Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2004:AO6621

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
30-03-2004
Datum publicatie
31-03-2004
Zaaknummer
AWB 04/231 GEMWT VEN
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Aanzegging bestuursdwang gericht op het verwijderen van bouwwerken caravans en/of woonwagens, met als bedoeling dat het wonen en werken op het terrein wordt beëindigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

SECTOR BESTUURSRECHT

Reg.nos.:

AWB 04/231 GEMWT VEN

AWB 04/235 GEMWT VEN

AWB 04/236 GEMWT VEN

AWB 04/237 GEMWT VEN

AWB 04/238 GEMWT VEN

AWB 04/239 GEMWT VEN

AWB 04/240 GEMWT VEN

U I T S P R A A K

van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen inzake de verzoeken om

toepassing van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van

[verzoeker 1], [verzoeker 2], [verzoeker 3], [verzoeker 4], [verzoeker 5] en [verzoeker 6], allen wonende te Wirdum, verzoekers,

gemachtigde: mr. J. Doornbos

ten aanzien van de besluiten van

a. 16 februari 2004, kenmerk: AF/JA/2003.03017, en

b. 16 februari 2004, kenmerk: AF/JA/2003.03073 van

het college van burgemeester en wethouders van Loppersum, verweerder,

gemachtigde: mr. W.R. van der Velde

1. PROCESVERLOOP

Verweerder heeft bij bovenvermeld besluit van 16 februari 2004 (besluit a) Milau Beheer B.V. te Borgercompagnie gelast op grond van artikel 5:21 e.v. Awb de bewoning van en het verblijf op het terrein van de voormalige steenfabriek Rusthoven te doen beëindigen en de caravans c.q. bouwwerken, op de foto's nos 3, 4, 5, 9, 11, 12, 13, 14, 15, 16 en 18, als opgenomen in de bij dit besluit behorende bijlage, te verwijderen binnen acht weken na verzending van dit besluit, zulks op straffe van een dwangsom van EUR 500,-- voor iedere dag dat niet aan deze last is voldaan, tot een maximum van EUR 50.000,--.

Bij -zes- besluiten van gelijke datum (besluiten b) heeft verweerder verzoekers gelast de bewoning van en het verblijf in de bouwwerken, caravans en/of woonwagens te beëindigen, alsmede de caravans c.q. woonwagens c.q. bouwwerken op de bijgevoegde foto's met de nummers 3, 4, 5, 9, 11, 12, 13, 14, 15, 16 en 18 van het terrein van de voormalige steenfabriek te verwijderen en verwijderd te houden. Een en ander binnen twaalf weken na verzenddatum van deze brief. Verweerder heeft hieraan de waarschuwing verbonden dat indien verzoekers aan deze last geen gevolg geven, zulks door verweerder doch op kosten van verzoekers zal geschieden.

Tegen de besluiten a en b hebben verzoekers bij brief van 4 maart 2004 op grond van artikel 7:1, eerste lid, Awb, een bezwaarschrift ingediend bij verweerder.

Bij verzoekschrift van gelijke datum hebben verzoekers de voorzieningenrechter verzocht met betrekking tot vorengenoemde besluiten een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft op 16 maart 2004 de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Op de voet van artikel 8:26, eerste lid, Awb is Milau Beheer BV inzake het verzoek om voorlopige voorziening ten aanzien van besluit a in de gelegenheid gesteld als partij aangemerkt te worden. Van deze gelegenheid heeft zij gebruik gemaakt door zich ter zitting te laten vertegenwoordigen.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, aan partijen verzonden.

De verzoeken zijn gevoegd behandeld ter zitting van de voorzieningenrechter van

24 maart 2004. Verzoekers hebben zich ter zitting laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Voorts zijn verzoekers [verzoeker 2], [verzoeker 3], [verzoeker 4] en

[verzoeker 5] ter zitting in persoon verschenen.

Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde

mr. W.R. van der Velde en [naam].

Milau Beheer BV heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. G.W. Breuker en haar directeur [directeur].

2. RECHTSOVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb, kan, voor zover hier van belang, indien tegen een besluit voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank een bezwaarschrift is ingediend, de voorzieningenrechter van de rechtbank, die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.1. Ten aanzien van besluit a

Op grond van artikel 7:1, eerste lid, Awb, voorzover hier van belang, de mogelijkheid om bezwaar te maken slechts voorbehouden aan belanghebbenden. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Het besluit ten aanzien waarvan verzoekers om toepassing van artikel 8:81 verzoeken betreft de aan Milau Beheer BV opgelegde last onder dwangsom van 16 februari 2004. Ingeval Milau Beheer BV niet aan die last voldoet zal verweerder tegen Milau Beheer BV kunnen optreden. De last is evenwel niet gericht aan verzoekers, zodat zij reeds hierom niet aangemerkt kunnen worden als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 Awb. De omstandigheid dat Milau Beheer B.V. in kort geding heeft gevorderd het terrein te ontruimen en te verlaten maakt dit niet anders aangezien betrokkenheid in die procedure slechts een afgeleid belang oplevert en niet kan worden aangemerkt als een rechtstreeks belang als bedoeld in artikel 1:2 Awb (vergelijk: Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van

25 februari 2004, LJN-nummer: AO4367).

Het door verzoekers tegen besluit a ingediende bezwaarschrift is gelet op het vorenstaande niet-ontvankelijk te achten zodat het verzoek om voorlopige voorziening dient te worden afgewezen.

2.2. Ten aanzien van de besluiten b

2.2.1. Standpunten van partijen

Verzoekers zijn van mening dat de door verweerder gewenste handhaving zowel op feitelijke als juridische gronden moet worden afgewezen gezien de totstandkoming van het bestemmingsplan uit 1984, de wijze waarop in de afgelopen 20 jaar uitvoering aan dat bestemmingsplan is gegeven en de huidige feitelijke situatie met betrekking tot het terrein.

Anders dan verweerder zijn verzoekers van mening dat legalisering wel tot de mogelijkheden behoort. In het door verweerder zelf op 28 april 2003 vastgestelde plan van aanpak wordt legalisering uitdrukkelijk als mogelijkheid genoemd.

Uit de bestreden besluiten blijkt niet van een belangenafweging in verband met het feit dat verzoekers en hun gezinnen op het betreffende terrein werken en wonen.

Welk belang gemoeid is met handhaving maakt verweerder evenmin duidelijk.

Verweerder heeft bij brief van 12 mei 2003 VROM medegedeeld vooralsnog niet tot handhaving over te willen gaan omdat hij eerst een visie wilde ontwikkelen waarin duidelijk moest worden wat er met het terrein kon en moest gebeuren. Een dergelijke visie is er niet.

De omwonenden die verweerder eind 2000 hebben verzocht om toepassing van bestuursdwang, welk verzoek verweerder bij besluit van 30 januari 2001 heeft afgewezen, hebben daartegen geen bezwaar ingediend zodat verzoekers erop mochten vertrouwen dat het gebruik van het terrein zou worden gedoogd.

Verweerder heeft gesteld zich te willen en te moeten houden aan de vaste handhavingsjurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS). Die jurisprudentie gaat er van uit dat handhaven de regel is, tenzij sprake is van zeer bijzondere omstandigheden. In dit geval is er des te meer reden de hoofdregel te volgen, nu derden (omwonenden, de eigenaar en de Inspecteur voor de Ruimtelijke ordening) expliciet om handhaving hebben verzocht. Voorts zou gedogen kunnen leiden tot ongewenste precedentwerking.

Mogelijke legalisering zou een bijzondere omstandigheid kunnen opleveren om van handhaving af te zien. Daarvan is in dit geval geen sprake. Verweerder heeft evenmin toezeggingen gedaan of verwachtingen gewekt ten aanzien van het gedogen van de illegale situatie. Dat verzoekers dakloos dreigen te worden vormt geen grond om af te zien van handhaving. Voorts hebben verzoekers zichzelf in hun huidige situatie gebracht.

2.2.2. Beoordeling van het verzoek

Ingevolge artikel 125 van de Gemeentewet zijn burgemeester en wethouders bevoegd ter uitvoering van wetten, van algemene maatregelen van bestuur en van provinciale en gemeentelijke verordeningen bestuursdwang toe te passen.

Deze bevoegdheid omvat het doen wegnemen, beletten, in de vorige toestand herstellen of verrichten van wat in strijd met die regels of met ingevolge die regels gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

Artikel 5:21 Awb bepaalt dat onder bestuursdwang wordt verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

Het is bestendige jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) dat verweerder de beginselplicht heeft tot handhaving. Alleen in bijzondere gevallen kan van het bestuursorgaan worden verlangd dat het afziet van handhavend optreden tegen een illegale situatie.

De bevoegdheid van verweerder ter zake bestuursdwang toe te passen houdt partijen niet verdeeld. Wat partijen wel verdeeld houdt is het antwoord op de vraag of sprake is van bijzondere omstandigheden die verweerder hadden moeten nopen af te zien van zijn beginselpicht tegen verzoekers op te treden.

De voorzieningenrechter overweegt dienaangaand als volgt.

Een bijzonder geval kan onder meer worden aangenomen indien concreet zicht bestaat op legalisering. Legalisering ligt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in de lijn der verwachting en -belangrijker- er bestaan op dit moment geen concrete plannen voor een bestemmingswijziging. Verweerder noch de gemeenteraad heeft de wens de huidige situatie te legaliseren.

Het op 28 april 2003 vastgestelde plan van aanpak brengt hierin geen verandering. In het plan van aanpak wordt weliswaar gesteld dat voor de toekomst niet uit te sluiten is dat bewoning 'in enigerlei vorm' mogelijk wordt gemaakt, doch daarbij wordt direct aangegeven dat alsdan belangrijke randvoorwaarden zullen worden gesteld om een en ander 'passend' te laten zijn in de omgeving. Uit het plan van aanpak blijkt ondubbelzinnig dat de gemeente Loppersum niet van zins is de huidige toestand te (blijven) gedogen. Mede gelet op de jurisprudentie en de wens van derden om tegen de situatie op te treden heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid kunnen besluiten tegen verzoekers op te treden. Van bijzondere situaties die verweerder hadden moeten nopen van handhaving af te zien is naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook overigens geen sprake. Van toezeggingen aan verzoekers dat nimmer opgetreden zou worden is niet kunnen blijken, terwijl het plan van aanpak juist is gemaakt om een einde te maken aan de op het terrein ongewenste situatie. Dat verweerder een in 2000 in gang gezette handhavingsprocedure toen niet heeft doorgezet maakt dit niet anders, aangezien daaruit niet de conclusie kan worden getrokken dat ook in de toekomst van handhaving zal worden afgezien. In dit kader is ook van belang dat nadien bij verweerder klachten zijn ingediend en verzocht is om tegen de illegale situatie op te treden. Anders dan door verzoekers is gesteld is de voorzieningenrechter er niet van overtuigd dat de bij verweerder ingediende klaagbrieven mogelijk door anderen dan direct omwonenden zijn ingediend. Mede in aanmerking wordt daarbij genomen het namens verweerder ter zitting gestelde dat drie aanwonende families de burgemeester regelmatig bezoeken met klachten over het gebruik van het terrein in kwestie, alsmede het aanbod van verweerder de overgelegde geanonimiseerde klaagbrieven met toepassing van artikel 8:29, eerste lid, Awb aan de voorzieningenrechter te doen toekomen.

Ook de brieven van de VROM-inspectie van 22 november 2002 en 18 maart 2003 noopten verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter tegen de illegale situatie op te treden.

Met verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat de omstandigheid dat verzoekers door het bestreden besluit dakloos dreigen te worden geen bijzondere grond oplevert om af te zien van handhaving aangezien die omstandigheid inherent is aan elke ontruiming.

Gelet op het vorenoverwogene komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het bestreden besluit naar het zich thans laat aanzien de redelijkheidstoets kan doorstaan.

Het verzoek om voorlopige voorziening komt onder deze omstandigheden niet voor inwilliging in aanmerking.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af

Aldus gegeven door mr. H.C.P. Venema, voorzieningenrechter en in het openbaar door hem uitgesproken op 30 maart 2004, in tegenwoordigheid van M.J.'t Hart als griffier.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.