Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2004:AO8418

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
16-04-2004
Datum publicatie
27-04-2004
Zaaknummer
71164 KG ZA 04-106
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Betreft het verbieden van onrechtmatige concurrentie door voormalige werknemers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2004, 6238
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

DE VOORZIENINGENRECHTER IN KORT GEDING

Reg.nr.: 71164 KG ZA 04-106

Datum uitspraak: 16 april 2004

V O N N I S

in de zaak van:

de vennootschap onder firma DE SCHATKAMER JUWELIERS V.O.F.,

gevestigd te (9712 BT) Groningen aan de Stoeldraaierstraat 3,

eiseres,

procureur mr. H.E.M. Hulleman,

advocaat mr. S.L. Haasdijk te Leeuwarden,

en

1. [gedaagde 1],

wonende te [adres],

2. [gedaagde 2],

wonende te [adres],

gedaagden,

hierna te noemen [gedaagde 1] respectievelijk [gedaagde 2],

procureur mr. J.A.M. Jansen.

PROCESVERLOOP

Op 31 maart 2004 zijn eiseres, die zich ter zitting heeft doen vertegenwoordigen door haar vennoten [vennoot 1] en [vennoot 2], vergezeld van mr. Haasdijk, alsmede [gedaagde 1] en [gedaagde 2], verzegeld van mr. Jansen, vrijwillig voor de voorzieningenrechter verschenen.

De vordering van eiseres strekt ertoe bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. gedaagden te gebieden om binnen één week na betekening van het in dezen te wijzen vonnis aan eiseres een lijst ter hand te stellen van alle klanten en relaties van eiseres, die voorkomen op de aan de dagvaarding gehechte lijst, aan wie zij de aankondiging van de opening van hun nieuwe zaak en/of de uitnodiging daarvoor hebben verzonden en/of anderszins tot dat moment wervend hebben benaderd;

II. gedaagden te gebieden om binnen één week na betekening van het in dezen te wijzen vonnis aan eiseres een lijst ter hand te stellen van al hun contacten met klanten en relaties van eiseres die voorkomen op de aan de dagvaarding gehechte lijst vanaf 1 april 2003, met vermelding van de aard van het contact;

III. gedaagden te gebieden om klanten en relaties van eiseres, voorkomend op de aan de dagvaarding gehechte lijst, die na betekening van het in dezen te wijzen vonnis contact met (één van) hen opnemen, door te verwijzen naar eiseres;

IV. gedaagden te verbieden om, met onmiddellijke ingang na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, relaties en/of klanten van eiseres die staan vermeld op de aan de dagvaarding gehechte lijst, gericht wervend te benaderen, direct dan wel indirect;

V. gedaagden te verbieden om, met onmiddellijke ingang na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, aan derden over eiseres schadende, onware mededelingen alsmede schadende, ware mededelingen met het doel eiseres in een kwaad daglicht te stellen, te doen;

VI. gedaagden te verbieden om gedurende een periode van twaalf maanden vanaf de datum van betekening van het in dezen te wijzen vonnis, zakelijke contacten te onderhouden met de klanten en relaties van eiseres die vermeld staan op de aan de dagvaarding gehechte lijst;

VII. gedaagden te verbieden om, met onmiddellijke ingang na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, aanprijzingen te doen en/of reclame te maken waarbij op enigerlei wijze, direct of indirect, wordt verwezen naar hun dienstverband met eiseres;

VIII. (ieder der) gedaagden te gebieden om, binnen één week na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, alle door (een van) hen benaderde klanten en relaties van eiseres, schriftelijk op de hoogte te stellen van de uitspraak van dit vonnis, onder de vermelding dat door hen onrechtmatig jegens eiseres is gehandeld;

IX. gedaagden te veroordelen tot betaling van een dwangsom van ? 5.000,-- per dag of keer dat gedaagden in gebreke mochten blijven om de tegen hen in het in dezen te wijzen vonnis uitgesproken verboden/geboden geheel of gedeeltelijk na te leven;

X. gedaagden te veroordelen in de kosten van dit geding.

Eiseres heeft conform haar vordering voor eis geconcludeerd, waarbij zij producties in het geding heeft gebracht.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben -eveneens onder overlegging van producties- verweer gevoerd tegen de vordering en geconcludeerd eiseres hierin niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel deze af te wijzen, met veroordeling van eiseres -uitvoerbaar bij voorraad- in de kosten van de procedure.

Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en pleitnotities overgelegd.

Partijen hebben ten slotte vonnis gevraagd.

De uitspraak is bepaald op 16 april 2004.

RECHTSOVERWEGINGEN

1. Vaststaande feiten:

a. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn twee voormalige werknemers van eiseres, een juwelierszaak in Groningen.

b. [gedaagde 1] was jarenlang werkzaam bij de rechtsvoorgangster van eiseres. Na een onderbreking van

9 maanden is hij op 8 november 1999 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij eiseres in de functie van verkoper. De arbeidsovereenkomst tussen [gedaagde 1] en eiseres is bij beschikking van de kantonrechter te Groningen d.d. 25 februari 2003 ontbonden met ingang van 1 april 2003.

c. Namens eiseres en [gedaagde 1] is, voorafgaand aan de ontbindingsprocedure, door hun raadslieden een regeling getroffen. De regeling is van de zijde van eiseres op papier gezet en op 20 februari 2003 namens [gedaagde 1] voor akkoord ondertekend.

Punt 9 van die regeling behelst het volgende:

"Uw cliënt zal zich ten opzichte van derden onthouden van het doen van negatieve uitlatingen aangaande (de bedrijfsvoering van) cliënte. Uw cliënt zal zich eveneens onthouden van het doorgeven van vertrouwelijke bedrijfsinformatie aan derden. Cliënte zal zich tegenover derden onthouden van het doen van negatieve uitlatingen aangaande uw cliënt. Indien en voorzover er sprake zou zijn van een tussen partijen overeengekomen en schriftelijk vastgesteld concurrentiebeding, dan wordt uw cliënt hiervan ontheven, met dien verstande dat uw cliënt zich, conform de wettelijke regels en de geldende jurisprudentie, uiteraard wel dient te onthouden van het (actief) onttrekken en benaderen van klanten van cliënte"

d. [gedaagde 2] is op 18 juli 1989 bij de rechtsvoorgangster van eiseres in dienst getreden. Met ingang van 5 november 2001 heeft zij zich ziek gemeld. Bij brief d.d. 20 januari 2004 heeft zij de arbeidsovereenkomst met eiseres eenzijdig opgezegd per 1 april 2004.

e. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn samen een juwelierszaak gestart in Drachten. De officiële opening van de zaak heeft plaatsgevonden op 26 maart 2004.

2. Beoordeling van het geschil:

2.1 De vraag die ter beantwoording voorligt is of er in het onderhavige geval sprake is van ongeoorloofde werknemersconcurrentie door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als ex-werknemers jegens eiseres, hun voormalige werkgeefster. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben gemotiveerd weersproken dat zij onrechtmatig hebben gehandeld.

2.2 [gedaagde 2] heeft vanaf 5 november 2001 nauwelijks of geen werkzaamheden meer voor eiseres verricht. Haar arbeidsovereenkomst was eind 2003 min of meer een 'lege huls' geworden. Eiseres heeft niet meer de moeite genomen heeft om actief stappen te nemen om (in het bijzonder door middel van een ontbindingsprocedure) tot beëindiging van de dienstbetrekking te komen; [gedaagde 2] heeft uiteindelijk een punt achter de relatie gezet door ontslag te nemen.

Gelet op het karakter dat beide partijen aan het eind toekenden aan de arbeidsovereenkomst, kon in de tweede helft van 2003 -toen [gedaagde 2] actief bezig ging met het starten van de onderneming met [gedaagde 1]- niet meer gezegd worden dat het feit dat deze bezigheid plaatsvond op een moment dat [gedaagde 2] formeel nog in loondienst van eiseres was, deze activiteit als zodanig onrechtmatig deed zijn.

2.3 [gedaagde 1] heeft voorafgaand aan de ontbindingsprocedure met eiseres een beëindigingovereenkomst gesloten, als hiervoor onder 1.2 geciteerd. In die overeenkomst is uitdrukkelijk overeengekomen dat [gedaagde 1] zich zou onthouden van het doen van negatieve mededelingen over (de bedrijfsvoering van) eiseres en van het doorgeven van vertrouwelijke bedrijfsinformatie aan derden. Niet gesteld of gebleken is dat dit laatste zich heeft voorgedaan. Op het doen van onjuiste mededelingen wordt hierna onder 2.5 nader ingegaan.

De in de beëindigingsovereenkomst ook opgenomen clausule omtrent het zich onthouden van concurrentie heeft -gelet op de bewoordingen van die clausule- geen andere betekenis dan dat [gedaagde 1] zich niet zou mogen begeven buiten de in wet en jurisprudentie gestelde algemene begrenzingen voor ex-werknemers in relatie tot hun voormalige werkgever. Die begrenzingen staan hierna onder 2.4 omschreven.

2.4 Het staat een ex-werknemer, die in zijn handelen niet wordt beperkt door een relatie- of concurrentiebeding, in beginsel vrij met zijn voormalige werkgever te concurreren. In dat kader heeft de voormalige werkgever ook te dulden dat zijn ex-werknemer relaties van hem benadert. Van een ongeoorloofde concurrentie is volgens vaste rechtspraak eerst dan sprake wanneer de ex-werknemer met behulp van vertrouwelijke informatie van zijn voormalige werkgever duurzame relaties van die werkgever benadert op een wijze die stelselmatig en substantieel afbreuk doet aan het bedrijfsdebiet

van de voormalige werkgever, daarbij gebruikmakend van de know-how en/of de goodwill die hij bij diezelfde werkgever heeft verkregen.

2.5 In dit verband wordt overwogen dat eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat toen de vennoten in 1999 de onderneming "De Schatkamer" hebben overgenomen, zij in samenspraak met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de beste en grootste klanten voor de opening na deze overname een uitnodiging hebben gestuurd. Deze speciaal geselecteerde klanten zijn op de klantenlijst van eiseres -welke aan de concept-dagvaarding was gehecht- gemarkeerd met een O. Blijkens dezelfde door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in het geding gebrachte lijst -waarop zij hebben aangegeven welke personen door hen zijn uitgenodigd voor de opening van hun nieuwe zaak- zijn 75 van de met een O gemarkeerde klanten en 125 van de in totaal 937 vaste klanten van eiseres, zijnde 13%, door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] benaderd.

Aannemelijk is voorts geworden dat [gedaagde 1] en van de Vrugt bij het aanschrijven van deze 125 klanten gebruik hebben gemaakt van een lijst met adresgegevens waar zij de beschikking over hadden uit hoofde van hun (voormalige) dienstbetrekking. Die aannemelijkheid is allereerst gebaseerd op de omstandigheid dat in de adressering van de aanschrijving aan de familie Eriks fouten voorkwamen die nauwelijks anders te verklaren zijn dan dat gebruik is gemaakt van adresgegevens van eiseres. Die aannemelijkheid is er voorts omdat de opgave van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] (pleitnotitie sub 10) dat zij een klantenlijst van een (andere) neringdoende in de Zwanestraat (niet zijnde een juwelier) hebben gebruikt niet echt geloofwaardig overkomt, mede omdat die opgave niet is onderbouwd met enig bewijsstuk.

Gelet op het voorgaande zijn in de gedragingen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] elementen aanwezig die tezamen maken dat er -wat betreft de genoemde 125 klanten- bijkomende omstandigheden zijn die het concurreren door deze twee ex-werknemers onrechtmatig doet zijn. Er is immers sprake van:

- gebruik van vertrouwelijke informatie c.q. know-how (te weten: de adresgegevens)

- het benaderen van duurzame relaties (te weten: de vaste klanten)

- stelselmatig en substantieel afbreuk doen aan het bedrijfsdebiet (te weten: het systematisch aanschrijven van de vaste klanten, teneinde deze te bewegen een bezoek aan de zaak in Drachten te brengen, vanzelfsprekend vanuit de hoop bij [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat die klanten vervolgens zouden overstappen).

2.6 In verband met het vorenstaande is de vordering onder VIII toewijsbaar in die zin dat de klanten die behoren tot de groep van 125 een brief moet worden gestuurd met een tekst als in het dictum vermeld. Weliswaar is niet met betrekking tot elk van deze 125 personen die op de door eiseres ingebrachte lijst voorkomen en óók door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn benaderd, onrechtmatig gehandeld, maar het is niet doenlijk om thans uit te zonderen personen die door de ex-werknemers hoe dan ook (zonder gebruikmaking van de adresgegevens van eiseres) uitgenodigd zouden zijn.

2.7 Eiseres heeft een aantal verklaringen, alsmede verslagen van uitgetikte telefoongesprekken van klanten en leveranciers in het geding gebracht waaruit blijkt dat in ieder geval [gedaagde 1] belastende opmerkingen heeft gemaakt over de bedrijfsvoering bij eiseres en de financiële problemen die bij eiseres zouden bestaan. Met de niet door [gedaagde 1] betwiste inhoud van deze verklaringen en verslagen is voldoende aannemelijk gemaakt dat [gedaagde 1] onrechtmatig in de zin van art. 6:162 BW jegens eiseres heeft gehandeld. Bovendien heeft hij in strijd gehandeld met de beëindigingsovereenkomst.

Op grond hiervan komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat ook het onder V gevorderde voor toewijzing vatbaar is met dien verstande dat, nu niet is gebleken van [gedaagde 2] zich schuldig heeft aan het uiten van belastende opmerkingen, het verbod slechts ten aanzien van [gedaagde 1] zal dienen te gelden.

2.8 Aan de nakoming van het onder V en VIII gevorderde wordt een dwangsom verbonden welke zal worden gemaximeerd.

2.9 Bij toewijzing van de vordering onder I heeft eiseres geen belang meer omdat bedoelde lijst reeds in haar bezit is gesteld door gedaagden.

2.10 Toewijzing van het onder II gevorderde zou gedaagden voor een schier onmogelijke opgave stellen, reden waarom die vordering wordt afgewezen.

2.11 Voor toewijzing van het onder III, IV en VI gevorderde is geen plaats omdat dit aan een gezonde (niet-onrechtmatige) wedijver in het economisch verkeer te zeer afbreuk zou doen.

2.12 Toewijzing van het onder VII gevorderde past niet omdat het enkele vermelden van de vroegere werkkring niet als onrechtmatig is te kwalificeren.

2.13 Gedaagden zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure worden veroordeeld.

BESLISSING

De voorzieningenrechter:

1. gelast gedaagden om aan de 125 personen die voorkomen op de door eiseres bij dagvaarding in het geding gebrachte lijst en die (ook) door gedaagden zijn uitgenodigd voor de opening van hun nieuwe zaak in Drachten, binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis een brief te zenden met de volgende inhoud:

De voorzieningenrechter te Groningen heeft in kort geding aannemelijk geacht dat wij onrechtmatig hebben gehandeld jegens onze voormalige werkgeefster "De Schatkamer" te Groningen. De onrechtmatigheid heeft hieruit bestaan dat wij gebruik hebben gemaakt van onze kennis van het klantenbestand van "De Schatkamer" om personen die deze juwelier beschouwt als vaste relaties, uit te nodigen voor de opening van onze nieuwe zaak in Drachten. De rechter heeft gelast dat deze vaste relaties daarom per brief van zijn beslissing op de hoogte worden gesteld, aan welk bevel wij bij deze voldoen.

2. veroordeelt gedaagden hoofdelijk in die zin dat voor zover de een heeft betaald, de ander zal zijn gekweten, tot betaling aan eiseres van een dwangsom groot ? 5.000,-- (vijfduizend euro) voor iedere dag dat niet aan voormelde veroordeling wordt voldaan, met dien verstande dat maximaal

? 100.000,-- (honderdduizend euro) aan dwangsommen verbeurd zal kunnen worden;

3. verbiedt [gedaagde 1] om, met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis, aan derden over eiseres schadende, onware mededelingen alsmede schadende, ware mededelingen met het doel eiseres in een kwaad daglicht te stellen, te doen;

4. veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling aan eiseres van een dwangsom groot ? 5.000,-- (vijfduizend euro) voor iedere dag dat niet aan voormelde veroordeling wordt voldaan, met dien verstande dat maximaal ? 100.000,-- (honderdduizend euro) aan dwangsommen verbeurd zal kunnen worden;

5. veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in die zin dat voor zover de een heeft betaald, de ander zal zijn gekweten, in de kosten van deze procedure tot op deze uitspraak aan de zijde van eiseres begroot op ? 241,-- aan verschotten en ? 703,-- aan salaris van de procureur;

6. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

7. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.A.M. Dijkers, voorzieningenrechter en door deze uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 april 2004, in tegenwoordigheid van de griffier.