Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2003:AO8280

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
26-11-2003
Datum publicatie
23-06-2004
Zaaknummer
Awb 02-00843 WVG HOB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In dit (bestreden) besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de beslissing van 3 mei 2002, waarbij de aanvraag van eiser om hem in aanmerking te brengen voor een vervoersvoorziening ingevolge de Wet Voorzieningen Gehandicapten (hierna: de WVG) in de vorm van een gesloten buitenwagen is afgewezen, ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

SECTOR BESTUURSRECHT

ENKELVOUDIGE KAMER

Reg.nr.: Awb 02-00843 WVG HOB

UITSPRAAK

in het geschil tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: [gemachtigde],

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Grootegast, verweerder

gemachtigde H.R.K. Selbach.

1. ONDERWERP VAN GESCHIL

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 7 augustus 2002.

In dit (bestreden) besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de beslissing van 3 mei 2002, waarbij de aanvraag van eiser om hem in aanmerking te brengen voor een vervoersvoorziening ingevolge de Wet Voorzieningen Gehandicapten (hierna: de WVG) in de vorm van een gesloten buitenwagen is afgewezen, ongegrond verklaard.

2. ZITTING

Het geschil is behandeld op de zitting van 8 oktober 2003. Eiser is aldaar in persoon verschenen met bijstand van [gemachtigde]. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door H.R.K. Selbach. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Op 18 november 2003 heeft de rechtbank, met in achtneming van het bepaalde in artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht het onderzoek gesloten.

3. BEOORDELING VAN HET GESCHIL

3.1 Feiten

Eiser, geboren op […] 1949, is gehuwd en woont samen met zijn vrouw in een seniorenwoning.

Bij beslissing van 22 maart 2002 is aan eiser een vervoerspas zonder begeleiding voor deelname aan het aanvullend collectief vervoer (deeltaxi) toegekend.

Op 25 maart 2002 heeft verweerder het verzoek van eiser ontvangen om hem in aanmerking te brengen voor een vervoersvoorziening in de vorm van een 45 kilometer auto (gesloten buitenwagen).

Op 9 april 2002 heeft de hulpverleningsdienst Groningen verweerder geadviseerd de aanvraag af te wijzen omdat eiser geacht wordt zijn beperkingen in de huidige situatie te kunnen oplossen. Er worden geen grote of duidelijke vervoersproblemen in het kader van de WVG aanwezig geacht omdat hij gebruik kan maken van deeltaxivervoer.

Bij beslissing van 3 mei 2002 heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen. Verweerder heeft daarbij aangegeven dat medisch onderzoek heeft uitgewezen dat bij eiser geen medische noodzaak is vastgesteld en voor eiser deelname aan het collectief vervoerssysteem als goedkoopst, adequate oplossing wordt aangemerkt.

Eiser heeft tegen deze beslissing, bij brief van 6 mei 2002, bezwaar aangetekend.

Na een op 11 juni 2002 gehouden hoorzitting heeft de commissie bezwaar- en beroepschriften, gemeente Grootegast (hierna: bezwaarcommissie), verweerder op 11 juni 2002 geadviseerd het door eiser ingediende bezwaarschrift ongegrond te verklaren.

Verweerder heeft bij het thans bestreden besluit het advies van de bezwaarcommissie overgenomen en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

3.2 Standpunt partijen

Eiser heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met het Protocol WVG van 25 maart 2002 (hierna: het Protocol) dat door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is opgesteld. Blijkens dat Protocol dient het gemeentebestuur de zorgplicht zodanig in te vullen dat gehandicapten zoveel mogelijk kunnen deelnemen aan het maatschappelijk leven. Ook is in dat kader te weinig rekening gehouden met het feit dat een verstrekking niet primair inhoudt hetgeen in de regel bij een dergelijke aanvraag wordt verstrekt, doch specifiek ziet op het oplossen van het door de aanvrager geformuleerde probleem, waarbij duidelijk rekening gehouden dient te worden met de sociale omgeving. Verweerder heeft voorts onvoldoende rekening gehouden met het feit dat op jaarbasis de taxibijdrage zoals die door de gemeente wordt vergoed vrijwel gelijk is aan de hoogte van de leasekosten van een brommobiel.

Eiser heeft verder aangevoerd dat zijn situatie inmiddels zodanig is dat het lopen steeds moeilijker gaat en hij het taxivervoer meer als een belasting dan als een verlichting beschouwt. Lichamelijk kan hij de wachttijden steeds moeilijker opbrengen. Tenslotte heeft hij aangevoerd dat het taxivervoer voor hem te duur is omdat zijn vrouw voor voltarief moet meereizen.

Verweerder heeft zich -kort gezegd- op het standpunt gesteld dat hij niet is gehouden aan het Protocol. Verweerder heeft verder naar voren gebracht dat de wachttijden niet staande behoeven te worden doorgebracht en de stelling van eiser dat zijn vrouw voor het volle tarief moet reizen niet juist is. Indien desondanks zou blijken dat hij de reiskosten niet kan dragen dan bestaat er mogelijk een recht op bijzondere bijstand.

3.3 Rechtsoverwegingen

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de WVG draagt het gemeentebestuur zorg voor de verlening van woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen, en rolstoelen ten behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer van in de gemeente woonachtige gehandicapten en stelt met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet daartoe regels vast bij verordening. Krachtens artikel 3 van de WVG biedt het gemeentebestuur verantwoorde voorzieningen aan, waaronder worden verstaan de voorzieningen die doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht zijn.

Uit voornoemde bepalingen blijkt dat de wetgever bij de in de artikelen 2 en 3 van de WVG opgedragen taak om zorg te dragen voor de verlening van voorzieningen ten behoeve van deelneming aan het maatschappelijk verkeer van ter plaatse wonende gehandicapten, aan de gemeenten bewust beleidsruimte heeft verleend.

Bij de gebruikmaking van die ruimte dient door de gemeente in acht te worden genomen dat een vervoersvoorziening als hier aan de orde, is bedoeld om binnen de woon- en leefomgeving sociale contacten te onderhouden en deel te nemen aan het leven van alledag, zo blijkt uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep.

Verweerder heeft van deze bevoegdheid gebruik gemaakt door op grond van artikel 2 van de WVG de Verordening Voorzieningen gehandicapten gemeente Grootegast (hierna: de Verordening) vast te stellen.

Blijkens artikel 1.1. van de Verordening wordt onder een voorziening verstaan een woon- of vervoersvoorziening of een rolstoel.

Krachtens het bepaalde in artikel 1.2, eerste lid, van de Verordening kan een voorziening slechts worden toegekend voor zover:

a. deze in overwegende mate op het individu is gericht;

b. deze langdurig noodzakelijk is om diens beperkingen op het gebied van het wonen of zich binnen of buiten de woning verplaatsen op te heffen of te verminderen;

c. deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt.

Ingevolge het tweede lid kan met uitzondering van hetgeen in het eerste lid onder sub a. is gesteld, een voorziening worden verstrekt in de vorm van het gebruik van een collectief vervoerssysteem als bedoeld in artikel 3.1, onder a..

In artikel 3.1 van de Verordening is -voor zover hier van belang- bepaald dat de door burgemeester en wethouders te verstrekken vervoersvoorziening kan bestaan uit een collectief systeem van aanvullend al dan niet openbaar vervoer (sub a.) of een voorziening in natura in de vorm van een al dan niet aangepaste gesloten buitenwagen (sub b. onder 2.).

In artikel 3.2, tweede lid, van de Verordening is bepaald dat een gehandicapte voor een gesloten buitenwagen in aanmerking kan worden gebracht wanneer:

a. aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het gebruik van een collectief systeem onmogelijk maken, dan wel

b. een collectief systeem niet aanwezig is.

Voorts heeft verweerder met gebruikmaking van zijn bevoegdheid het door hem gehanteerde beleid neergelegd in het Verstrekkingenboek WVG van de gemeente Grootegast (hierna: het Verstrekkingenboek).

Ingevolge hoofdstuk II, paragraaf 2.1 van het Verstrekkingenboek hanteert de gemeente -wat betreft vervoersvoorzieningen- het primaat van het collectief vervoer. Daarmee wordt bedoeld dat in eerste instantie wordt gekeken of een collectieve vervoersvoorziening een oplossing vormt voor het vervoersprobleem. Pas indien men geen gebruik kan maken van het collectief vervoer, of wanneer het collectief vervoer onvoldoende adequaat is, kan men in aanmerking komen voor een individuele vervoersvoorziening. Blijkens het bepaalde in hoofdstuk II, paragraaf 2.2 van het Verstrekkingenboek beperkt de zorgplicht van de gemeente zich in eerste instantie tot de directe leefomgeving van de WVG-gerechtigde en het leven van alle dag: slechts bij hoge uitzondering kan de zorgplicht van de gemeente worden uitgebreid. In Hoofdstuk II, paragraaf 2.4 van het Verstrekkingenboek is vastgelegd dat de cliënt, met betrekking tot het zich verplaatsen buitenshuis, in staat moet worden gesteld in ieder geval dat te doen wat mensen -door de bank genomen- van dag tot dag plegen te doen: winkelen/boodschappen doen, bezoek aan familie/kennissen, bezoeken van bijeenkomsten en (sport)activiteiten, bezoek bank/postkantoor en recreatie/hobby. Bij deze laatste activiteit staat vermeld dat indien de vervoersbehoefte alleen recreatie/hobby betreft, dit in principe niet onder de WVG valt.

De rechtbank ziet geen grond om te oordelen dat de wijze waarop verweerder van zijn bevoegdheden gebruik heeft gemaakt in strijd is met de WVG dan wel anderszins de rechterlijke toets niet kan doorstaan.

Blijkens het aanvraagformulier heeft eiser de gesloten buitenwagen aangevraagd omdat hij van mening is dat hij in zijn vrijheid belemmerd wordt omdat hij, gelet op zijn hobby, met de deeltaxi niet kan doen en laten wat hij wil. Voorts wil eiser, samen met zijn echtgenote, zijn sociale contacten onderhouden.

Blijkens het advies van de Hulpverleningsdienst Groningen heeft eiser op 9 april 2002 het spreekuur bezocht. Eiser heeft toen aangegeven dat er geen vervoersbeperkingen zijn op de korte afstand. Voorts heeft hij aangegeven dat hij voor de middellange afstand gebruik maakt van de WVG-deeltaxi en met zijn rollator ongeveer 250 meter loopt. De reden van zijn aanvraag is gelegen in het feit dat hij beperkingen ondervindt bij de uitoefening van zijn, en overigens ook zijn echtgenotes, hobby, namelijk genealogie en (in verband daarmee) het bezoeken van kerkhoven. Door de hulpverleningsdienst Groningen is vervolgens geconcludeerd dat in het kader van de WVG geen grote of duidelijke vervoersproblemen aanwezig zijn omdat eiser gebruik kan maken van WVG- deeltaxi vervoer. Eiser en zijn echtgenote worden in staat geacht om met deze taxi te reizen op de middellange afstand. Voorts is ook de verstrekking van een gesloten buitenwagen medisch niet geïndiceerd

Uit hetgeen eiser heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel dat het advies van de Hulpverleningsdienst Groningen niet juist zou zijn of onzorgvuldig tot stand zou zijn gekomen.

De rechtbank stelt voorts vast, en dat is tussen partijen ook niet in geschil, dat een collectief systeem als bedoeld in artikel 3.1, onder a., van de Verordening in de gemeente Grootegast aanwezig is en dit systeem (ruimschoots) voldoet aan de minimale eisen die daar in het kader van de zorgplicht aan kunnen worden gesteld. Voorts is de rechtbank niet gebleken dat eiser geen gebruik zou kunnen maken van dit collectieve vervoer (waar het primaat ligt) danwel dit collectieve vervoer onvoldoende adequaat zou zijn. Naar het oordeel van de rechtbank kan eiser op deze wijze voldoende deelnemen aan het maatschappelijk verkeer daar hij in voldoende mate in de gelegenheid wordt gesteld in ieder geval dat te doen wat mensen -door de bank genomen- van dag tot dag plegen te doen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gelet op het bepaalde in Hoofdstuk II, paragraaf 2.4 van het verstrekkingenboek, daarbij ook terecht geconcludeerd dat aan de uitoefening van zijn hobby geen zelfstandig argument ontleend kan worden voor de verstrekking van een vervoersvoorziening. Hetzelfde geldt voor het argument dat eiser het wachten als belastend ervaart. Gelet op het voorgaande en het bepaalde in artikel 3.2, tweede lid, van de Verordening heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eiser niet in aanmerking komt voor een gesloten buitenwagen.

Ten aanzien van het beroep van eiser op het Protocol overweegt de rechtbank, gelijk aan de rechtbank Arnhem, bij uitspraak van 29 september 2003 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, LJN: AL7538) dat het Protocol een algemene beleidslijn bevat die verweerders eigen beleidsvrijheid en -beslissingen op het terrein van de WVG onverlet laat. Nu de wetgever destijds heeft gekozen voor een decentraal regime, waarbinnen aan gemeenten de verantwoordelijkheid is opgedragen om “zorg op maat” te bieden en niet is gebleken dat verweerder het Protocol heeft geïncorporeerd in de Verordening of het eigen WVG-beleid, kan niet worden gesteld dat verweerder in dezen gehouden zou zijn te handelen volgens het Protocol. Het beroep van eiser op het bepaalde in het Protocol kan dan ook niet slagen.

Nu door eiser voor het overige geen grieven zijn aangedragen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

4. BESLISSING

De Rechtbank te Groningen,

RECHT DOENDE,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. M.P. den Hollander, rechter, en in het openbaar door haar uitgesproken op 26 november 2003 in tegenwoordigheid van G. Rammeloo als griffier.

De griffier, wnd. De rechter

De rechtbank wijst er op dat partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.

Afschrift verzonden op:

typ: dp