Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2004:AP1302

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
24-05-2004
Datum publicatie
10-06-2004
Zaaknummer
AWB 03/447 BESLU STRA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In dit (bestreden) besluit heeft het college van gedeputeerde staten van Groningen het bezwaar van (onder andere) het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Marum tegen het besluit van 19 juli 2002, strekkende tot weigering van een (binnenplanse) verklaring van geen bezwaar ten behoeve van de vestiging van een drietal bedrijven op het bedrijventerrein “Marumerlage”, ongegrond verklaard en het besluit van 19 juli 2002 gehandhaafd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

SECTOR BESTUURSRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

Reg.nr.: AWB 03/447 BESLU STRA

U I T S P R A A K

inzake het geschil tussen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Marum, eiser,

gemachtigde: G.H.F. Postma,

en

het college van gedeputeerde staten van Groningen, verweerder,

gemachtigde: J. Koopmans.

1. ONDERWERP VAN GESCHIL

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van 24 maart 2003.

In dit (bestreden) besluit heeft verweerder het bezwaar van (onder andere) eiser tegen het besluit van 19 juli 2002, strekkende tot weigering van een (binnenplanse) verklaring van geen bezwaar ten behoeve van de vestiging van een drietal bedrijven op het bedrijventerrein “Marumerlage”, ongegrond verklaard en het besluit van 19 juli 2002 gehandhaafd.

2. ZITTING

Het geschil is behandeld op de zitting van 29 april 2004.

Eiser en verweerder zijn daar bij gemachtigde verschenen.

3. BEOORDELING VAN HET GESCHIL

3.1 De feiten en standpunten van partijen

Op 20 juli 2001 heeft eiser bij verweerder een aanvraag voor de afgifte van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 15, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) ingediend ten behoeve van de vestiging van een drietal bedrijven op het bedrijventerrein “Marumerlage”.

Het betreft een meubelmakerij, een interieurbouw- annex timmerbedrijf en een brush-art spuiterij, welke bedrijven thans in de kernen van de gemeente Marum zijn gevestigd.

In zijn brief van 30 augustus 2001 heeft de inspecteur van de Ruimtelijke Ordening in de provincies Drenthe, Friesland en Groningen uiteengezet dat en waarom hij voorlopig niet akkoord kan gaan met het verzoek van eiser.

Desgevraagd heeft eiser in reactie hierop in zijn brief van 28 september 2001 aangegeven dat al geruime tijd is gezocht naar mogelijkheden om de genoemde bedrijven naar locaties elders in de gemeente Marum te verplaatsen. Dit heeft niet geleid tot alternatieve locaties voor de uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten.

Vervolgens heeft de Commissie Bestemmingsplannen van de Dienst Ruimte en Milieu van de provincie Groningen op 23 januari 2002 geadviseerd om de gevraagde verklaring van geen bezwaar niet te verlenen.

Op 10 april 2002 heeft bestuurlijk overleg plaatsgevonden tussen eiser en verweerder naar aanleiding van het voornemen van verweerder om de gevraagde verklaring van geen bezwaar te weigeren.

Bij brief van 19 juli 2002 heeft verweerder geweigerd de gevraagde verklaring van geen bezwaar af te geven, omdat vestiging van de betreffende bedrijven op het bedrijventerrein “Marumerlage” uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening ongewenst is. Tegen die beslissing heeft eiser op 14 augustus 2002 bezwaar gemaakt.

Dit bezwaar is behandeld tijdens de hoorzitting van de Adviescommissie bezwaar- en beroepschriften van 6 december 2002, welke commissie op 3 maart 2003 geadviseerd heeft de bezwaren van eiser ongegrond te verklaren.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder overneming en overeenkomstig het advies van de Adviescommissie, het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 19 juli 2002 gehandhaafd.

Eiser kan zich met dit besluit niet verenigen. Hij heeft in beroep onder andere aangevoerd dat hij van mening is dat de door hem gevraagde verklaring van geen bezwaar op de voet van artikel 10:31 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege is verleend.

Verweerder heeft er op gewezen dat een verklaring van bezwaar als bedoeld in artikel 19 WRO binnen 8 weken moet worden afgegeven. Die termijn is niet fataal. In artikel 15 WRO is niets bepaald omtrent de termijn waarbinnen op de aanvraag om een verklaring van geen bezwaar moet zijn beslist. Zou worden aangesloten bij artikel 10:31 Awb, dan ontstaat volgens verweerder de bijzondere situatie dat een lichte vorm van vrijstelling ten opzichte van een zwaardere vrijstelling een langere beslistermijn kent (13 weken in plaats van 8 weken) maar de gevolgen van de termijnoverschrijding (een goedkeuring van rechtswege) verder stekken dan bij een artikel 19 WRO-procedure. Dit kan volgens verweerder niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest.

3.2 Beoordeling

Titel 10.2 van de Awb heeft betrekking op het toezicht op bestuursorganen.

Artikel 10:25 Awb bepaalt dat in deze wet onder goedkeuring wordt verstaan de voor de inwerkingtreding van een besluit van een bestuursorgaan vereiste toestemming van een ander bestuursorgaan.

In artikel 10:32, eerste lid, Awb is deze afdeling van overeenkomstige toepassing verklaard indien voor het nemen van een besluit door een bestuursorgaan de toestemming van een ander bestuursorgaan is vereist.

De rechtbank stelt vast dat deze bepaling is opgenomen met het oog op de afgifte van verklaringen van geen bezwaar als door eiser is gevraagd.

Krachtens artikel 10:26 Awb kunnen besluiten slechts aan goedkeuring worden onderworpen in bij of krachtens de wet bepaalde gevallen.

Ingevolge artikel 10:31, eerste lid, Awb wordt, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, het besluit omtrent goedkeuring binnen dertien weken na de verzending ter goedkeuring bekend gemaakt aan het bestuursorgaan dat het aan goedkeuring onderworpen besluit heeft genomen.

Op grond van het tweede lid van artikel 10:31 Awb kan het nemen van het besluit omtrent goedkeuring eenmaal voor ten hoogste dertien weken worden verdaagd.

Krachtens artikel 10:31, vierde lid, Awb wordt, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, een besluit tot goedkeuring geacht te zijn genomen, indien binnen de in het eerste lid genoemde termijn geen besluit omtrent goedkeuring of geen besluit tot verdaging dan wel binnen de termijn waarvoor het besluit is verdaagd, geen besluit omtrent goedkeuring is bekendgemaakt aan het bestuursorgaan dat het aan goedkeuring onderworpen besluit heeft genomen.

Ingevolge artikel 15, tweede lid, WRO kan bij het bestemmingsplan worden bepaald dat vrijstelling van bepaalde voorschriften slechts kan worden verleend mits vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen dat zij tegen het verlenen van de vrijstelling geen bezwaar hebben. Gedeputeerde staten kunnen de verklaring weigeren wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening.

Tussen partijen is niet in geschil dat in casu sprake is van een goedkeuring als bedoeld in artikel 10:26 Awb, nu de goedkeuring is neergelegd in artikel 15, tweede lid, WRO en het ter uitwerking daarvan vastgestelde artikel 4, achtste lid, van de bestemmingsplanvoorschriften.

De rechtbank stelt verder vast dat artikel 15, tweede lid, WRO geen termijn kent waarbinnen op de aanvraag van de verklaring van geen bezwaar moet zijn beslist. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat elders in de WRO dan wel in het Besluit op de ruimtelijke ordening een beslistermijn is opgenomen die betrekking heeft op artikel 15, tweede lid, WRO.

Nu bovendien niet in geding is dat verweerder niet binnen de in artikel 10:31, eerste lid, Awb genoemde termijn van 13 weken heeft beslist op de aanvraag van eiser en verweerder ook geen besluit tot verdaging heeft genomen als bedoeld in artikel 10:31, tweede lid, Awb, moet, gelet op het bepaalde in artikel 10:31, vierde lid, Awb (in samenhang met artikel 10:32, eerste lid, Awb), de verklaring van geen bezwaar geacht worden te zijn verleend.

Omdat de verklaring van geen bezwaar moet worden geacht van rechtswege te zijn verleend, komt de beslissing van verweerder van 19 juli 2002, waarbij is geweigerd die verklaring af te geven, geen rechtsgevolg toe. Dit betekent dat de beslissing van 19 juli 2002 geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, Awb. Verweerder is er in het bestreden besluit ten onrechte van uitgegaan dat dit wel het geval is.

De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen, nu verweerder het bezwaar tegen de beslissing van 19 juli 2002 ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank zal voorts op de voet van artikel 8:72, vierde lid, Awb zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit. Doende wat verweerder had moeten doen, verklaart de rechtbank het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient ingevolge artikel 8:74, eerste lid, Awb tevens te worden bepaald dat het door eiser betaalde griffierecht ad € 232,00 door de provincie Groningen aan eiser wordt vergoed.

4. BESLISSING

De rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart het bezwaar van eiser alsnog niet-ontvankelijk en bepaalt -zelf in de zaak voorziend- dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- bepaalt dat de provincie Groningen eiser het betaalde griffierecht ad € 232,00 dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mrs. H.C.P. Venema, voorzitter, P.W. van Straalen en A.T. Marseille, en in het openbaar door de voorzitter uitgesproken op 24 mei 2004 in tegenwoordigheid van A.M. van der List-van Winden als griffier.

De griffier, De voorzitter,

De rechtbank wijst er op dat partijen en andere belanghebbenden binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA in Den Haag.

Afschrift verzonden op:

typ: