Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2004:AO7591

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
08-04-2004
Datum publicatie
29-04-2004
Zaaknummer
AWB 03/12 WVG V05
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerde4r heeft de aanvraag van eiseres haar in aanmerking te brengen voor de kosten van woningaanpassingen in een door haar nieuw aangekocht appartement aan het […]plein […] te C op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) is afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

SECTOR BESTUURSRECHT

ENKELVOUDIGE KAMER

Reg.nr.: AWB 03/12 WVG V05

U I T S P R A A K

inzake het geschil tussen

A, e/v B, wonende te C, eiseres,

en

het College van burgemeester en wethouders van Groningen, verweerder.

1. PROCESVERLOOP

Verweerder heeft bij besluit van 27 november 2002 het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 2 juli 2002, waarbij de aanvraag van eiseres haar in aanmerking te brengen voor de kosten van woningaanpassingen in een door haar nieuw aangekocht appartement aan het […]plein […] te C op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) is afgewezen, deels gegrond en deels ongegrond verklaard, onder de overweging dat de afwijzing van de aanvraag van eiseres gehandhaafd blijft, met verbetering van de gronden die tot de afwijzing hebben geleid.

Eiseres heeft tegen dit besluit (het bestreden besluit) bij beroepschrift van 24 december 2002, op nader in het aanvullend beroepschrift van 6 februari 2003 aangegeven gronden, beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 10 maart 2003 de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden en een verweerschrift ingediend.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, door de griffier aan partijen toegezonden.

Het geschil is behandeld ter zitting van 26 februari 2004.

Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. L.H. Haarsma en de heer B als haar gemachtigden.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door K.A. Volten-Deen en mr. J. Groot.

Ter zitting heeft de rechtbank als getuige gehoord mevrouw E. Weidenaar, geboren 9 november 1967 te Oosternijkerk, in de hoedanigheid van de ergotherapeute die advies heeft uitgebracht aan verweerder inzake de aanvraag van eiseres.

2. RECHTSOVERWEGINGEN

De feiten en standpunten van partijen

Eiseres, lijdende aan een ziekte van het zenuwstelsel, het bewegingsstelsel en bindweefsel en aan een aandoening van de ademhalingswegen, was met haar echtgenoot woonachtig aan de […]weg 102 te D.

Nadat haar echtgenoot was overleden wilde/durfde eiseres niet alleen in deze woning blijven, ook omdat deze niet in voldoende mate meer aangepast was aan haar handicap. Zij besloot uit te kijken naar een andere woning.

Nadat eiseres haar oog had laten vallen op het appartement aan het […]plein […] te C, heeft zij op 10 januari 2002 op grond van de Wvg een aanvraag bij verweerder ingediend voor een onroerende woonvoorziening, betreffende de aanpassing van de keuken, de natte cel en het toilet voor een door haar aangekocht appartement aan het […]plein […] te C.

Eiseres is tot koop van het appartement overgegaan maar heeft niet aangegeven wanneer.

Adviserend extern ergotherapeut mevrouw E. Weidenaar van het Centraal Meldpunt Zorg (hierna: Weidenaar) heeft samen met de heer D, de zoon van eiseres, op 21 maart 2002 het appartement bezocht. Blijkens haar verklaring heeft zij ten tijde van deze bezichtiging aangegeven dat zij de woning geschikt achtte voor eiseres, maar dat zij een voorbehoud moest maken ten aanzien van de toegankelijkheid van de woning omdat de toegangs- en liftdeuren niet aangepast konden worden. Zij heeft overleg gevoerd met de adviserende afdeling van de GGD, waar in eerste instantie werd aangegeven dat de toegankelijkheid niet in de weg hoefde te staan aan toekenning van de gevraagde aanpassingen, mits eiseres niet in een later stadium nog eens een aanvraag voor automatische deuren zou indienen.

Zij heeft een positief advies opgesteld en eiseres daarover bericht.

Daarna heeft, blijkens de verklaring van Weidenaar, de adviserende afdeling van de GGD aangegeven dat één en ander toch niet klopte, dat het zelfstandig in- en uitkomen van een woning cruciaal is voor verweerder, en haar is verzocht haar advies te wijzigen, opdat het binnen het beleid van de gemeente zou passen. Weidenaar heeft vervolgens haar advies aangepast en eiseres hierover telefonisch geïnformeerd. Ter zitting heeft Weidenaar aangegeven dit als een dilemma te hebben ervaren en dat de uitgeoefende druk om haar advies te wijzigen voor haar één van de redenen is geweest uit te kijken naar een andere werkkring.

Op 5 juni 2002 heeft Weidenaar het advies uitgebracht eiseres niet in aanmerking te brengen voor de gevraagde kosten woningaanpassing. Zij heeft vastgesteld dat eiseres niet zelfstandig de toegangs- en liftdeuren van het flatgebouw alsmede de toegangsdeur van haar appartement kan openen c.q. sluiten. Nu om deze reden, ondanks de gevraagde diverse aanpassingen in de woning van eiseres nog steeds sprake zou zijn van een onaangepaste woning, is er geen indicatie aanwezig voor de verstrekking van de door eiseres gevraagde woningaanpassingen. Voorts heeft zij gewezen op het grote aantal noodzakelijke aanpassingen.

Mede op basis van het advies van Weidenaar heeft verweerder bij primair besluit van 2 juli 2002 afwijzend beslist op de aanvraag van eiseres voor een onroerende woonvoorziening. Daarbij is dus als afwijzingsgrond gehanteerd dat de woning aan het […]plein voor eiseres niet zelfstandig toegankelijk is.

Tegen vorengenoemd besluit is eiseres bij schrijven van 18 juli 2002 in bezwaar gekomen.

De commissie voor bezwaar- en beroepschriften heeft in het advies van

19 november 2002 onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 4, tweede lid, van de Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Groningen 2001 (VVGG) overwogen dat de toegankelijkheid van de woning niet als criterium kan gelden, maar dat eiseres pas dan voor de aanpassingen in haar appartement in aanmerking kan komen wanneer het verhuizen naar een andere geschikte woning niet mogelijk is of niet de goedkoopst adequate oplossing is.

In het geval van eiseres is gebleken dat verhuizen naar een andere geschikte woning de goedkoopst adequate oplossing is, namelijk naar een rolstoeltoe -en doorgankelijke woning. Voorts is niet gebleken dat de oude woning van eiseres niet meer adequaat zou zijn, aldus de commissie.

In navolging van dit advies van de commissie heeft verweerder bij het bestreden besluit het bezwaarschrift deels gegrond en deels ongegrond verklaard, waarbij de afwijzing wordt gehandhaafd maar de motivering daarvan wordt aangepast.

Van dat besluit is eiseres in beroep gekomen.

Eiseres heeft daarbij aangevoerd dat Weidenaar zich in december 2001/januari 2002 zeer positief heeft geuit over de mogelijkheden om het appartement aan het […]plein […] aan te passen aan de beperkingen van eiseres. Eiseres heeft de gang van zaken als volgt geschetst:

In januari 2002 heeft Weidenaar met eiseres en haar zoon het appartement nader aanschouwd en beoordeeld op de mogelijkheden voor eiseres.

Weidenaar voorzag daarbij geen problemen ten aanzien van vergoedingen ingevolge de Wvg. Hieropvolgend heeft eiseres besloten tot koop van het appartement en heeft aan de hand van de positieve uitlatingen van Weidenaar een verzoek ingediend voor een onroerende woonvoorziening in het kader van de Wvg.

Weidenaar heeft eiseres in januari 2002 toegezegd een verslag maken van haar beoordeling, welke zij vervolgens aan het CMZ zou doen toekomen.

Nadat eiseres geruime tijd niets van Weidenaar had vernomen, hadden zij in februari 2002 (na aankoop van het appartement) weer contact. Weidenaar heeft eiseres in een vertrouwelijk gesprek medegedeeld dat zij van het CMZ een nieuw verslag diende op te maken van haar bevindingen ten aanzien van het door eiseres aangekochte appartement, en dat zij van verweerder een negatief advies omtrent het appartement en de benodigde aanpassingen diende op te maken.

Eiseres heeft geconstateerd dat het op 5 juni 2002 opgemaakte advies van Weidenaar een geheel andere inhoud bevat dan eerder door haar ten tijde van de beoordeling van het appartement gedane uitlatingen.

Door de gang van zaken is bij eiseres de indruk gewekt dat Weidenaar haar advies van verweerder heeft moeten aanpassen, waardoor eiseres zich door verweerder benadeeld voelt.

Verweerder heeft in zijn verweerschrift aangegeven dat het feit dat eiseres van een adequate woning naar een inadequate woning is verhuisd het belangrijkste argument voor de afwijzing is. Verder is verweerder van oordeel dat eiseres, alvorens zij tot aankoop van het appartement besloot, zich bij verweerder ervan had moeten overtuigen dat zij de gewenste aanpassingen vergoed zou krijgen.

Verweerder heeft daarnaast gewezen op zijn beleid, zoals neergelegd in het Verstrekkingenboek Wvg Gemeente Groningen.

Ten aanzien van het geschil

Op grond van artikel 2, eerste lid, Wvg draagt het gemeentebestuur zorg voor de verlening van woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen ten behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer van in de gemeente woonachtige gehandicapten en stelt met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet daartoe regels vast bij verordening.

De gemeente Groningen heeft dergelijke regels gesteld bij de VVGG, het daarop gebaseerde Financieel Besluit Voorzieningen Gehandicapten en het Verstrekkingenboek Wvg van de gemeente Groningen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat het gebruikelijk is bij aanvragen kosten woonvoorzieningen zoals de onderhavige het advies in te winnen van een (extern) ergotherapeut.

Ingevolge het bepaalde in artikel 3:9 Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient een bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat een onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden, indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht.

Naar het oordeel van de rechtbank komt uit de gedingstukken, alsmede het verhandelde ter terechtzitting naar voren dat het advies zoals dat door Weidenaar op 5 juni 2002 is uitgebracht niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. In voldoende mate is komen vast te staan dat Weidenaar als door verweerder ingeschakeld zelfstandig extern adviseur onder druk is gezet om haar aanvankelijk positieve advisering te veranderen in een negatieve, aan welke druk zij ook heeft toegegeven. Anders dan namens verweerder ter zitting betoogd maakt het feit dat deze druk niet direct door verweerder is uitgeoefend, maar door het onderdeel van de GGD dat op zijn beurt advies uitbrengt aan verweerder, deze constatering niet anders. Feit blijft immers dat de enige ergotherapeut die in het kader van de aanvraag van eiseres een advies heeft uitgebracht dit advies onder druk heeft gewijzigd, waarmee naar het oordeel van de rechtbank de onafhankelijke deskundigheid van deze professional in het geding is gekomen. Naar het oordeel van de rechtbank kan een bestuursorgaan vanuit het oogpunt van behoorlijk bestuur een haar onwelgevallig deskundigenadvies gemotiveerd naast zich neerleggen, of kan een adviseur gemotiveerd een ander advies uitbrengen dan door de ingeschakelde deskundige is gegeven, eventueel na inschakeling van een andere deskundige, maar gaat het niet aan de ingeschakelde deskundige te bewegen tegen haar professionele overtuiging in een reeds uitgebracht advies te wijzigen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder door onder deze omstandigheden toch het advies van Weidenaar van 5 juni 2002 te gebruiken heeft gehandeld in strijd met voornoemd artikel 3:9 Awb.

De rechtbank constateert echter voorts dat door de wisseling in de aan de afwijzing ten grondslag gelegde motivering zoals die in heroverweging heeft plaatsgevonden het bestreden besluit inhoudelijk niet meer gebaseerd kan zijn op dit advies. Bij gebrek aan enig ander (egotherapeutisch) advies heeft verweerder derhalve het standpunt dat de oude woning van eiseres nog adequaat was, danwel dat er voor haar een goedkopere geschikte alternatieve woning voorhanden was, ingenomen zonder dat daarnaar op enige wijze onderzoek is verricht; er is niet bekeken of de oude woning voldoende aangepast was, en evenmin is bekeken welke goedkopere alternatieven er gegeven de medische situatie van eiseres voorhanden zouden zijn.

Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit op deze wijze in strijd met het in artikel 3:2 Awb neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel tot stand gekomen.

Dit brengt met zich dat dit besluit voor vernietiging in aanmerking komt en dat het beroep van eiseres gegrond verklaard dient te worden.

Verweerder zal, nadat nader (deskundigen) onderzoek is verricht, opnieuw dienen te besluiten op het bezwaar van eiseres.

Uit processuele overwegingen voegt de rechtbank nog het volgende toe.

Anders dan eiseres is de rechtbank van oordeel dat eiseres aan de positieve uitlatingen zoals die door Weidenaar ten overstaan van eiseres zijn gedaan over de slaagkans van haar verzoek tot vergoeding kosten woningaanpassing in het kader van de Wvg niet het vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat zij ook daadwerkelijk in aanmerking gebracht zou worden voor deze vergoeding. De rechtbank overweegt in dat kader dat Weidenaar heeft opgetreden in de hoedanigheid van adviseur van verweerder en dit ten overstaan van (de zoon van) eiseres ook duidelijk kenbaar heeft gemaakt. Het had eiseres derhalve duidelijk kunnen zijn dat zij niet diegene was die het besluit zou gaan nemen en dat dus het risico bestond dat het besluit anders zou luiden dan het (aanvankelijke) advies.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient ingevolge artikel 8:74, eerste lid, Awb, tevens te worden bepaald, dat het door eiseres betaalde griffierecht ad € 29,- door de gemeente Groningen aan eiseres wordt vergoed.

De rechtbank acht verder termen aanwezig verweerder op de voet van artikel 8:75, eerste lid, Awb, te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken en wijst de gemeente Groningen aan als de rechtspersoon die de kosten moet betalen.

Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt de rechtbank deze kosten op € 644,-, zoals nader aangegeven op een bij de uitspraak gevoegde bijlage.

4. BESLISSING

De Rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van verweerder van 27 november 2002;

- bepaalt dat de gemeente Groningen eiseres het betaalde griffierecht ad € 29,- dient te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres, welke zijn vastgesteld op € 644,-, en bepaalt dat de gemeente Groningen eiseres deze kosten dient te betalen.

Aldus gegeven door mr. D.J. Klijn, rechter en in het openbaar door haar uitgesproken

op 8 april 2004

in tegenwoordigheid van M. Lammerts-Rannenburg als griffier.

De griffier, wnd. De rechter

De rechtbank wijst er op, dat partijen en andere belanghebbenden binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij

de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA in Utrecht

Afschrift verzonden op:

typ: cbr Bijlage: staat van kosten