Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2004:AO8281

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
24-02-2004
Datum publicatie
21-06-2004
Zaaknummer
Awb 03/841 WW HOB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In dit (bestreden) besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres gericht tegen het besluit van verweerder, waarbij het grafrecht van wijlen [moeder eiseres], rustende op het graf perk [grafnummer], is overgeschreven op de naam van [derde], ongegrond verklaard.

Uitspraak bevestigd in hoger beroep: LJN AR5468.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

SECTOR BESTUURSRECHT

ENKELVOUDIGE KAMER

Reg.nr.: Awb 03/841 WW HOB

U I T S P R A A K

inzake het geschil tussen

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde, mr. M. de Boorder, advocaat te Den Haag,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, verweerder,

gemachtigde, mw. E. Willems.

1. ONDERWERP VAN GESCHIL

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 6 augustus 2003.

In dit (bestreden) besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres gericht tegen het besluit van verweerder van 24 januari 2003, waarbij het grafrecht van wijlen [moeder eiseres], rustende op het graf perk [grafnummer] op de gemeentelijke begraafplaats Hoogkerk, gelegen aan de Kerkstraat aldaar, is overgeschreven op de naam van mevrouw L.A. [derde] (hierna: [derde]), ongegrond verklaard.

2. ZITTING

Het geschil is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van 12 februari 2004. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich eveneens doen vertegenwoordigen door gemachtigde voornoemd.

[derde] is als derde-belanghebbende in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Zij heeft zich laten bijstaan door haar zuster [zuster derde] (hierna: [zuster derde]).

3. BEOORDELING VAN HET GESCHIL

3.1 Feiten

[moeder eiseres], de moeder van eiseres, [derde] en [zuster derde], is overleden op […] 2002 en was rechthebbende op voornoemd graf.

Begin juli 2002 heeft [derde] zich gewend tot de heer Postma, verbonden aan de gemeentelijke begraafplaats te Hoogkerk, met het verzoek tot overschrijving van het grafrecht op haar naam. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder -bij schrijven van 5 juli 2002- eiseres verzocht om te verklaren dat zij met overschrijving op naam van [derde] instemt. Namens eiseres is -bij schrijven van 13 augustus 2002- te kennen gegeven dat zij de noodzaak tot overschrijving niet inziet.

Bij schrijven van 7 september 2002 heeft [derde] verweerder wederom verzocht om het grafrecht over te schrijven op haar naam.

Bij schrijven van 4 december 2002 heeft [derde] bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op haar aanvraag.

Bij schrijven van 24 januari 2003 heeft verweerder aan [derde] te kennen gegeven dat haar verzoek wordt ingewilligd. Bij schrijven van dezelfde datum heeft verweerder eiseres bericht dat het grafrecht wordt overgeschreven op naam van [derde].

Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar doen maken bij schrijven van 21 februari 2003.

[Derde] heeft bij schrijven van 8 mei 2003 een reactie op het bezwaarschrift gezonden naar verweerder.

Bij besluit van 6 augustus 2003 heeft verweerder het bezwaar, onder overneming van het advies van de commissie voor de beroep- en bezwaarschriften, ongegrond verklaard

In beroep is tegen dit besluit aangevoerd dat verweerder voorbij heeft gezien aan de beoordeling van de specifieke omstandigheden van onderhavige situatie. Beoordeeld is slechts de van toepassing zijnde regelgeving. Naar de mening van eiseres is sprake van een bijzondere situatie, nu [derde] de laatste wil van de overleden moeder niet wenst te respecteren, terwijl eiseres dat juist wel poogt te doen. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft zij verwezen naar de bevindingen van mr. W.G.H.M. van der Putten, zoals die door verweerder ter zitting zijn overgelegd.

Verweerder heeft daarop te kennen gegeven dat de geldende verordening is toegepast. Aan de gegadigde die zich daartoe heeft gemeld is medewerking verleend, na vaststelling dat deze persoon aan de gestelde eisen voldoet. Eventuele wensen met betrekking tot het graf zijn kwesties die het grafrecht als zodanig niet raken.

3.2 Rechtsoverwegingen

Tussen partijen is in geschil of verweerder op goede gronden toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 10, tweede lid, van de Verordening op de gemeentelijke begraafplaatsen van Groningen 2001 (hierna: de Verordening). De rechtbank is van oordeel dat daarvan sprake is en heeft daartoe het volgende overwogen.

Artikel 10, tweede lid van de Verordening luidt als volgt:

“Na het overlijden van de rechthebbende kan het eigen graf worden overgeschreven op naam van de echtgenoot of levenspartner dan wel bloed- of aanverwant tot en met de derde graad binnen een jaar na het overlijden van de rechthebbende. Overschrijving ten name van een ander dan de in de vorige zin bedoelde personen is slechts mogelijk, indien daarvoor naar het oordeel van Burgemeester en wethouders gewichtige redenen bestaan.”.

Tussen partijen is niet in geding dat aan de gestelde vereisten tot overschrijving op naam van [derde] is voldaan. Aangevoerd wordt dat sprake is van een bijzonder geval omdat eiseres wel en [derde] niet de wil van de overledene zou respecteren. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat deze omstandigheid -wat daar verder ook van zij- geen rol behoort te spelen bij de toepassing van onderhavig artikel. De bevindingen van mr. W.G.H.M. van der Putten hebben de rechtbank niet tot een ander oordeel gebracht. In deze bevindingen ziet de rechtbank, anders dan eiseres heeft doen betogen, eerder een bevestiging van het door haar ingenomen standpunt.

De rechtbank concludeert dan ook tot ongegrond verklaring van het beroep.

4. BESLISSING

De rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. M.P. den Hollander en in het openbaar door haar uitgesproken op 24 februari 2004, in tegenwoordigheid van mr. G.M. Damhoff als griffier.

De griffier, wnd. De rechter

De rechtbank wijst er op dat partijen en andere belanghebbenden binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA in Den Haag.

Afschrift verzonden op:

typ: