Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2004:AO9350

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
10-05-2004
Datum publicatie
10-06-2004
Zaaknummer
AWB 02/1091 TW HOB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zijn inkomsten vanuit een persoonsgebonden budget inkomsten in de zin van de Toeslagenwet?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

SECTOR BESTUURSRECHT

ENKELVOUDIGE KAMER

Reg.nr.: AWB 02/1091 TW HOB

U I T S P R A A K

in het geschil tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde mw. mr. E. Kort-Schenk,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder.

1. ONDERWERP VAN GESCHIL

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV van 18 oktober 2002. In dit (bestreden) besluit is het bezwaar van eiser tegen de beslissing van 30 juli 2002, waarbij de aan eiser toegekende toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) met ingang van 1 maart 2001 is herzien, ongegrond verklaard.

2. ZITTING

Het geschil is behandeld op de zitting van 6 mei 2004. Eiser en zijn gemachtigde voornoemd, zijn na voorafgaande kennisgeving daarvan, niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mw. mr. W.M.M. Hoogendorp.

3. BEOORDELING VAN HET GESCHIL

Feiten en standpunten van partijen

Eiser, geboren op 9 juli 1954, ontvangt van - de rechtsvoorganger van - verweerder een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en vanaf 11 oktober 1995 een toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW).

Op 21 maart 2001 heeft eiser verweerder telefonisch in kennis gesteld van de omstandigheid dat zijn echtgenote per maand inkomsten geniet van bruto ƒ 244,-,

Bij brief van 26 maart 2001 heeft eiser een en ander schriftelijk bevestigd en toegelicht dat voormelde inkomsten betaalbaar worden gesteld vanuit een toegekend persoonsgebonden budget (pgb). Dat budget is toegekend in verband met een tweetal tot eisers gezin behorende gehandicapte kinderen.

In verband met die inkomsten heeft verweerder bij beslissing van 30 juli 2002 de aan eiser toegekende toeslag met ingang van 1 maart 2001 herzien en vastgesteld op € 15,92.

Eiser heeft tegen die beslissing tijdig een bezwaarschrift ingediend. Hij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de zogenoemde pgb-inkomsten van zijn echtgenote niet kunnen worden aangemerkt als inkomsten uit of in verband met arbeid. Het betreft een subsidie op grond waarvan de verzorging van de gehandicapte kinderen mogelijk wordt gemaakt.

Bij het thans bestreden besluit van 18 oktober 2002 heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het pgb is verstrekt ten behoeve van hulp in de verzorging van betrokkenes gehandicapte kinderen, die normaal gesproken door een derde tegen betaling wordt verleend. Nu die betaling in dit geval niet aan een derde, maar aan de echtgenote van eiser wordt uitbetaald, dienen die inkomsten te worden aangemerkt als inkomsten uit arbeid, niet verricht in loondienst welke van invloed zijn op de toeslag.

In beroep heeft eiser zijn in bezwaar ingenomen standpunt nader uiteengezet en gehandhaafd.

Met betrekking tot het geschil.

Tussen partijen is in geschil de vraag of de door de echtgenote van eiser ontvangen inkomsten betaalbaar gesteld vanuit een toegekend pgb, al dan niet moeten worden aangemerkt als inkomsten uit of in verband met arbeid in de zin van artikel 6, lid 1, onder a, van de TW.

De rechtbank beperkt zich in dit geding tot dat punt van geschil en overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 6, lid 1, onder a, van de TW wordt als inkomen voor een gehuwde aangemerkt de som van het inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven van hemzelf en van zijn echtgenoot.

Op grond van artikel 2, onder a, van het Inkomensbesluit Toeslagenwet (Inkomensbesluit) dient onder inkomen in de hiervorenvermelde zin te worden verstaan opbrengst uit arbeid.

Artikel 5, lid 1, van het Inkomensbesluit bepaalt dat onder opbrengst van arbeid, voorzover niet in dienstbetrekking verricht, moet worden verstaan het belastbaar loon uit tegenwoordige arbeid of belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, bedoeld in hoofdstuk 3 en 7 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

Aan eiser is ten behoeve van de verzorging van twee van zijn kinderen een pgb toegekend.

Blijkens artikel 2.5.1.7 van de Regeling subsidies AWBZ en Ziekenfondswet van de Minister van WVC van 27 november 2000, Stcrt. 2000, 233, zijn persoonsgebonden budgetten uitsluitend bestemd voor:

a. de kosten van ingekochte zorg en

b. de kosten verband houdende met secundaire arbeidsvoorwaarden, zoals deze zijn opgenomen in de van toepassing zijnde collectieve arbeidsovereenkomsten.

Wordt het pgb benut ter bestrijding van kosten van door derden verrichte zorg, dan heeft het pgb geen invloed op het gezinsinkomen van eiser.

In een dergelijke situatie leidt de aanwezigheid van een pgb ook niet tot het aannemen van inkomsten in de zin van de TW. Nu echter de desbetreffende zorg, waarvoor het pgb is verstrekt niet wordt uitbesteed aan derden, doch door de echtgenote van eiser wordt verricht dient de daaruit voortkomende opbrengst, respectievelijk vergoeding, ook naar het oordeel van de rechtbank te worden aangemerkt als inkomen in de zin van de TW.

De rechtbank verwijst voorts naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep waaruit blijkt dat in zaken als de onderhavige in het algemeen bijzondere betekenis moet worden toegekend aan hetgeen door een belanghebbende van toeslag ingevolge de TW en zijn echtgenote als inkomsten uit arbeid bij de fiscus is aangegeven en door de belastingdienst is aanvaard. De rechtbank wijst in dit verband op de ten behoeve van eisers echtgenote afgegeven betalingsspecificaties, waaruit onder meer blijkt dat op de betreffende inkomsten loonbelasting is ingehouden.

Op grond van het hiervoren overwogene dient het beroep van eiser ongegrond te worden verklaard.

4. BESLISSING

De rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mw. mr. M.P. den Hollander en door haar in het openbaar uitgesproken op 10 mei 2004 in tegenwoordigheid G. Rammeloo als griffier.

De griffier, De rechter,

De rechtbank wijst er op dat partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.

Afschrift verzonden op:

typ: cbr