelijke regeling te betrachten, is de behandeling aangehouden.

Eiseres heeft aan de voorzieningenrechter doen weten dat partijen geen minnelijke regeling hebben bereikt.

Partijen hebben ten slotte vonnis gevraagd.

De uitspraak is bepaald op 10 september 2004.

RECHTSOVERWEGINGEN

1. Vaststaande feiten:

1.1. Eiseres heeft in het midden van de jaren tachtig van de vorige eeuw in opdracht van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen het plafond van de grote zaal van de Stadsschouwburg te Groningen beschilderd.

In de terzake opgemaakte overeenkomst is onder meer het volgende vermeld:

"(...)

1.1

Opdrachtgever verleent opdracht aan opdrachtneemster om een werk van beeldende kunst van de volgende omschrijving te vervaardigen:

- beschildering van de plafonds van de grote zaal van de Stadsschouwburg in Groningen, overeenkomstig het dd. 20 april 1983 door partijen aanvaardde ontwerp-

(...)

1.3

Opdrachtneemster aanvaardt in principe de door opdrachtgever aangeboden opdracht tot het aanbrengen van een kunstzinnige beschildering van het plafond van de vide-foyer, welke beschildering in het ontwerp ideeën-schets een twee-eenheid vormt met het grote plafond.

Deze opdracht zal in een nader kontrakt worden geregeld.

(...) ".

1.2. Bedoelde nadere overeenkomst is in 1985 tot stand gekomen.

Daarin is onder meer het volgende opgenomen:

"(...)

1.1

Opdrachtgever verleent opdracht aan opdrachtneemster om een werk van beeldende kunst van de volgende omschrijving te vervaardigen:

- beschildering van het plafond van de vide-hal van de Stadsschouwburg in Groningen, overeenkomstig een door partijen schriftelijk aanvaard ontwerp, waarbij geldt dat opdrachtneemster de kleuren nader zal presenteren overeenkomstig het door haar bij brief van 1 juni 1984 gegeven kleurenschema

(...)".

1.3. De beschildering van de grote zaal is in 1984 en de schildering in de vide-foyer is in 1986 voltooid.

1.4. De vide is in hetzelfde tijdvak (omstreeks 1984) gerealiseerd door verwijdering van een deel van de sedert de stichting van de Stadsschouwburg in 1883 aanwezige tussenvloer.

1.5. In de zomer van 2004 heeft gedaagde een aantal aanpassingen in de Stadsschouwburg verricht: de vide tussen de hal en foyer is dichtgemaakt en de kleurstelling op de wanden en vloeren is gewijzigd.

1.6. Nadat eiseres over de voorgenomen aanpassingen had vernomen, heeft zij bij brief van 5 juli 2004 aan de directeur van de Stadsschouwburg, [directeur], haar bezorgdheid geuit over het verdwijnen van de vide en de voorgenomen 'moderne' kleuren op wanden en deuren en de desastreuze gevolgen daarvan voor de plafondschildering.

1.7. Bij brief van 16 augustus 2004 heeft de raadsman van eiseres gedaagde verzocht om verwijdering van de aangebrachte tussenvloer.

Het college van burgemeester en wethouders heeft bij schrijven van 18 augustus 2004 aan eiseres doen weten dat - mede omdat de berekening van de vloerconstructie in de vide niet geheel voldeed aan de daaraan te stellen eisen - besloten was de vide in de oorspronkelijke staat te hertellen. In diezelfde brief is vermeld dat de burgemeester van de gemeente Groningen eiseres eerder op 10 augustus 2004 telefonisch heeft geïnformeerd over het dichten van de vide en namens het college van burgemeester en wethouders zijn verontschuldigingen heeft aangeboden voor het feit dat met eiseres geen contact is gelegd voorafgaand aan die bouwkundige wijziging.

1.8. De raadsman van eiseres heeft vervolgens bij schrijven van 19 augustus 2004 aan gedaagde verzocht hem uiterlijk 20 augustus 2004 te 16.00 uur te melden dat herstel van de oude toestand daadwerkelijk zou betekenen dat de oorspronkelijke toestand volledig zou worden hersteld, waaronder begrepen de kleurstelling in de omgeving van het door eiseres vervaardigde kunstwerk.

1.9. Het college van burgemeester en wethouders heeft in antwoord daarop bij brief van 24 augustus 2004 aan de raadsman van eiseres onder meer het volgende medegedeeld:

"Wij zijn, zoals eerder gezegd, geconfronteerd met aanpassingen in de schouwburg, die op het moment van constatering vrijwel geheel waren uitgevoerd. Daaraan lag een advies van een externe deskundige ten grondslag. Daargelaten het herstel van de vide in de oorspronkelijke staat tot en met balustrade en kroonluchter, zijn we voornemens het resterende totaal aan aanpassingen op te nemen in het verzoek tot afgifte van een bouw- en monumentenvergunning. Daarop wachten wij de reactie van die externe instantie af."

1.10. Omdat gedaagde de bij schrijven van 19 augustus 2004 door eiseres gevraagde toezegging niet tijdig heeft gedaan, heeft eiseres gedaagde in rechte betrokken.

1.11. Bij de plaatsopneming op 31 augustus 2004 is gebleken dat de vide en balustrade inmiddels was hersteld.

2. Beoordeling van het geschil:

2.1. Vooreerst overweegt de voorzieningenrechter dat in artikel 9.1 van de tussen partijen gesloten overeenkomsten is voorzien dat geschillen die 'tussen partijen uit hoofde van de (overeenkomsten) of van (overeenkomsten) welke hiervan het gevolg zijn mochten voortvloeien, worden beslecht door een arbitragecommissie'.

Anders echter dan gedaagde meent is de voorzieningenrechter van oordeel dat die bepaling het oog heeft op geschillen over de uitleg van de overeenkomst(en) en niet ziet op een geschil - als het onderhavige - omtrent een vermeende wijziging danwel aantasting van het kunstwerk.

De voorzieningenrechter acht zich derhalve bevoegd kennis te nemen van het onderhavige geschil.

2.2. Het spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening is met de aard van het gevorderde gegeven.

2.3. Vaststaat dat eiseres een kunstwerk heeft geschapen dat auteursrechtelijke bescherming geniet.

2.4. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan eiseres zich niet op goede grond beroepen op artikel 25 lid 1 sub c Auteurswet (Aw). Mede gelet op de jurisprudentie dienaangaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat genoemd artikelonderdeel betrekking heeft op een wijziging van het werk zelf. Dat is in casu niet het geval. Zoals hieronder zal worden overwogen, is de omgeving van de plaats waar het kunstwerk zou worden gesitueerd weliswaar mede-bepalend geweest voor bijvoorbeeld de kleurstelling van dat werk, doch naar voorlopig oordeel is niet een zodanige verbondenheid aanwezig dat bij een wijziging van de omgeving ook sprake is van een wijziging van het werk zelf.

2.5. Wat er ook zij van de vraag of artikel 25 lid 1 sub c Aw van toepassing is, de voorzieningenrechter is van oordeel dat hoe dan ook sprake is van een andere aantasting van het werk in de zin van artikel 25 lid 1 sub d Aw. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Blijkens de wetsgeschiedenis is voor een aantasting als hier bedoeld niet nodig dat in het stoffelijk werk zelf iets veranderd is. Het werk kan reeds worden aangetast indien het wordt gepubliceerd in een minderwaardige vorm of sfeer of tentoongesteld in een omgeving van minder allooi.

2.6. In dat verband is het volgende van belang. Het kunstwerk is speciaal vervaardigd voor de ruimte waarin het zich bevindt, de stadsschouwburg van Groningen. Het kunstwerk heeft een belangrijke plaats in het oeuvre van eiseres en is onder meer beschreven in de brochure "Apollo en de muzen". De reputatie van eiseres, in het bijzonder met betrekking tot het onderhavige kunstwerk, is zodanig dat aantasting van het kunstwerk nadeel aan haar kan toebrengen in haar waarde als maker.

2.7. Het is een feit van algemene bekendheid dat de mate waarin een kunstwerk met zijn omgeving een artistiek geheel vormt, de waarde als voorwerp van kunst in belangrijke mate kan bepalen. In het onderhavige geval ontleent het kunstwerk, waarvan de afbeeldingen in de grote zaal en de vide-foyer één geheel vormen, zijn betekenis in belangrijke mate aan de omgeving omdat het speciaal voor die omgeving is vervaardigd en aldus met die omgeving een eenheid in kunstzinnige zin vormt. Die eenheid wordt thans in ieder geval doorbroken omdat een deel van het kunstwerk zich thans in de theaterrode omgeving van de grote zaal bevindt en een ander deel in de hal/vide-foyer, waarin thans drie kleuren blauw (wanden, vloerbedekking hal en vloerbedekking foyer) worden gebruikt. De omgeving van het kunstwerk wordt aldus in twee kleuren "opgeknipt", hetgeen de eenheid in artistieke zin, als hiervoor bedoeld, verbreekt.

2.8. Bovendien is naar voorlopig oordeel niet voldoende weersproken dat eiseres zich bij het concept, de totstandkoming en de kleurstelling van het kunstwerk daadwerkelijk mede heeft laten leiden door de omgeving - waaronder diverse daarin toegepaste materialen alsmede de kleuren van de stoelbekleding en vloerbedekking (theaterrood) en van de wanden en het plafond (een bepaalde witte kleur) - waar het kunstwerk een plaats zou krijgen en dat gedaagde daarvan op de hoogte was. Dat de kleuren van de omgeving zeer betekenisvol zijn geweest, lijdt geen twijfel nu het kunstwerk zijn kracht voor een niet onbelangrijk deel ontleent aan de gehanteerde kleuren.

Een wijziging van de - blijkens de onder 1.10 aangehaalde brief thans met name ter beoordeling voorliggende - kleurstelling in de omgeving van het kunstwerk levert derhalve in beginsel een aantasting op in de zin van artikel 25 lid 1 sub d Aw. Gedaagde heeft in dit kader onvoldoende aannemelijk gemaakt dat geen sprake zou zijn van een dergelijke aantasting.

2.9. Dat, naar gedaagde heeft gesteld, het feit dat het door eiseres gemaakte ontwerp door gedaagde is geaccepteerd, niet betekent dat zijdens gedaagde enige perceptie die tot de kleurstelling zou hebben geleid, wordt gedeeld, laat staan dat gedaagde zich heeft willen vastleggen om de kleurkeuze in de omgeving van de beschildering nimmer meer te wijzigen, moge - wat daarvan overigens ook zij - juist zijn, doch door eiseres opdracht te geven een plafondschildering aan te brengen en de gegeven kleurstelling daarvan te aanvaarden, heeft gedaagde het risico genomen dat de maker daarvan zich eventueel uit hoofde van artikel 25 lid 1 sub d Aw tegen wijziging van de (directe) omgeving van het kunstwerk zou verzetten.

Bijzondere omstandigheden kunnen dit anders doen zijn, doch deze zijn niet gesteld.

Met name heeft gedaagde haar belang in dezen onvoldoende beargumenteerd tegenover het belang van eiseres. In dit verband overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken dat gedaagde getracht heeft op een of andere wijze rekening te houden met de belangen van eiseres en evenmin is gesteld of gebleken dat de wijziging van vloer- en muurbekleding noodzakelijk was.

2.10. Gelet op het vorenoverwogene moet geconcludeerd worden dat eiseres zich terecht kan beroepen op het recht van verzet als bedoeld in artikel 25 lid sub d Aw.

De omstandigheid dat de nieuwe blauwe vloerbedekking reeds geheel of grotendeels is gelegd, maakt dat niet anders, nu het - mede gelet op het vorenstaande, rekening houdend met de belangen van eiseres - op de weg van gedaagde had gelegen tijdig omtrent een en ander met eiseres in overleg te treden.

2.11. De gevraagde voorzieningen kunnen dan ook worden toegewezen, met dien verstande dat de de onderdelen 3 en 4 van het petitum geen bespreking behoeven, nu deze hetzij reeds zijn geschied danwel op korte termijn zullen geschieden.

Bij de toewijzing van onderdeel 1 van de vordering zal de voorzieningenrechter een ruimere termijn bepalen, nu onweersproken is gebleven dat tussen bestelling en levering van een theaterrode vloerbedekking twee maanden verloopt. Bovendien is aannemelijk geworden dat het programma van de schouwburg zodanig intensief is dat de gelegenheid moet worden geboden om bedoeld onderdeel 1 zo mogelijk gefaseerd uit te voeren.

Zoals ter zitting is overwogen gaat de voorzieningenrechter ervanuit dat gedaagde gevolg zal geven aan deze uitspraak - hetgeen door gedaagde is beaamd - zodat oplegging van een dwangsom achterwegen kan blijven.

2.12. De redelijke termijn als bedoeld in artikel 260 Rv zal als verzocht worden bepaald op zes maanden na betekening van dit vonnis.

2.13. Gedaagde zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding worden verwezen.

BESLISSING

De voorzieningenrechter:

1. veroordeelt gedaagde om vóór 3 januari 2005 over te gaan tot het (wederom) aanbrengen en aangebracht houden van in de Stadsschouwburg Groningen ook elders in het gebouw gehanteerde theaterrode vloerbedekking/lopers in die ruimten die in verbinding staan met het kunstwerk (hal, trappen naar de foyer en foyerruimte);

2. veroordeelt gedaagde om binnen 15 dagen na betekening van dit vonnis tot het ongedaan maken van de donkerblauwe beschildering van de wanden langs trappen en toegang en in de nis en de foyer vlakbij de schildering en hersteld houden van de witte wanden in de witte kleur van vóór de ingreep als bedoeld in productie 1a sub 2;

3. bepaalt de redelijke termijn als bedoeld in artikel 260 Rv te bepalen op zes maanden na betekening van dit vonnis;

4. veroordeelt gedaagde in de kosten van de procedure, tot op deze uitspraak aan de zijde van eiseres begroot op ? 324,78 aan verschotten eventueel vermeerderd met de niet voor verrekening vatbare omzetbelasting en op ? 703,-- aan salaris van de procureur;

5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W. Duitemeijer, voorzieningenrechter en door deze uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 september 2004, in tegenwoordigheid van de griffier.